Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:1999:AA4007

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
24-12-1999
Datum publicatie
13-08-2001
Zaaknummer
C98/128HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1999:AA4007
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 48
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 177
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 332
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 1999, 287
NJ 2000, 428 met annotatie van H.J. Snijders
RvdW 2000, 11
VR 2000, 57
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zitting 3 september 1999 Conclusie inzake

MAATSCHAPPIJ VOOR ZORG-

VERZEKERING GOUDA N.V.

tegen

[fietser 1]

Edelhoogachtbaar College,

1. Feiten en procesverloop

1.1 Het gaat in deze zaak om een aanrijding tussen twee fietsers. In cassatie wordt erover geklaagd dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de verdeling van de bewijslast en het bewijsrisico. Voorts wordt geklaagd over de wijze waarop het hof het bewijs heeft gewaardeerd.

1.2 Aanleiding tot deze zaak is het volgende. Op 22 juli 1991 heeft zich op het fietspad langs het Stationsplein te Leiden, op het gedeelte tussen de (rotonde) Morssingel en de Stationsweg, een ongeval voorgedaan. Bij dit ongeval waren betrokken verweerster in cassatie ([fietser 1]) en [fietser 2]. Beiden zaten toen op de fiets.

1.3 Omtrent de toedracht van dit ongeval lopen de lezingen uiteen. Vast staat wel dat [fietser 2] voorafgaand aan het ongeval op zijn racefiets vanaf de Morssingel in de richting van de Stationsweg reed en dat [fietser 1], evenals drie andere fietsers1, in tegenovergestelde richting over het fietspad heeft gereden. Dusdoende beging [fietser 1] een verkeersovertreding omdat dit fietspad alleen was opengesteld voor fietsverkeer in de richting waarin [fietser 2] reed. Naar [fietser 1] onweersproken bij conclusie van antwoord na enquête heeft gesteld was de plaatselijke verkeerssituatie echter zodanig, dat de fietsers die in de richting reden waarin zij op het moment van het ongeval ging, in de praktijk altijd de rijstrook gebruikten die zij toen bereed. [fietser 2], die vlakbij de plaats van het ongeval woonde, was daar zeer goed bekend. [fietser 1], die in Duitsland woont, was ter plaatse niet bekend.

Na het ongeval is de politie ter plaatse is geweest en heeft gesproken met [fietser 1], die de Nederlandse taal niet machtig is. Blijkens het door de agente Frijlink op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van verhoor2 zou [fietser 1] o.m. het volgende hebben verklaard:

A(Y) Ik reed aan de linkerzijde van de rijbaan tegen het verkeer in (Y). Ter hoogte van (de) rotonde kwam met hoge snelheid een man op een racefiets mij tegemoet rijden. Ik probeerde de man te ontwijken, doch ik schrok zo dat ik niet goed reageerde. Hierdoor ontstond een aanrijding. Ik denk dat ik schuldig ben aan de aanrijding, omdat ik aan de linkerzijde van de rijbaan reed.@

1.4 [Fietser 2] heeft door dit ongeval een kaakfractuur opgelopen, waarvoor hij is opgenomen in het ziekenhuis. Op grond van een met hem gesloten ziektekostenverzekering heeft eiseres tot cassatie (Gouda) een bedrag van f 6.843, 20 aan geneeskundige behandelingskosten voldaan. Ingevolge art. 284 K is Gouda tot dit bedrag gesubrogeerd in de rechten die [fietser 2] terzake de door hem geleden schade jegens derden mocht hebben.

1.5 Tegen deze achtergrond heeft Gouda de in Duitsland woonachtige [fietser 1] op 1 oktober 1993 gedagvaard voor de rechtbank Den Haag. Zij heeft veroordeling van [fietser 1] gevorderd tot betaling van voornoemd bedrag van f 6.843,20, te vermeerderen met buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente.

Met een beroep op het genoemde proces-verbaal heeft Gouda aan deze vordering ten grondslag gelegd dat [fietser 1] jegens [fietser 2] een onrechtmatige daad heeft gepleegd. [fietser 1] is immers tegen het ter plaatse geldende éénrichtingsverkeer ingereden en heeft voorts onvoldoende rechts gehouden. Bovendien heeft zij niet adequaat gereageerd op de haar tegemoetkomende [fietser 2] in die zin dat haar stuur is dubbelgeklapt, waardoor zij hem de weg heeft versperd. Een aanrijding met [fietser 2] was hierdoor niet meer te vermijden, aldus Gouda.

