Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:1999:ZD5153

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
18-05-1999
Datum publicatie
24-08-2022
Zaaknummer
110.414
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1999:ZD5153
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 110.414

Zitting: 9 maart 1999

Mr Machielse

Conclusie inzake:

[verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

1. Bij arrest van 7 juli 1997 is verzoeker door het gerechtshof te Arnhem ter zake van 1. en 2. "Het medeplegen van: Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod; meermalen gepleegd", 3. "Het medeplegen Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod", "Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven" en 6. "Het medeplegen Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III"; en "Het medeplegen van: Handelen in strijd met artikel 26, eerst lid van de Wet wapens en munitie" veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien jaar met onttrekking aan het verkeer zoals in het arrest omschreven.

2. Namens verzoeker heeft mr G. Spong, advocaat te 's- Gravenhage, zes middelen van cassatie voorgesteld.1

3. Het eerste middel klaagt over een schending van art. 6 EVRM en art. 14 IVBPR doordat wegens het tijdsverloop tussen het instellen van het cassatieberoep op 17 juli 1997 en de eerste behandeling daarvan in cassatie op 5 januari 1999 de redelijke termijn als bedoeld in voormelde verdragsbepalingen is overschreden: de stukken zijn ruim veertien maanden nadat het cassatieberoep is ingesteld door de Hoge Raad op 28 september 1998 ontvangen.

3.1. Uit de stukken blijkt - zoals de steller van het middel met juistheid stelt - dat het cassatieberoep is ingesteld op 17 juli 1997. Anders dan de steller van het middel evenwel aanvoert, zijn de stukken blijkens een daarop geplaatst stempel ter griffie van de Hoge Raad ingekomen op 29 juni 1998. Dát is de einddatum die volgens de rechtspraak van de Hoge Raad primair van belang is. Derhalve is tussen beide zoëven genoemde voor de onderhavige rechtsvraag relevante toetsingsmomenten sprake van een tijdsverloop van ruim elf maanden. Met dit tijdsverloop is sprake van een schending van de redelijke termijn als bedoeld in de door de steller van het middel genoemde verdragsbepalingen. In het middel wordt dus terecht een beroep gedaan op HR NJ 1988, 814.

Dat de raadsman uitstel van behandeling heeft verzocht wegens late toezending aan hem van stukken, welk verzoek is gehonoreerd waardoor de eerste behandeling ter terechtzitting van de Hoge Raad niet op 1 december 1998 maar eerst op 5 januari 1999 heeft kunnen plaatsvinden, heeft mijns inziens in dit kader (nog) geen zelfstandige betekenis.2

3.2. Aangezien bij afweging van enerzijds het belang dat de gemeenschap ook na overschrijding van de redelijke termijn behoudt bij normhandhaving en anderzijds het belang dat de verdachte heeft bij verval van het recht tot strafvervolging nadat die termijn is overschreden eerstgenoemd belang moet prevaleren, leidt de gegrondheid van het middel tot het oordeel dat aan de verdachte een lagere straf behoort te worden opgelegd dan het hof hem voordat sprake was van overschrijding van die termijn heeft opgelegd. De Hoge Raad zal, rekening houdende met de aan de verdachte opgelegde straf als hiervoor onder 1 vermeld en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, die straf zelf kunnen verminderen.

3.3 Het eerste middel treft dus doel.

4. In het tweede middel wordt er ten eerste over geklaagd dat het onderzoek ter terechtzitting van het hof aan nietigheid lijdt aangezien het hof het verzoek van de verdediging om de informanten als getuigen te horen heeft afgewezen op gronden die deze afwijzing niet kunnen dragen, daargelaten dat het hof te dezen wel de juiste maatstaf - het noodzaakscriterium - heeft toegepast. De steller van het middel heeft hierbij het oog op de in de toelichting van het middel - met juistheid weergegeven - samenvatting en verwerping van het verweer, zoals door het hof in het bestreden arrest is weergegeven.

4.1. De steller van het middel klaagt er - met een beroep op HR NJ 1995, 80 - ten eerste over dat 's hofs beslissing aan onbegrijpelijkheid lijdt aangezien het hof, "door op voorhand niet aan de juistheid van de reeds als getuigen gehoorde politie-ambtenaren [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] te twijfelen", "vooruit" "is op de inhoud van de verklaringen van de als getuigen opgegeven informanten die "bij voorbaat" door het hof ongeloofwaardig worden geacht ingeval zij een verklaringen zouden afleggen die inhoudelijk niet overeenstemt met die van de gehoorde politiefunctionarissen.

