Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:1999:AA3875

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
17-12-1999
Datum publicatie
13-08-2001
Zaaknummer
C98/078HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1999:AA3875
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen 1
Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen 2
Wet op de rechterlijke organisatie 54
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 157a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 1999, 246
NJ 2000, 427 met annotatie van H.J. Snijders
RvdW 2000, 4
VR 2000, 56
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnummer C98/078 mr De Vries Lentsch - Kostense

Zitting 1 oktober 1999 Conclusie inzake

1. Mega Staalbouw B.V.

2. mr L. Hartogs in zijn

hoedanigheid van curator in

het faillissement van Mega

Staalbouw B.V.

3. de stichting Waarborg-

fonds Motorverkeer

tegen

Klaverblad Verzekerings-

maatschappij N.V.

Edelhoogachtbaar College,

Inleiding

1. Op 6 november 1991 is [slachtoffer], werknemer van

thans eiseres tot cassatie sub 1, verder: Mega Staalbouw,

slachtoffer geworden van een ongeval dat op het bedrijfs-

terrein van Mega Staalbouw plaatsvond. [Slachtoffer] werd

getroffen door stalen balken die van een aanhangwagen af-

vielen nadat deze reeds was losgekoppeld van de vorkhef-

truck die de aanhangwagen voorttrok om de daarop geladen

balken naar hun plaats van bestemming te brengen.

[Slachtoffer], die samen met een collega het vervoer van

die balken verzorgde, heeft daarbij ernstig, blijvend

letsel opgelopen.

De Kantonrechter heeft bij inmiddels onherroepelijk ge-

worden vonnis van 9 december 1993 voor recht verklaard dat Me-

ga Staalbouw uit hoofde van art. 7A:1638x (oud) BW aanspra-

kelijk is voor de door [slachtoffer] als gevolg van het ong-

eval geleden en nog te lijden schade. In het door [slachtof-

fer] bij de Kantonrechter geëntameerde geding heeft Mega

Staalbouw haar verzekeraar, thans verweerster in cassatie,

verder: Klaverblad, in vrijwaring opgeroepen. In het vrijwa-

ringsgeding wordt thans cassatieberoep ingesteld; thans eiser

tot cassatie sub 2, de curator in het inmiddels uitgesproken

faillissement van Mega Staalbouw, is in appel door Klaverblad

in rechte betrokken, terwijl thans eiser tot cassatie sub 3,

verder: het Waarborgfonds, zich in appel aan de zijde van Mega

Staalbouw en de curator heeft gevoegd nadat [slachtoffer] het

Waarborgfonds had aangesproken omdat voor de onderhavige vork-

heftruck geen verzekering als bedoeld in de WAM was afge-

sloten.

2. Inzet van het onderhavige vrijwaringsgeding is de vraag

of de aansprakelijkheid van Mega Staalbouw voor het aan

[slachtoffer] overkomen ongeval valt onder de dekking van de

door Mega Staalbouw met Klaverblad gesloten aansprakelijk-

heidsverzekering voor bedrijven (AVB). Deze AVB sluit de aan-

sprakelijkheid voor motorrijtuigen zoals geregeld in de Wet

Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen (verder: de WAM)

uit. Daarmee gaat het in dit vrijwaringsgeding om de vraag of

de aansprakelijkheid van Mega Staalbouw voor het aan [slacht-

offer] overkomen ongeval een aansprakelijkheid is waarop de

WAM ziet, dat wil zeggen om de vraag of de aan [slachtoffer]

toegebrachte schade in de zin van de WAM is veroorzaakt door

een motorrijtuig in het verkeer. Anders dan in de Gemeenschap-

pelijke Bepalingen behorende bij de Benelux-Overeenkomst be-

treffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake

motorrijtuigen (Verdrag van 24 mei 1966, Trb. 1966, 178) is

ingevolge art. 1 WAM onder een motorrijtuig begrepen niet al-

leen de aan een motorrijtuig gekoppelde aanhangwagen doch ook

de aanhangwagen die reeds is losgekoppeld doch nog niet veilig

buiten het verkeer tot stilstand is gebracht. De rechtsstrijd

concentreert zich met name op de vraag of de van de vorkhef-

truck (een motorrijtuig) losgekoppelde aanhangwagen reeds vei-

lig buiten het verkeer tot stilstand was gebracht toen het on-

geval plaatsvond en of in casu wel sprake was van "verkeersri-

sico" als bedoeld in de WAM gegeven de omstandigheid dat het

ging om schade op een bedrijfsterrein toegebracht door lading

van een reeds losgekoppelde aanhangwagen. Omdat in genoemde

Gemeenschappelijke Bepalingen niet is voorzien in de aanspra-

kelijkheid voor "losgekoppelde aanhangwagens" rijzen in zover-

re dan ook geen vragen van uniforme uitleg.