1.6 [Fietser 1] is niet op de dagvaarding verschenen, waarna de rechtbank de vordering van Gouda op 22 februari 1994 bij verstek heeft toegewezen. Nadat zij daarmee bekend was geworden, is [fietser 1] tegen het verstekvonnis in verzet gegaan en heeft zij de vordering van Gouda alsnog bestreden.

Daartoe heeft [fietser 1] gesteld dat zij tezamen met haar Duitse metgezel [H.] vanaf het VVV-kantoor aan het Stationsplein3 achter een Nederlands echtpaar aan is gefietst in de richting van de daar aanwezige rotonde. Ter hoogte van de busoversteekplaats zijn zij alle vier aan de voor hen rechterzijde van het fietspad gestopt met de bedoeling het Stationsplein over te steken. Toen de vier fietsers achter elkaar stilstonden B [fietser 1] als derde in de rij B , kwam [fietser 2] hen vanaf de rotonde met veel te hoge snelheid tegemoet. In de bocht, die vrij en overzichtelijk was, heeft hij de trottoirrand geraakt. [fietser 2] heeft daarop de macht over het stuur verloren en is ten val is gekomen. (De racefiets van) [fietser 2] heeft haar in die val geraakt.

Volgens [fietser 1] is er derhalve geen sprake van geweest dat zij het ongeval (door onrechtmatig handelen) heeft veroorzaakt. Zij is daarvan slechts getuige geweest. Het door de politie opgemaakte proces-verbaal luidt weliswaar anders, maar de inhoud daarvan is niet juist. De daarin opgenomen, beweerdelijk van haar afkomstige, verklaring is niet door haar afgelegd. Deze verklaring is zonder bijstand van een tolk opgesteld door de agente Frijlink die geen Duits sprak. [fietser 1] heeft haar niet ondertekend.

1.7 Na voortgezet debat heeft de rechtbank in haar tussenvonnis van 3 mei 1995 overwogen de stelling van [fietser 1] dat zij de in het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal opgenomen verklaring niet heeft afgelegd, danwel dat de verbalisant haar niet goed heeft begrepen, vooralsnog onaannemelijk te achten. Daarom achtte de rechtbank het vermoeden gerechtvaardigd dat het ongeval is veroorzaakt door [fietser 1], behoudens bewijs van het tegendeel (rov. 5). Zij heeft [fietser 1] mitsdien toegelaten te bewijzen dat het ongeval is veroorzaakt door eigen toedoen van [fietser 2] dan wel door één of meer anderen dan [fietser 1].

1.8 Ter voldoening aan deze bewijsopdracht heeft [fietser 1] drie getuigen voorgebracht, waaronder zichzelf. In contra-enquête heeft Gouda twee getuigen doen horen, onder wie [fietser 2]. Nadat partijen zich over het bijgebrachte bewijs hadden uitgelaten, heeft de rechtbank in haar eindvonnis van 2 oktober 1996 geoordeeld dat [fietser 1] niet is geslaagd in het door haar te leveren bewijs en de vordering van Gouda daarom toegewezen.

1.9 [fietser 1] heeft (alleen) tegen dit eindvonnis hoger beroep ingesteld bij het hof te Den Haag. Voorzover in cassatie van belang heeft [fietser 1] dit vonnis bestreden met onder meer de grief dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat zij niet is geslaagd in de haar opgedragen bewijslevering. Gouda heeft in hoger beroep verweer gevoerd.

1.10 Na memoriewisseling en pleidooi heeft het hof in zijn arrest van 31 december 1997 voornoemde grief gegrond bevonden. Op grond van de getuigenverklaringen achtte het hof voldoende aangetoond dat het ontstaan van het ongeval te wijten is geweest aan het verkeersgedrag van [fietser 2], waaraan niet afdoet dat [fietser 1] in de voor haar verboden rijrichting reed (rov. 4). Met vernietiging van de vonnissen van 22 februari 1994 en 2 oktober 1996, heeft het hof de vordering van Gouda daarom alsnog afgewezen.

1.11 Tegen dit arrest heeft Gouda tijdig4 beroep in cassatie ingesteld. Zij heeft drie middelen van cassatie voorgesteld. [fietser 1] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Beide partijen hebben hun standpunt vervolgens schriftelijk doen toelichten. [fietser 1] heeft nog gedupliceerd.

2. Bespreking van de middelen

2.1 Middel I bestrijdt de in deze zaak door de rechtbank en het hof gehanteerde verdeling van de bewijslast en het bewijsrisico. Het middel valt uiteen in drie onderdelen, waarin de volgende klachten worden voorgedragen.