4.2. Het middel berust op een onjuiste lezing van het arrest van het hof en mist daardoor feitelijke grondslag. Het hof is met zijn afwijzing van het oproepen van de informanten als getuigen immers niet vooruit gelopen op de inhoud van de verklaringen van die getuigen; het hof heeft enkel achteraf en op grond van de daarvóór ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaringen van de politie-ambtenaren [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] het verhoor van de gevraagde getuigen niet noodzakelijk geoordeeld en daartoe laten weten dat het hof zich voldoende voorgelicht achtte nu het hof geen aanleiding heeft gezien om aan de juistheid van deze verklaringen te twijfelen. De draai die het middel aan de bewoordingen van het hof poogt te geven is overigens wel heel erg ver gezocht. Indien de vooronderstellingen van de steller van het middel juist zouden zijn, zou dat betekenen dat een rechter in feitelijke aanleg nimmer enige waardering aan de verklaring van een reeds gehoorde getuige ter zitting zou mogen verbinden, waarmee, in voorkomende gevallen, de grondslag aan het verzoek van de verdediging tot het horen van een getuige komt te ontvallen. Ten overvloede merk ik op dat ook de vergelijking met HR NJ 1995, 80 niet opgaat. In die zaak kwam het hof (door zijn bevestiging van het vonnis van de politierechter) - zonder meer - tot de vaststelling dat "de feiten vaststaan". In casu is daarvan geen sprake, gelet hetgeen hiervoor is weergegeven met betrekking tot het horen van de betreffende verbalisanten ter zitting van het hof.

4.3. Voorzover de steller van het middel beoogt de betrouwbaarheid van de verklaringen van voornoemde getuigen/politiefunctionarissen - gelet op onder meer "de IRT-ervaringen" aan te vechten, miskent het dat, volgens vaste jurisprudentie, het oordeel omtrent de betrouwbaarheid van (voor het bewijs gebruikte) verklaringen aan de feitenrechter is. Ik acht het middel in zoverre overigens ook uitermate speculatief.

4.4. Het tweede middel faalt.

5. Het derde middel klaagt over een schending van de artt. 6 EVRM en 14 IVBPR aangezien het hof het verzoek van verzoekers raadsman - aldus door de steller van het middel kort samengevat - dat terbeschikkingstelling van informatie door de regiopolitie IJselland over een informant uitsluitend aan het hof zal plaatsvinden zonder dat deze informatie aan verzoeker c.q. de verdediging bekend behoeft te worden gemaakt, heeft afgewezen op gronden die deze afwijzing niet kunnen dragen.

5.1.1. Het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 2 april 1997 houdt - voorzover voor de beoordeling van het middel van belang - het volgende in:

De raadsman van verdachte deelt mede dat hij het op prijs zou stellen dat het hof een beslissing zou nemen op het verzoek tot terbeschikkingstelling van de informatie door de regiopolitie IJselland, die op pagina 29 van het stamproces-verbaal wordt genoemd. De raadsman wijst daarbij op de omstandigheid dat, wanneer de getuige [betrokkene 1] nu onder ede de waarheid spreekt en hij heeft die verklaring over Roemenië niet tegenover de politie en ook niet tegenover de CID IJselland afgelegd, het wenselijk is om te verifiëren wie de brenger was van deze informatie over Roemenië bij de regionale CID IJselland, teneinde de gedachte weg te nemen dat de politie dingen uit de mond van deze getuige heeft opgeschreven die ze uit informatie van de CID-IJselland hebben gekregen.

(...)

De raadsman van verdachte deelt mede, zakelijk weergegeven:

