Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:1999:ZD1744

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
12-10-1999
Datum publicatie
18-04-2013
Zaaknummer
3967
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1999:ZD1744
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 3:86 lid 3 BW. Kan oorspronkelijk gerechtigde beroep doen op art. 3:86 lid 3 BW in geval van verduistering? De onder klager inbeslaggenomen auto behoorde in eigendom toe aan X die aangifte heeft gedaan van verduistering. Onder deze omstandigheden is - gelet op de bescherming die art. 3:86, derde lid, BW slechts ingeval van diefstal biedt aan de eigenaar van een roerende zaak - zondere nadere toelichting, die ontbreekt, niet begrijpelijk dat teruggave van de auto aan klager "wegens het betere recht" van X "niet op het eerste gezicht redelijk en maatschappelijk verantwoord is".

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 116
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 3967 Besch.

Mr Fokkens

Parket, 30 augustus 1999

Conclusie inzake:

[Klager]

Edelhoogachtbaar College,

1. Het cassatieberoep richt zich tegen een beschikking van de rechtbank te Maastricht waarbij het beklag strekkende tot teruggave van een personenauto aan [klager] ongegrond is verklaard.

2. Namens [klager] heeft mr A.E.M. Röttgering, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld. Het tweede middel is inmiddels ingetrokken.

3. Ik schets eerst de zaak aan de hand van de gegevens waar de rechtbank blijkens de beschikking van uit is gegaan.

Autobedrijf X te Heerlen verkoopt een Opel Astra Stationcar met de afspraak dat de aankoopsom vóór een bepaalde datum zal worden betaald. Afgesproken wordt dat de auto op naam van de koper wordt gezet en dat het bedrijf de kopie deel III houdt totdat de aankoopsom is betaald. De koper neemt de auto mee, betaalt niet en verkoopt de auto weer aan een ander. De auto wordt doorverkocht totdat hij bij een ander autobedrijf terechtkomt, waar [klager] (ook een autohandelaar) de auto koopt.

Autobedrijf X heeft inmiddels aangifte van verduistering gedaan, waarna de auto onder [klager] in beslag wordt genomen. Beide partijen willen de auto terug. Voortduring van het beslag is niet meer nodig. Het gaat er nu om wie van beiden een beter recht op de auto heeft. [klager] beroept zich daarbij op art. 3:86 lid 1 BW.

4. De rechtbank oordeelt dat autobedrijf X een beter recht heeft:

"De rechtbank is (...) van oordeel dat -gelet op het bepaalde in artikel 86, derde lid, aanhef en onder a, van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek- niet is gebleken dat beslagene de onderhavige personenauto heeft verkregen op een wijze die hem ten opzichte van de oorspronkelijke eigenaar beschermt.

De rechtbank is van oordeel, dat teruggave aan beslagene wegens het betere recht van een derde, de oorspronkelijke eigenaar (autobedrijf X, JWF) niet op het eerste gezicht redelijk en maatschappelijk verantwoord is.

De rechtbank is voorts van oordeel, dat teruggave van de onderhavige personenauto aan genoemde oorspronkelijke eigenaar op het eerste gezicht redelijk en maatschappelijk niet onverantwoord is en dat derhalve het onderhavige klaagschrift ongegrond dient te worden verklaard."

5. Het middel stelt dat art. 3:86 lid 3 BW niet van toepassing is omdat er geen sprake is van diefstal. Art. 3:86 BW houdt -voorzover thans van belang- in:

1.Ondanks onbevoegdheid van de vervreemder is een overdracht (...) van een roerende zaak (...) geldig, indien de overdracht anders dan om niet geschiedt en de verkrijger te goeder trouw is.

2. (...)

3.Niettemin kan de eigenaar van een roerende zaak, die het bezit daarvan door diefstal heeft verloren, deze gedurende drie jaren, te rekenen van de dag van de diefstal af, als zijn persoonlijk eigendom opeisen, tenzij:

a. de zaak door een natuurlijke persoon die niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf handelde, is verkregen van een vervreemder die van het verhandelen aan het publiek van soortgelijke zaken anders dan veilinghouder zijn bedrijf maakt in een daartoe bestemde bedrijfsruimte, zijnde een gebouw (...) en in de normale uitoefening van dat bedrijf handelde;

b. (...)"

6. De rechtbank heeft vastgesteld dat aangifte is gedaan van verduistering. Gelet op de bovenstaande overweging gaat de rechtbank er kennelijk van uit dat daaruit volgt dat autobedrijf X de auto door diefstal als bedoeld in art. 3:86 lid 3 BW heeft verloren en dat daarom art. 3:86 lid 3 sub a BW van toepassing is. Tegen dat oordeel keert zich het middel.