2.2 Onderdeel 1 klaagt erover dat het hof in de rov. 3 en 4 is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het geen toepassing heeft gegeven aan de door de Hoge Raad m.b.t. verkeersongevallen ontwikkelde regel dat indien een verkeersregel of Bnorm wordt overtreden en daardoor het gevaar voor een ongeval in het algemeen wordt verhoogd, het causaal verband tussen de overtreding en het ongeval in beginsel is gegeven5 Het is dan aan de overtreder van die norm te stellen en te bewijzen dat het ongeval ook zonder die overtreding zou zijn ontstaan. Waar het hof heeft vastgesteld dat [fietser 1] in de verboden richting reed was er, al dan niet op grond van art. 48 Rv, voor de toepassing van deze regel alle aanleiding.

De klacht in onderdeel 2 wordt voorgedragen voor het geval het hof in de rov. 3 en 4 wel van deze regel is uitgegaan, maar impliciet heeft geoordeeld dat niet vaststaat dat de overtreding van [fietser 1] onrechtmatig was jegens [fietser 2]. In dat geval wordt het hof verweten dit niet (verder) te hebben onderzocht. Voorzover het hof dit niet reeds op grond van de gedingstukken (ambtshalve) kon vaststellen, had het partijen onder verwijzing naar voornoemde regel in de gelegenheid moeten stellen zich daarover uit te laten.

Onderdeel 3 ten slotte bouwt voort op de onderdelen 1 en 2. Zelfstandige betekenis heeft de daarin opgeworpen motiveringsklacht dat het hof, voorzover het is uitgegaan van de in onderdeel 1 genoemde regel van bewijslastverdeling en de in onderdeel 2 bedoelde (relativiteit van de) onrechtmatigheid, zijn gedachtegang in de rov. 3 en 4 onvoldoende duidelijk heeft gemaakt.

2.3 Het middel is naar mijn mening op zichzelf terecht voorgedragen, maar kan op processuele gronden niet slagen. De kern van de daardoor naar voren gebrachte klachten is immers dat het hof ten onrechte niet [fietser 1], die een norm heeft geschonden welke ertoe strekt de verkeersveiligheid te verhogen, heeft belast met het bewijs dat het aan [fietser 2] overkomen ongeval ook zou zijn voorgevallen als zij die norm niet had geschonden. Het middel stelt terecht dat deze bewijsopdracht niet alleen anders en zwaarder is dan het daadwerkelijk aan [fietser 1] opgedragen bewijs, maar dat bij een juiste bewijsopdracht het bewijsrisico bovendien niet bij Gouda zou zijn gebleven, maar op [fietser 1] zou hebben gedrukt.

2.4 Deze klacht is evenwel in wezen gericht tegen de bewijsopdracht die de rechtbank in haar tussenvonnis van 3 mei 1995 aan [fietser 1] heeft gegeven (hoe die ook moet worden opgevat). Noch [fietser 1], noch Gouda heeft echter geappelleerd tegen dat tussenvonnis. Binnen het door de grieven ontsloten gebied kon de in onderdeel 1 van het middel aangehaalde regel daarom niet (meer) aan de orde komen6. Het hof was aan de in het tussenvonnis gegeven bewijsopdracht gebonden en had nog slechts tot taak dat vonnis te interpreteren en te beoordelen of [fietser 1] in het aan haar opgedragen tegenbewijs was geslaagd. Als het hof, zoals Gouda thans in cassatie bepleit, een stap verder was gegaan en mede de inhoud van de bewijsopdracht en de daaraan ten grondslag liggende rechtsopvatting in zijn beoordeling had betrokken, zou het, in plaats van art. 48 Rv op juiste wijze toe te passen, de grenzen van de - door het beperkte appèl versmalde - rechtsstrijd hebben overschreden. Dit werkt in die zin door in cassatie, dat ook de door middel naar voren gebrachte klachten buiten de processuele orde zijn.