Ik verzoek het hof nu een beslissing te nemen op het eerder door mij gedane verzoek tot terbeschikkingstelling van de informatie van de regiopolitie IJselland, welke op pagina 29 van het stamproces-verbaal wordt genoemd. Ik wil in dit verband verwijzen naar een recente uitspraak van de rechtbank te Rotterdam, waarbij de rechter- commissaris in de gelegenheid werd gesteld om te beoordelen of bepaalde gegevens in het proces diende te worden ingebracht. Van deze uitspraak is mij geen vindplaats bekend. Ik kan mij goed voorstellen dat verstrekking van de gegevens op grote problemen van de zijde van het openbaar ministerie zal stuiten, omdat daarmee de identiteit van de informant bekend zal worden. Ik ben van mening dat het voor de verdediging van groot gewicht is dat bekend wordt of [betrokkene 1] de informant is. Ik vraag het hof dan ook als tussenoplossing de informatie van de CID-IJselland, waarin Roemenië wordt genoemd, door het openbaar ministerie aan het hof te laten verstrekken, opdat het hof kan beoordelen of daar sprake is van de naam [betrokkene 1] . Immers, wanneer het zo zou zijn dat het [betrokkene 1] is die die Roemenië-informatie aan CID-IJselland leverde, zou dat betekenen dat die [betrokkene 1] dubbel in het proces- verbaal voorkomt en denk ik dat het hof met die wetenschap het nodige zal doen. Ik kan me erin vinden dat het hof op die manier zal kunnen beschikken over gegevens waar de verdediging niet over beschikt. Ik denk dat het in alle redelijkheid wel zo dient te zijn dat de verdediging er wel van op de hoogte wordt gesteld of het [betrokkene 1] was.

De procureur-generaal deelt mede, zakelijk weergegeven:

Ik acht het verzoek van de raadsman in strijd met een kernbeginsel in het strafproces, te weten de openbaarheid van dat proces intern en extern. Als door het openbaar ministerie aan het hof stukken zouden worden overgelegd met enige relevantie tot aanhangige strafzaken zou het een wezenlijk recht van de verdediging moeten zijn om daarvan kennis te nemen. Een voorstel dat daarmee in strijd is kan naar mijn mening niet aanvaard worden. Het verzoek zoals het oorspronkelijk werd gedaan ging uit van de premisse dat de verklaring dat heroïne zou zijn "koudgezet" in Roemenië afkomstig was van de later daarover gehoorde getuige [betrokkene 1] . Die premisse is niet geldig en om die reden is het verzoek evenmin te honoreren.

De raadsman van de verdachte deelt mede, zakelijk weergegeven:

Die conclusie van het openbaar ministerie is naar mijn mening onjuist. Er is in eerste aanleg langdurig gekissebist tussen het openbaar ministerie en de verdediging over de informanten in deze zaak. Het punt was dat het niet uitgesloten was dat informanten ook als verdachten in de dossiers zouden kunnen voorkomen. Er kwam toen niets uit. Ons strafrecht kent geen geheim deel en voorziet dus daarin niet. Een redelijke uitweg mag dus zomaar ingeslagen worden. Wanneer de waarheidsvinding van de verdediging kennelijk van groter belang blijkt dan de vraag of het Wetboek van Strafvordering er in voorziet, is er geen sprake van geheimzinnigheid meer, maar is er alleen maar sprake van vertrouwen in de rechter. Dat vertrouwen heeft de verdediging volledig en het lijkt erop dat het openbaar ministerie dat niet heeft, als het openbaar ministerie zich verzet. In het hele dossier komt niemand anders dan [betrokkene 1] voor die in de gelegenheid is geweest het Roemenië-verhaal te vertellen. In verband met de waarheidsvinding dient uitgesloten te worden dat [betrokkene 1] de informant is geweest, want als hij het niet is geweest dan wordt zijn positie volstrekt begrijpelijk, namelijk dat hij al heel lang informant is bij de politie, dat hij uiteindelijk een waas heeft opgetrokken, bang is geworden en op 3 mei 1995 plotseling verklaart dat hij niet meer wil vertellen, omdat hij toen leeg is gezogen, ze hem lieten vallen en hij toch werd vervolgd.

De verdachte deelt mee dat hij niets heeft toe te voegen.

Na gehouden beraad deelt de voorzitter mede:

- het verzoek van de verdediging om de overlegging CID informatie met de toevoeging dat alleen het hof daarvan kennis zal nemen om vervolgens uit die informatie alleen openbaar te maken of [betrokkene 1] al dan niet de informant is waarop dat CID-rapport op het door de verdediging bedoelde punt gebaseerd is, wordt door het hof afgewezen. Het hof is niet bereid kennis te nemen van informatie die misschien niet aan de verdediging ter beschikking gesteld zou kunnen worden. Dat geldt ook wanneer de verdediging al bij voorbaat te kennen geeft die informatie niet te willen hebben, omdat de verdediging aan die toezegging nooit echt gehouden zou kunnen worden en omdat het hof er zelf bezwaar tegen heeft kennis te dragen van gegevens waar niet over gedebatteerd kan worden. Het hof vindt het ook niet nodig om in dit stadium opdracht te geven om die informatie in het geding te brengen. De opsteller van het bedoelde CID-verbaal, [verbalisant 2] , zal morgen ter terechtzitting als getuige worden gehoord. Aan hem kan gevraagd worden van wie dat Roemenië-verhaal afkomstig is.