7. De uitzonderingsbepaling van art. 3:86 lid 3 BW geldt uitsluitend voor diefstal, aldus Asser-Mijnssen-De Haan, Zakenrecht (3-I), dertiende druk, nr. 342, Rank-Berenschot in T&C BW, derde druk, aant. 5a op art. 3:86 en Rechtbank 's-Hertogenbosch NJ 1999, 39. De parlementaire wetsgeschiedenis van art. 3:86 lid 3 BW (Invoering boeken 3, 5 en 6, blz. 1220) wijst ondubbelzinnig in dezelfde richting. Deze uitzondering op de bescherming van de verkrijger te goeder trouw is pas in de laatste fase van de parlementaire behandeling van het nieuwe BW ingevoerd. In de discussie over de vraag in hoeverre de oorspronkelijke eigenaar bij onvrijwillig verlies van een zaak moet worden beschermd, zette de Minister de achtergrond van lid 3 sub a nog eens uiteen. Op de vraag waarom de regeling niet zou gelden voor verloren zaken, antwoordde de Minister:

"Het voorstel de gedepossedeerde het recht van revindicatie te verlenen wordt gedaan om tegemoet te komen aan het bezwaar dat wordt aangevoerd tegen het bij de nota van wijziging van 3 oktober 1983 bij de Invoeringswet gedane voorstel (a); dit bezwaar houdt in dat genoemd voorstel heling in de hand zou werken en een effectieve bestrijding van de handel in gestolen zaken en daarmee van diefstal zou belemmeren doordat de derde-verkrijger te goeder trouw ook bij diefstal wordt beschermd. Het in de brief geformuleerde voorstel om aan deze bezwaren tegemoet te komen door revindicatie door de bestolene weer mogelijk te maken berust dus op de gedachte van misdaadbestrijding. Maar bij verloren zaken ontbreekt het aspect van misdaadbestrijding.

Bovendien ligt het juist bij het verliezen van een zaak -vaak door slordigheid- voor de hand dit aan de gedepossedeerde toe te rekenen. Er is daarom onvoldoende reden aanwezig geacht om ook de verliezer ten koste van de verkrijger te goeder trouw te beschermen."

8. Uit dit alles trek ik de conclusie dat het begrip diefstal vrij strikt moet worden uitgelegd. Ik bedoel daarmee dat andere vormen van verlies van het goed door de oorspronkelijke eigenaar dan de in art. 310 e.v. Sr omschreven diefstal daar vermoedelijk niet onder vallen. Ik wil niet op voorhand uitsluiten dat sommige gevallen van verduistering -bijvoorbeeld bij winkeldiefstallen is er een vloeiende grens tussen diefstal en verduistering, terwijl in beide gevallen de eigenaar zijn goederen kwijt raakt omdat de dader deze wegneemt - en afpersing als diefstal in de zin van art. 3:86 lid 3 BW kunnen worden beschouwd. Maar gevallen van verduistering waarbij de oorspronkelijke eigenaar het goed vrijwillig ter beschikking heeft gesteld van degene die het later zich wederrechtelijk toe-eigende, vallen daar zeker niet onder. Ook dan is er immers onvoldoende reden de verliezer ten koste van de verkrijger te goeder trouw te beschermen.

9. Uitgaande van die uitleg van art. 3:86 lid 3 BW is het oordeel van de rechtbank dat hier sprake is van diefstal in de zin van art. 3:86 lid 3 BW, niet naar behoren gemotiveerd. Uit de onder 3 vermelde gegevens lijkt namelijk op het eerste gezicht te volgen dat de eigendom van de auto van autobedrijf X is overgegaan op de koper. Art. 3:84 BW geeft aan wat er nodig is voor overdracht van eigendom: namelijk een levering krachtens geldige titel verricht door een beschikkingsbevoegde.

Aan deze drie voorwaarden is blijkens de gegevens waar de rechtbank van uit is gegaan voldaan: autobedrijf X was beschikkingsbevoegd, er was een geldige titel (de auto is verkocht) en er heeft een levering in de zin van art. 3:90 BW plaats gevonden (de auto is op naam van de koper gezet en aan de koper meegegeven). Niet blijkt dat is aangevoerd dat een eigendomsvoorbehoud is gemaakt. (Het enkele achterhouden van kopie deel III tot de koopprijs kan niet zonder meer tot die conclusie leiden, omdat de auto op naam van de koper is gezet.

Een telefoontje naar de Rijksdienst voor het Wegverkeer te Veendam leerde dat degene op wiens naam de auto staat, heel gemakkelijk een nieuw kentekenbewijs kan krijgen en daarmee dus ook een nieuw kopie deel III, hetgeen precies is wat de koper blijkens de achter de papieren muur liggende stukken in deze zaak heeft gedaan.) De omstandigheid dat de koper niet heeft betaald, is op zich ook niet voldoende om te concluderen dat de auto niet is overgedragen. Uit de uitspraak valt dus niet op te maken waarom de koper geen eigenaar van de auto zou zijn geworden, zodat niet duidelijk is of van verduistering -iemand eigent zich andermans goed dat hij anders dan door misdrijf onder zich heeft wederrechtelijk toe- laat staan van een verduistering die als diefstal in de zin van lid 3 van art. 3:86 BW zou kunnen worden opgevat, sprake is. (Wel zou er sprake kunnen zijn van oplichting, maar dat terzijde.) Nu een nadere motivering ontbreekt kan de bestreden beschikking niet in stand blijven. Het middel is gegrond.

Ik concludeer dat de bestreden uitspraak zal worden vernietigd met verwijzing van de zaak naar het gerechtshof te 's-Hertogenbosch, teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,