2.5 Middel I kan derhalve niet tot cassatie leiden.

2.6 Voordat ik nu de middelen II en III bespreek, merk ik op dat men van mening kan verschillen over de juiste uitleg van de door de rechtbank in haar tussenvonnis aan [fietser 1] gegeven bewijsopdracht. Letterlijk genomen (enge uitleg) is aan [fietser 1] opgedragen tegenbewijs te leveren tegen het door de rechtbank voorshands veronderstellenderwijs aangenomen causaal verband tussen haar handelwijze en het aan [fietser 2] overkomen verkeersongeluk. De rechtbank reageerde met die bewijsopdracht echter op het verweer van [fietser 1], dat zij part noch deel heeft gehad aan het ongeluk, maar daarvan slechts getuige was. Aldus betwistte [fietser 1] zowel de onrechtmatigheid van haar handelen tegenover [fietser 2] als het causaal verband met het aan hem overkomen ongeluk: volgens haar is [fietser 2] door eigen toedoen en dus onafhankelijk van de aanwezigheid van de vier fietsers ter plaatse, ten val gekomen. Zou deze lezing juist zijn, dan is door [fietser 1] gemaakte verkeersfout niet ter zake dienend. De rechtbank, die deze versie van de gebeurtenissen verwierp, heeft zo bezien vooralsnog bewezen geacht dat [fietser 1] tegenover [fietser 2] een onrechtmatige daad heeft gepleegd, die haar tot schadevergoeding verplicht (een Afout@). In deze interpetatie (ruime uitleg) mocht [fietser 1] tegenbewijs leveren tegen alle elementen die in art. 6:162 BW zijn opgesloten.

Noch in hoger beroep, noch in cassatie is door een van beide partijen aandacht aan deze kwestie besteed. Als ik het goed zie is het cassatieberoep zonder meer op de eerstgenoemde - letterlijke - lezing van het tussenvonnis gebaseerd. Het bestreden arrest kiest m.i. evenwel de laatstgenoemde interpretatie daarvan tot uitgangspunt7. Deze divergentie tussen het bestreden arrest en het daartegen gerichte cassatieberoep, zal blijken door te werken in de beoordeling van de middelen II en III.

2.7 Deze middelen richten zich tegen de gronden waarop het hof in de rov. 3 en 4 heeft geoordeeld dat [fietser 1] het van haar verlangde tegenbewijs heeft geleverd in die zin, dat het voldoende aangetoond acht dat het (ontstaan van het) ongeval is te wijten aan het verkeersgedrag van [fietser 2]. Deze gronden zijn - samengevat weergegeven - de volgende.

(a) Uit de getuigenverklaringen van [H.], [fietser 1] en [fietser 2] kan worden afgeleid dat [fietser 2], toen hij uit de flauwe bocht van het fietspad kwam, een viertal fietsers zag en vervolgens, nog voordat het ongeval plaatsvond, is gaan slingeren.

(b) Op grond van de verklaringen van [fietser 1] en [H.] is voldoende aannemelijk geworden dat [fietser 2] met hoge snelheid reed en dat hij voldoende ruimte had om langs [fietser 1] te rijden.

(c) Bovendien heeft [fietser 2] (bedoeld zal zijn: Gouda) onvoldoende gemotiveerd bestreden dat vrijwel alle fietsers ter plaatse tegen het verkeer inreden en dat [fietser 2] zelf heeft gesteld dat hij ter plaatse goed bekend was.

2.8 Het middel brengt hiertegen in de kern in dat het hof mede heeft vastgesteld dat [fietser 1] een de verkeersveiligheid bevorderende norm heeft geschonden door in de verboden richting te fietsen. Daarom is het onbegrijpelijk dat hof niet heeft geoordeeld dat (het verkeersgedrag van) [fietser 1] mede heeft bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval.

2.9 Bij de beoordeling van deze klacht speelt het onder 2.6 van deze conclusie geschetste interpretatieprobleem een rol. Element (c) uit de motivering van het hof doet immers vermoeden dat dit college het in hoger beroep niet bestreden tussenvonnis van de rechtbank ruim heeft uitgelegd in die zin, dat [fietser 1] tegenbewijs mocht leveren tegen alle voorwaarden die in art. 6:162 BW zijn opgesloten. Dit element (c) kan immers aldus worden uitgelegd, dat het hof de door [fietser 1] gemaakte verkeersfout (in de verboden rijrichting fietsen) niet onrechtmatig heeft geacht tegenover [fietser 2], die immers ter plaatse goed bekend was en dus moest weten dat vrijwel alle fietsers ter plaatse tegen de aangegeven rijrichting inreden.

Volgt men deze uitleg, dan is het door het middel bestreden oordeel van het hof geenszins onbegrijpelijk.

2.10 Maar ook als aangenomen moet worden dat het hof de bewijsopdracht van de rechtbank letterlijk heeft uitgelegd, kan het middel geen doel treffen. Met de elementen (a) en (b) van zijn motivering heeft het hof dan immers kennelijk willen aangeven dat de verkeersfout van [fietser 1] geen condicio sine qua non is geweest voor het aan [fietser 2] overkomen ongeval. Als wordt aangenomen (waarover nader onder 2.11) dat hof tevens heeft geoordeeld dat de reden waarom [fietser 2] is gaan slingeren, geen verband hield met het feit dat hij vier fietsers op de andere rijstrook zag (maar uitsluitend lag in het feit dat hij, te hard rijdend, met zijn achterwiel de trottoirband heeft geraakt), is ook dit oordeel niet onbegrijpelijk.