5.1.2. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 3 april 1997 is aldaar onder meer de getuige [verbalisant 2] , politieman te Zwolle en coördinator bij de CID bij het kernteam Noord-Oost Nederland gehoord. Blijkens evengenoemd proces-verbaal heeft het hof aldaar vervolgens het volgende overwogen en beslist.

dat het subsidiair gedane verzoek om een ambstbericht of proces-verbaal, waaruit blijkt dat [betrokkene 1] niet de informant of een van de informanten is waar in het dossier sprake van is, hetzij van de CID van het IRT, hetzij van de CID te Rotterdam wordt ook afgewezen. De procureur-generaal heeft aangekondigd dat aan dat verzoek geen gevolg kan worden gegeven. De vraag in hoeverre het essentieel is dat die informatie er toch komt moet onder ogen worden gezien. Het hof acht dit niet essentieel. Er is uit de verhoren ter terechtzitting van heden gebleken dat de mogelijkheid niet kan worden uitgesloten dat [betrokkene 1] de informant is en dat betekent dat ook het hof daarvan uit moet gaan, hetgeen gevolgen zou kunnen hebben voor de bruikbaarheid voor het bewijs van bepaalde in het dossier aanwezige gegevens.

5.2. Het middel kan naar mijn mening buiten bespreking blijven. Daargelaten 's hofs (motivering van zijn) afwijzende beslissing ter terechtzitting van het hof van 2 april 1997 op het verzoek van de verdediging tot het ter beschikking (doen) stellen van informatie door de regiopolitie IJselland over een informant uitsluitend aan het hof, moet in cassatie immers ervan worden uitgegaan - nu 's hofs overwegingen niet anders dan aldus kunnen worden gelezen - dat het hof op de nadere terechtzitting van 3 april 1997 heeft beslist dat het hof ervan uit gaat dat [betrokkene 1] - overeenkomstig het verweer van de zijde van de verdediging; - de informant is, met de daaraan verbonden door het hof genoemde strafprocessuele consequenties. In aanmerking genomen dat het betreffende verzoek van de verdediging er uitsluitend op berustte dat helderheid zou worden verschaft over de vraag of de getuige/medeverdachte [betrokkene 1] al dan niet mede als informant was opgetreden gedurende enige fase in het vooronderzoek, terwijl het hof deze vraag op de nadere terechtzitting veronderstellenderwijs bevestigend heeft beantwoord, komt het mij voor dat verzoeker bij een bespreking van het middel geen in rechte te respecteren belang meer heeft.

5.3. Het derde middel kan dus niet tot cassatie leiden.

6. Het vierde middel klaagt erover dat het hof het verzoek van de verdediging om de zaak te verwijzen naar de rechter-commissaris voor het horen van de getuige [betrokkene 2] heeft afgewezen op gronden die deze beslissing niet kunnen dragen.

6.1.1. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 3 april 1997 houdt onder meer het volgende in:

Na hervatting stelt de voorzitter aan de orde het op 17 februari 1997 gedane verzoek van de verdediging om [betrokkene 2] op de lijst van getuige te plaatsen en te laten oproepen, subsidiair om de zaak naar de rechter-commissaris te verwijzen om hem te horen.

(...)

De raadsman Doedens repliceert, zakelijk weergegeven:

(...) [betrokkene 2] is in feite een kroongetuige, wiens verklaringen van doorslaggevend belang zijn. Ik wil enkele punten aangeven waarover ik deze getuige vragen zou willen stellen:

-zijn er afspraken gemaakt met betrekking tot het verloop van zijn strafzaak in Nederland?

-zijn er verder nog toezeggingen gedaan? Dit kan van belang zijn, nu de verbalisanten hiervan zeggen dat zij zich dit niet kunnen herinneren.

- wat was de inhoud van de blanco geadresseerde brief van zijn hand, welke naar Nederland moest worden meegenomen?

- waarom heeft hij later een brief geschreven, waarin hij zijn verklaring introk? Het kan in het licht zijn geweest van bepaalde afspraken.

(...)

Na gehouden beraad deelt de voorzitter mee:

(...)