3. Het eerste cassatiemiddel komt op tegen het oordeel van

de Rechtbank dat de aansprakelijkheid van Mega Staalbouw valt

onder de aansprakelijkheid waarop de WAM ziet en derhalve niet

onder de dekking van de met Klaverblad gesloten verzekering.

Het tweede middel dat gezien de schriftelijke toelichting

als "subsidiair" moet worden beschouwd, klaagt dat de Recht-

bank zich als appelrechter in het vrijwaringsgeding ambtshalve

onbevoegd had moeten verklaren en dat de zaak thans alsnog op

de voet van art. 157a Rv. naar het Hof moet worden verwezen

indien Uw Raad het eerste middel niet gegrond acht.

Voordat ik het middel bespreek ga ik in op de toedracht

van het litigieuze ongeval en geef ik een kort overzicht van

het verloop van het geding.

De vaststaande feiten.

4. De Rechtbank heeft omtrent de toedracht van het ongeval

het volgende vastgesteld:

i) [Slachtoffer] was destijds op 6 november 1991 als tweede

chef werkplaats in dienst bij Mega Staalbouw. Hij moest een

zestal stalen balken van 14 meter lang en 10 centimeter breed

uit een productieloods van Mega Staalbouw naar het daar buiten

gelegen bedrijfsterrein vervoeren.

ii) [Slachtoffer] maakte ten behoeve van dit transport - zo-

als dit in het verleden vaker voorkwam - gebruik van een hand-

kar/aanhangwagen (verder te noemen: kar) met een lengte van

circa 5 meter, uitschuifbaar tot 8 meter; het laadvlak van de-

ze kar was circa 20 à 30 centimeter breder dan de wielbasis

van de kar. Indien met de kar een draaiing of bocht werd ge-

maakt, bestond de kans dat de wagen omsloeg/kantelde.

iii) [Slachtoffer] heeft de balken op de kar geladen en de kar

vervolgens - zoals dit in het verleden ook vaker gebeurde -

gekoppeld aan een vorkheftruck teneinde de balken naar de

plaats van bestemming te brengen.

iv) Om de loods te verlaten diende tijdens het transport in

de loods een bocht te worden gemaakt; wegens ruimtegebrek

diende deze manoeuvre in verschillende etappes te worden uit-

gevoerd. Tijdens het uitvoeren van de hiervoor bedoelde ma-

noeuvre werd [slachtoffer] geassisteerd door een andere mede-

werker van Mega Staalbouw, een zekere [een collega].

v) Omdat het maken van de bocht met de combinatie vorkhef-

truck en kar slechts met moeite kon worden uitgevoerd is de

vorkheftruck losgekoppeld en is deze buiten op het bedrijf-

sterrein gestald, nadat [een collega] de balken op de kar met

behulp van de vorkheftruck had verlegd. [Slachtoffer] en [een

collega] hebben daarop de kar met de stalen balken met hand-

kracht verder geduwd, waarbij de balken wederom verschoven.

[een collega] heeft vervolgens getracht de balken te herschik-

ken, bij gelegenheid waarvan de kar omviel en [slachtoffer]

werd getroffen door een of meer vallende balken. Daarbij heeft

[slachtoffer] ernstig blijvend letsel opgelopen aan zijn hiel,

enkel en voet.

5. Art. 3 van de algemene voorwaarden van de AVB die tussen

Mega Staalbouw en de door Mega Staalbouw in vrijwaring opge-

roepen Klaverblad gold ten tijde van het ongeval, luidt -

voorzover van belang - als volgt:

"Uitgesloten is de aansprakelijkheid:

(...)

2. voor schade veroorzaakt met of door (lucht)vaartuigen, mo-

torrijtuigen en hun lading; deze uitsluiting geldt echter niet

ten aanzien van de aansprakelijkheid (mits niet elders ge-

dekt):

(...)

c.van de verzekerde voor schade door goederen die worden

geladen in resp. gelost uit (lucht)vaartuig of motorrij-

tuig:

3. voor schade veroorzaakt met of door aanhangwagens e.d., die

gekoppeld zijn aan een motorrijtuig of na daarvan te zijn

losgemaakt of -geraakt nog niet buiten het verkeer tot

stilstand zijn gekomen;

(...)."