2.11 Het middel mist feitelijke grondslag voorzover het tevens betoogt dat beide partijen hebben gesteld dat [fietser 2] is geschrokken van de aanwezigheid van de fietsers en daardoor is gaan slingeren. [fietser 1] heeft immers consequent juist het tegendeel gesteld en is daarvan ook tijdens de getuigenverhoren niet afgeweken. Op blz. 3 van de MvG staat weliswaar iets anders, maar dit betreft een weergave van wat [fietser 2] in het ziekenhuis tegen [fietser 1] zou hebben gezegd. [fietser 1] heeft deze verklaring slechts onderschreven voor zover daarmee haar lezing wordt bevestigd.

Ook [fietser 2] heeft tijdens het getuigenverhoor trouwens niet verklaard dat hij is geschrokken van de aanwezigheid van [fietser 1]. Hij heeft wél verklaard dat hij denkt dat [fietser 1] is geschrokken, waardoor het stuur van haar fiets dubbelklapte en zij het fietspad blokkeerde. Gouda heeft in de feitelijke instanties steeds aan deze lezing vastgehouden. Op de door het middel aangehaalde plaatsen van haar pleitnota heeft zij slechts (in subsidiaire zin) de mogelijkheid geopperd dat [fietser 2] is geschrokken van de aanwezigheid van de fietsers àls moet worden aangenomen dat [fietser 2] al voor het ongeval is gaan slingeren. Dàt [fietser 2] voor het ongeval is gaan slingeren, heeft Gouda echter steeds ontkend.

2.12 Ook middel II is mitsdien vergeefs voorgedragen.

2.13 Middel III klaagt erover dat het oordeel van het hof rechtens onjuist is, omdat het hof in zijn beoordeling juridische elementen heeft betrokken die bij de vaststelling van de feitelijke gang van zaken niet relevant zijn. Met deze ingewikkelde formulering wordt bedoeld dat het hof slechts had beoordelen of [fietser 1] erin is geslaagd tegenbewijs te leveren tegen het door de rechtbank vooralsnog aangenomen causaal verband tussen haar handelwijze en het aan [fietser 2] overkomen ongeval. De omstandigheden dat [fietser 2] (te) hard reed en dat het fietsverkeer zich in de praktijk ter plaatse anders bewoog dan was toegestaan, hetgeen [fietser 2] wist of althans behoorde te weten, zijn in dit verband niet van belang. Zij kunnen mogelijk wel tot het oordeel leiden dat [fietser 2] zelf schuld had aan zijn schade in de zin van art. 6:101 BW, maar dat is een vraag die de omvang van de aansprakelijkheid betreft en niet de vestiging daarvan.

2.14 Als het goed zie loopt ook deze klacht vast op de onder 2.6 van deze conclusie aangestipte kwestie. Het hof, dat het door de rechtbank gewezen tussenvonnis kennelijk en niet onbegrijpelijk ruim heeft uitgelegd, heeft - zoals gezegd - de hoge snelheid van [fietser 2] blijkbaar mede ten grondslag gelegd aan zijn oordeel, dat de door [fietser 1] gemaakte verkeersfout geen condicio sine qua non is geweest voor de door [fietser 2] geleden schade. De plaatselijke bekendheid van [fietser 2] kan, zoals opgemerkt, aldus worden opgevat, dan het hof op grond daarvan heeft geoordeeld dat aan het relativiteitsvereiste niet is voldaan.

2.15 In deze uitleg faalt ook middel III omdat het op een verkeerde lezing van het bestreden arrest is gebaseerd en mitsdien feitelijke grondslag mist.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep, met veroordeling van Gouda in de kosten van het geding in cassatie.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

1 [fietser 1] en [fietser 2] hebben hieromtrent tijdens de getuigenverhoren gelijkluidend verklaard; zie de processen verbaal van de getuigenverhoren van 9 oktober 1995 en 20 november 1995.

2 Prod. bij CvA in oppositie.

3 Een situatieschets is gehecht aan het p.v. van getuigenverhoor van 9 oktober 1995.

4 De cassatiedagvaarding is uitgebracht op 31 maart. 1998.

5 HR 16 november 1990, NJ 1991, 55 en HR 21 oktober 1994, NJ 1995, 95.

6 Snijders/Wendels, Civiel appèl, 1992, blz. 85 B 89.

7 Zie hierna onder 2.9.