Het hof stelt voorop dat [betrokkene 2] door de rechter- commissaris gehoord is in Polen. Hem opnieuw door de rechter-commissaris te laten horen heeft niet het winstpunt dat het hof hem zelf ter zitting kan zien en zou een herhaling inhouden van wat er al gebeurd is. In de tussentijd zijn er naar de mening van het hof geen dingen gebeurd, gezegd of bekend geworden die aanleiding zouden kunnen geven [betrokkene 2] opnieuw te doen horen. Bij het vorige verhoor is - naar de verdediging heeft aangevoerd - er geen behoorlijke gelegenheid geweest voor de verdediging althans van de verdachte [medeverdachte] , om aanwezig te zijn en vragen te stellen, aangezien het de vorige raadsman was. Het hof kan zich daarmee niet verenigen. De verdachte had een raadsman die in de gelegenheid was om naar Krakau te reizen of om zijn vragen schriftelijk op te geven. Die raadsman heeft dat toen niet gedaan. De verdachte heeft er geen recht op dat dat verhoor wordt herhaald op de enkele grond dat hij thans een andere raadsman heeft. De brief van 23 juli 1995, waarin [betrokkene 2] al zijn verklaringen intrekt is geen aanleiding het verhoor over te doen. Het subsidiaire verzoek om [betrokkene 2] door de rechter- commissaris te laten horen middels een rogatoire commissie wordt afgewezen nu het hof dat verhoor niet in het belang van het onderzoek nodig acht. Er is een aantal omstandigheden aangevoerd om aannemelijk te maken dat er afspraken met de getuige [betrokkene 2] gemaakt zouden kunnen zijn. Het hof is van mening dat dergelijke afspraken voor de behandeling van deze zaak alleen dan van belang kunnen zijn, wanneer ze invloed kunnen hebben op de beoordeling van de betrouwbaarheid van de getuige. Dat betekent dat afspraken die naderhand zijn gemaakt betekenis missen. Vóór het verhoor gemaakte afspraken of gedane voorspiegelingen kunnen wel van betekenis zijn. Het hof ziet echter onvoldoende reden om aan te nemen dat daar sprake van is. Niet alleen heeft [betrokkene 2] zelf bij de rechter-commissaris verklaard dat er van afspraken geen sprake was, maar bovendien hebben de getuigen [betrokkene 3] en [betrokkene 4] hier onder ede verklaard dat er ter gelegenheid van hun verhoor door de politie geen afspraken gemaakt zijn, omdat dat nooit wordt gedaan.

6.1.2. Het hof heeft in het bestreden arrest het in het middel bedoelde verzoek als volgt samengevat en verworpen:

De verdediging heeft voorts verzocht dat het hof de oproeping als getuige zal bevelen van [betrokkene 2] , subsidiair dat het hof de stukken in handen van de rechter-commissaris zal stellen en door deze die [betrokkene 2] zal laten horen. De verdediging acht het nader verhoor van [betrokkene 2] noodzakelijk omdat hij een zeer belangrijke getuige is en het ter beoordeling van de betrouwbaarheid van zijn verklaringen nodig is hem nader te ondervragen omtrent mogelijk door of vanwege het openbaar ministerie gedane toezeggingen in ruil voor zijn verklaringen.

Het hof heeft een ter terechtzitting in hoger beroep op 2 april 1997 gedaan verzoek tot het verhoor van deze getuige op de zitting van 3 april 1997 afgewezen. Het hof blijft bij de in het proces-verbaal van laatstgenoemde zitting opgenomen gronden voor die afwijzing, maar voegt daar thans het volgende aan toe.

Ter terechtzitting van 23 juni 1997 heeft de procureur-generaal door overlegging van kort daarvoor aan de verdediging gerichte brieven meegedeeld dat op 20 november 1996 de Nederlandse strafzaak tegen [betrokkene 2] is geseponeerd en dat [betrokkene 2] in mei 1997 door een Poolse rechtbank veroordeeld is tot een gevangenisstraf van acht jaar en een geldboete van 1000 Zloty (tegen welk vonnis door hem hoger beroep is ingesteld). De verdediging ziet in die gang van zaken een nadere grond om rekening te houden met de mogelijkheid dat de getuige [betrokkene 2] wel degelijk toezeggingen zijn gedaan in ruil voor zijn verklaring en om zijn nader verhoor noodzakelijk te achten. Het hof verenigt zich daarmee niet. De juistheid van het tijdstip van de sepotbeslissing, die kennelijk is genomen in verband met de in Polen tegen [betrokkene 2] ingestelde vervolging, maar zonder diens veroordeling af te wachten, is voor discussie vatbaar. Een sepot echter van de zaak tegen een verdachte die in het buitenland wegens ernstige feiten gedetineerd is en wiens terugkeer op korte termijn in redelijkheid niet verwacht kan worden, ligt zozeer in de lijn van het gebruikelijke dat het hof geen aanwijzing ziet dat het sepot zou voortvloeien uit een met [betrokkene 2] gesloten "deal". Het tegendeel moet worden afgeleid uit de reeds in het proces-verbaal van de zitting van 3 april 1997 genoemde verklaringen van [betrokkene 2] zelf en van de getuigen [betrokkene 3] en [betrokkene 4] .

