Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2000:AA4243

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-01-2000
Datum publicatie
16-08-2001
Zaaknummer
111799
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA4243
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr.111.799 Mr Fokkens

Zitting 21 september 1999

Conclusie

inzake:

[verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

1. Verdachte is door het gerechtshof te Arnhem wegens diefstal door twee of meer verenigde personen, opzettelijke vernieling en medeplichtigheid aan diefstal veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie weken.

2. Verdachte heeft tegen het arrest beroep in cassatie ingesteld. Er zijn geen middelen ingediend.

3. Ambtshalve merk ik het volgende op. Het bij verstek gewezen arrest van het hof waartegen het cassatieberoep zich richt, dateert van 25 juni 1993. Tot aan het instellen van het cassatieberoep d.d. 27 maart 1998 zijn er 4 jaar en negen maanden verstreken. Uit in cassatie opgevraagde informatie blijkt dat verdachte van 23 maart 1998 tot 2 mei 1998 gedetineerd was. De betekeningsstukken maken duidelijk dat verdachte d.d. 23 maart 1998 van de uitspraak van het hof op de hoogte is gesteld. Het cassatieberoep is via een verklaring ex art.451a WvSv -tijdig- vanuit detentie ingesteld.

4. Uit de stukken leid ik af dat de dagvaarding in hoger beroep niet in persoon aan verdachte is betekend. Van een omstandigheid waardoor verdachte met de zittingsdag bekend zou zijn geweest als bedoeld in artikel 432 Sv blijkt niet. Betekening van het arrest aan verdachte ex artikel 366 (oud) Sv is dus voorwaarde om de beroepstermijn te laten aanvangen. Gezien de tussen het wijzen van de einduitspraak en het instellen van het rechtsmiddel verstreken termijn rijst de vraag of het openbaar ministerie het arrest wel “zo spoedig mogelijk” aan verdachte heeft betekend. Het door mij opgevraagde “betekeningsmapje” wijst uit dat - de mededeling uitspraak in augustus 1993 eenmaal tevergeefs is aangeboden; - in augustus 1993 eenmaal GBA-informatie is opgevraagd; - de mededeling uitspraak in september 1993 eenmaal tevergeefs (aan een nieuw adres) is aangeboden; - de mededeling uitspraak in oktober 1993 eenmaal tevergeefs is aangeboden; - de mededeling uitspraak in november 1993 twee maal tevergeefs is aangeboden; - in november 1993 twee maal GBA-informatie is opgevraagd; - de mededeling uitspraak uiteindelijk d.d. 1 december ter griffie is betekend en - d.d. 6 december 1993 om registratie ter opsporing bij de politie is verzocht. Het openbaar ministerie heeft dus getracht verdachte van de uitspraak op de hoogte te stellen. Toen dat niet lukte, is verdachte d.d. 1 december 1993 ‘op de signalering’ gezet.

5. De ten behoeve van de aanzegging in cassatie uitgevoerde GBA-controle heeft uitgewezen dat verdachte zich op 2 mei 1994 heeft gevestigd in [woonplaats] aan het adres [..] 443 A, alwaar hij op 30 september 1999 nog steeds ingeschreven stond. Onvindbaar heeft verdachte zich dus, naar achteraf is gebleken, niet gemaakt. Vgl. HR NJ 1999, 248, waar verdachte zich wel onvindbaar maakte. De vraag is of de vertraging die in de strafprocedure is ontstaan doordat verdachte na een aantal betekeningspogingen ‘op de signalering’ is gezet en er vanaf dat moment geen GBA-controles meer zijn uitgevoerd, aan het openbaar ministerie valt te verwijten. Met andere woorden: mocht van het openbaar ministerie verwacht worden dat het na de signalering GBA-controles bleef uitvoeren? Recent heeft de Hoge Raad een dergelijke verplichting voor het openbaar ministerie aangenomen (HR 6 april 1999, nr.110.122, anders AG Van Dorst). In die zaak ondernam het openbaar ministerie na drie tevergeefse betekeningspogingen drie jaar lang géén pogingen het arrest te betekenen terwijl verdachte die hele periode in de GBA stond ingeschreven, hetgeen wegens overschrijding van de redelijke termijn tot strafvermindering aanleiding gaf. Enig verschil met de onderhavige zaak zou kunnen zijn dat niet blijkt dat het openbaar ministerie in die zaak de verdachte gesignaleerd heeft. Dat laatste neemt mijnsinziens niet weg dat redelijkerwijs van het openbaar ministerie mag worden gevergd dat men probeert de mededeling uitspraak alsnog te betekenen. Uit ingewonnen informatie is mij gebleken dat er op dit punt kennelijk geen duidelijk beleid is. Nu het strafdossier ook na de signaleringsopdracht op de afdeling executie van het parket aanwezig blijft, zou tenminste jaarlijks kunnen worden nagegaan of een nieuw adres bekend is en zo ja, een nieuwe poging tot betekening van de verstrekmededeling kunnen worden gedaan.

6. Alhoewel verdachte in deze zaak niet over de schending van de redelijke termijn heeft geklaagd, dient, mede in aanmerking genomen dat verdachte in cassatie geen rechtsbijstand heeft genoten, aangenomen te worden dat de vertraging die is ontstaan een schending van het recht op berechting binnen een redelijke termijn oplevert. Op een schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM door een vertraging van ruim drie jaar is - het belang van de gemeenschap bij normhandhaving en het belang van de verdachte bij het verval van het recht tot vervolging tegen elkaar afwegend - strafvermindering het passende antwoord. Vgl. genoemd arrest nr. 110.122.

Ik concludeer dat de bestreden uitspraak voor wat betreft de opgelegde gevangenisstraf en de motivering daarvan zal worden vernietigd, dat de Hoge Raad de opgelegde straf zal verminderen, met verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,