Op deze aldus aangevulde gronden wijst het hof het verzoek van de verdediging wederom af.

6.2.1. De eerste klacht in het middel (onder 2.) lees ik aldus, dat het hof gelet op HR NJ 1997, 121 ten onrechte ten aanzien van het in het middel bedoelde ter zitting gedane (nieuwe) verzoek heeft verwezen naar 's hofs eerdere beslissing dienaangaande; het hof had daarop (wederom) een beslissing dienen te geven, aldus het middel.

6.2.2. Voorzover het middel hierover klaagt faalt het. In HR NJ 1997, 121 verwees het hof ter verwerping van een beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie na verwijzing naar een beslissing van het hof vóór verwijzing. Daarmee had het hof na verwijzing dus verzuimd op het verweer te beslissen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting dat tot de besteden einduitspraak heeft geleid. Hiervan is in casu geen sprake, noch daargelaten dat te dezen sprake is van een verzoek als bedoeld in art. 330 Sv dat in het licht van art. 422, eerste lid, Sv een bijzondere positie inneemt3 en dat evenmin een punt behelst waarover het hof ingevolge het stelsel van art. 348 en art. 350 in de bestreden einduitspraak een uitdrukkelijk beslissing dient te geven.

6.3.1. Het middel berust op de tweede plaats op de stelling dat het hof in zijn beslissing van 3 april 1997 in strijd met art. 6 EVRM heeft beslist dat de verdachte geen recht heeft op herhaling van een verhoor bij de rechter-commissaris op de enkele grond dat hij thans een andere raadsman heeft: "Indien het openbaar ministerie de rechtsstrijd de mogelijkheid heeft fouten te herstellen dient aan de verdediging uit het oogpunt van equality of arms dezelfde mogelijkheid geboden te worden."

6.3.2. De stelling in het middel vindt geen steun in het recht, in het bijzonder niet in de in het middel genoemde verdragsbepaling. Dit kan, door het aanbrengen van een kleine toevoeging, in essentie al worden opgemaakt uit HR NJ 1998, 101. Hierin oordeelde de Hoge Raad dat 's hofs afwijzing van het verzoek tot het horen van een reeds in het gerechtelijk vooronderzoek door de rechter- commissaris gehoorde getuige, ook in het licht van art. 6 EVRM, terecht en niet onbegrijpelijk was afgewezen, waaraan niet afdeed de in het middel genoemde omstandigheid dat in appel een andere raadsman optrad dan die welke de verhoren van die getuige "had bijgewoond". De kleine toevoeging die ik thans voorsta houdt in dat de enkele zich in casu voordoende omstandigheid dat verzoeker zich gedurende het gerechtelijk vooronderzoek heeft laten bijstaan door een raadsman van zijn keuze die van de hem geboden gelegenheid om de getuige [betrokkene 2] in Krakau te (doen) ondervragen op generlei wijze heeft gebruik gemaakt, geen nieuw licht werpt op de strekking van de hiervoor weergegeven uitspraak van de Hoge Raad, ook niet in het licht van het in art. 6 EVRM besloten liggende beginsel van "equality of arms".4

Art. 6 verlangt immers ook in evengenoemd opzicht als regel dat de verdachte een adequate gelegenheid krijgt om een getuige te (doen) ondervragen,5 welke gelegenheid hier is geweest. Voorts kan in casu niet gesteld worden - hetgeen terecht ook niet door de steller van het middel wordt gedaan - dat aan de rechten van de verdediging in evenbedoelde fase onherstelbaar afbreuk is gedaan6, of, substantiëler nog, dat verzoeker van zijn recht op verdediging is beroofd.7 Dit alles in aanmerking genomen en - het middel volgende - dit gevoegd bij de door het Europese Hof geëxpliciteerde hoofdregel dat de overheid niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor elke tekortkoming van een toegevoegde of gekozen advocaat8, kom ik tot de slotsom dat het middel ook in zoverre faalt.

6.4.1. De derde klacht in het middel luidt dat het oordeel van het hof dat de brief van 23 juli 1995, waarin [betrokkene 2] al zijn verklaringen intrekt geen aanleiding is het verhoor over te doen, in het licht van HR NJ 1994, 427 "onjuist" is.

6.4.2. Voorzover hierin al een rechtsklacht kan worden gelezen waaraan de Hoge Raad enige beschouwing zou dienen te wijden, volsta ik ermee hier op te merken dat de ingetrokken verklaringen niet de enige bewijsmiddelen zijn waaruit verzoekers betrokkenheid bij het telastegelegde rechtstreeks kan volgen.9

6.5.1. De vierde en laatste klacht van het middel klaagt erover dat 's hofs oordeel dat een sepot van een zaak tegen een verdachte die in het buitenland wegens ernstige feiten gedetineerd is en wiens terugkeer op korte termijn in redelijkheid niet verwacht kan worden "in de lijn van het gebruikelijke ligt", onbegrijpelijk is "aangezien het de verstekprocedure miskent".

6.5.2. Ook deze klacht is ondeugdelijk. In het hiervoor bedoelde oordeel van het hof heeft het hof uitsluitend een aantal overwegingen gewijd aan de door het openbaar ministerie ten aanzien van de getuige [betrokkene 2] genomen sepotbeslissing. Dat zo een verdachte in Nederland ook bij verstek zou kunnen worden veroordeeld doet er niet aan af dat een sepot gebruikelijk is volgens de feitelijke vaststelling van het hof.

6.6. Het vierde middel faalt eveneens.

7. Het vijfde middel klaagt erover dat het hof het verweer dat de door [betrokkene 5] en zijn echtgenote [betrokkene 6] bij de politie afgelegde verklaringen niet voor het bewijs gebruikt mogen worden omdat ze niet in vrijheid zijn afgelegd, heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen.

7.1. In de toelichting op het middel staat de verwerping van het verweer door het hof in het bestreden arrest weergegeven.

7.2.1. Het middel berust ten eerste op de stelling dat 's hofs motivering onbegrijpelijk is "aangezien historische ervaringen in de tijd van de tortuur waar de bekentenis het onmisbare en centrale bewijsmiddel was ons leert dat men onder druk niet zelden juist voor zichzelf belastende verklaringen aflegt".

7.2.2. Het in cassatie bestreden oordeel van het hof is sterk verweven met waarderingen van feitelijke aard die in cassatie niet op hun juistheid kunnen worden getoetst. Overigens acht ik het feitelijke oordeel van het hof, dat het niet waarschijnlijk acht dat [betrokkene 5] een voor zichzelf of [verdachte] een voor haar echtgenoot sterk belastende verklaring lichtvaardig in strijd met de waarheid zou hebben afgelegd, op de daarvoor door het hof aangegeven gronden niet onbegrijpelijk.

7.3.1. Het middel berust tenslotte op de stelling dat de steller van het middel - anders dan het hof - van oordeel is dat het in het vooruitzicht stellen van een spoedige vrijlating door de verhorende politie-ambtenaren een ontoelaatbare vorm van beïnvloeding c.q. druk jegens degene die verhoord wordt oplevert.

7.3.2. Zoals de steller van het middel zelf al aanvoert is deze stelling in strijd met hetgeen (impliciet) kan worden opgemaakt uit hetgeen door de Hoge Raad is overwogen in zijn in NJ 1980, 591 gepubliceerde uitspraak.10 Dat deze uitspraak destijds van een kritische noot is voorzien door de annotator Van Veen, kan hieraan niet afdoen.

Bovendien is in casu niet aangevoerd - zoals in HR NJ 1980, 591 - dat het zou zijn gegaan om het in het vooruitzicht stellen van een spoedige vrijlating door de verhorende politie-ambtenaren na het afleggen van een "bekennende" verklaring door de getuige [betrokkene 5] .11 In dit licht moet mijns inziens ook de overweging van het hof worden beschouwd dat eerst na de in het eerste verhoor door de getuige [betrokkene 5] afgelegde verklaringen zou kunnen zijn gebleken dat diens aandeel in de onderhavige zaak groter (b)leek dan daarvoor door de politie werd vermoed.

Tot slot kan ik niet inzien op welke gronden het - door de steller van het middel niet nader geadstrueerde - beroep op art. 6 EVRM en art. 14 IVBPR in het onderhavige geval doel zou kunnen treffen.12

7.4. Ook het vijfde middel faalt.

8. Het zesde middel klaagt erover dat de door het hof aangehaalde wettelijke bepalingen en 's hofs kwalificatie van de onder 6 - in 1995 gepleegde - bewezenverklaarde overtredingen van de Wet wapens en munitie, gelet op de wijziging van de Wet Wapens en Munitie bij de op 1 januari 1997 in werking getreden Wet (Stb. 1995, 579) ten onrechte geen betrekking hebben op de Wet Wapens en Munitie (oud).

8.1. Het in het middel gestelde is juist. De Hoge Raad zal het bestreden arrest in zoverre kunnen vernietigen en doen wat het hof had behoren te doen.

8.2. Het middel is dus terecht voorgesteld.

9. Nu ik ambtshalve geen gronden tot cassatie heb aangetroffen, strekt deze conclusie ertoe dat de Hoge Raad het bestreden arrest zal vernietigen, doch uitsluitend ten aanzien van:

a.) de door het hof met betrekking tot het bewezenverklaarde onder 6. gegeven kwalificatie en de dienaangaand door het hof aangehaalde artikelen, met verbetering in zoverre door de Hoge Raad, door de kwalificatie en de aangehaalde artikelen ter zake van de Wet Wapens en Munitie telkens te verstaan als de Wet Wapens en Munitie (oud);

b.) de strafoplegging, waarbij de Hoge Raad deze zelf opnieuw zal kunnen bepalen, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

1 Deze zaak hangt samen met gr. nr. 110.463, waarin ik heden eveneens concludeer

2 Ik moge in dit verband verwijzen naar HR 26 januari 1999, nr.109.099, waar tussen de datum van ontvangst der stukken en de dag van eerste behandeling door de Hoge Raad bijna negen maanden waren verstreken. Het betrof 'slechts' een art.30 WAM-zaak. Mijn ambtgenoot mr Jörg wees ambtshalve op het tijdsverloop en concludeerde dat de redelijke termijn was overschreden. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep zonder op het tijdsverloop in te gaan. Ook HR 9 februari 1999, nr.109.130 E lijkt mij in deze richting te wijzen. De Hoge Raad besloot tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in die zaak wegens overschrijding van de redelijke termijn, maar vermeldde het tijdsverloop tussen de ontvangst van de stukken en de dag van eerste behandeling ter terechtzitting van de Hoge Raad (ruim zeven maanden) daarbij niet als een omstandigheid die voor die beslissing redengevend was.

3 Vgl. HR NJ 1951, 558.

4 Zie voorts nog HR NJ 1993, 603, r.o. 5.7 onder (i); HR 4 oktober 1994, NJB 1994, 209, p.530. HR NJ 1993, 274 betrof een andere situatie. In die zaak was immers de voormalige raadsman op de hoogte gesteld van het op handen zijnd verhoor door de rechter- commissaris van een getuige, terwijl de rechter-commissaris bekend was dat die advocaat door een collega was opgevolgd.

5 EHRM 20-11-1989, A 166, NJ 1990, 245 (Kostovski).

6 EHRM 8-2-1996, NJ 1996, 725 (Murray).

7 EHRM 22-9-1994, A 297, NJ 1994, 733 (Lala/Pelladoah).

8 EHRM 24-11-1993, A 275, NJ 1994, 459 m.nt. Kn (Imbroscia).

9 Ik moge verwijzen naar de inhoud van de bewijmiddelen 10, 11 en in verband daarmee bewijsmiddel 9.

10 En met HR NJ 1989,15.

11 HR NJ 1990,122 is met de onderhavige zaak niet te vergelijken omdat in die zaak een verlengde detentie als drukmiddel werd gebruikt om verdachte tot een bekentenis te brengen. Zie ook HR 22 september 1998, NJB 1998,120, p.1693, r.o. 4.2.

12 Vgl. de - veel verderstrekkende - uitspraak van de Hoge Raad, gepubliceerd in NJ 1998, 152 (de zaak omtrent de zogeheten "Zaanse verhoormethode"). Op grond van het oordeel van het hof dat tijdens de verhoren geen grenzen zijn overschreden op een wijze die zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en dat niet was gehandeld in strijd met normen van proportionaliteit en subsidiariteit, gaf 's hofs oordeel dat geen sprake was van een schending van art. 6, tweede lid, EVRM geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, noch was dit onbegrijpelijk.