6. Tevens staat vast, als in cassatie onbestreden:

i) Op generlei wijze is gebleken of gemotiveerd gesteld dat

sprake is geweest van een ongeval dat plaatsvond tijdens het

laden of lossen van de stalen balken (rechtsoverweging 5.2).

ii) De onderhavige vorkheftruck moet als motorrijtuig moet

worden aangemerkt. Met dat motorrijtuig en de daaraan gekop-

pelde kar werd op het bedrijfsterrein van Mega Staalbouw aan

het verkeer deelgenomen in de zin van art. 2 lid 1 WAM

(rechtsoverweging 5.3).

iii)De uitsluitingsclausule van Klaverblad dient in de zin van

de WAM te worden verstaan (rechtsoverweging 5.6).

Het geding in eerste aanleg en in hoger beroep.

7. In het onderhavige vrijwaringsgeding heeft de Kantonrech-

ter geoordeeld dat de kar op het moment waarop het ongeval

plaatsvond geen deel meer uitmaakte van het verkeer in de zin

van art. 1 WAM omdat de kar buiten het verkeer veilig tot

stilstand was gekomen; hij is dan ook tot de slotsom gekomen

dat het onderhavige ongeval niet valt onder de uitzonderings-

bepalingen van art. 3 lid 2 en 3 van de AVB en dat Klaverblad

derhalve jegens Mega Staalbouw uit hoofde van de AVB gehouden

is tot vergoeding van de voor rekening van Mega Staalbouw ko-

mende schade door [slachtoffer] ten gevolge van het litigieuze

ongeval geleden.

8. De Rechtbank heeft daarentegen geoordeeld dat de aanspra-

kelijkheid van Mega Staalbouw jegens [slachtoffer] een aan-

sprakelijkheid is waarop de WAM ziet zodat deze aansprakelijk-

heid niet valt onder de dekking van de met Klaverblad gesloten

AVB; zij vernietigde het vonnis van de Kantonrechter en wees

de vorderingen van Mega Staalbouw jegens Klaverblad alsnog af.

Haar door het eerste cassatiemiddel bestreden overwegingen

luiden als volgt:

"5.4 Krachtens art. 1 WAM en de daarop ontwikkelde jurispru-

dentie maakt een aanhangwagen na ontkoppeling geen deel meer

uit van een motorrijtuig, indien de aanhangwagen veilig buiten

het verkeer tot stilstand is gekomen.

De onderhavige kar, die feitelijk als aanhangwagen in de zin

van de WAM in gebruik is geweest tijdens het transport van de

stalen balken, dient als aanhangwagen te worden aangemerkt ook

nadat deze kar was ontkoppeld van de vorkheftruck, aangezien

deze kar na afkoppeling van de vorkheftruck niet buiten het

verkeer tot stilstand was gekomen.

De navolgende feiten en omstandigheden zijn daartoe reden ge-

vend.

De kar diende als aanhangwagen om de stalen balken van een

plaats in de productieloods te vervoeren naar een opslagplaats

op het bedrijfsterrein.

Tijdens het vervoer door de productieloods van deze 14 meter

lange stalen balken op de kar, waarbij de vorkheftruck als

trekkend motorrijtuig dienst deed, vormde een bocht in de weg,

waarlangs dit vervoer plaatshad, een zodanig obstakel dat de

vorkheftruck werd afgekoppeld en de kar met de stalen balken

tijdelijk werd achtergelaten in of ter hoogte van de betref-

fende bocht en in ieder geval op het vervoerstraject van de

produktieloods naar de plaats van bestemming op het bedrijf-

sterrein.

Gesteld noch gebleken is dat voor het tot stilstand brengen

van de onderhavige kar bewust is gekozen voor de plaats waar

de kar feitelijk tot stilstand werd gebracht; dit is des te

onaannemelijker omdat keuzemogelijkheden omtrent de plaats,

waar de kar tot stilstand zou worden gebracht, ontbraken, na-

dat de combinatie in of ter hoogte van de bocht vrijwel was

vast gemanoeuvreerd.

Gegeven voorts het feit dat sprake is van 14 meter lange sta-

len balken, geladen op een kar en voortgetrokken door een

vorkheftruck, welke combinatie tot stilstand is gebracht in of

ter hoogte van een in die omstandigheden met moeite te nemen

bocht, bezien in samenhang met de omstandigheid dat na ontkop-

peling van de vorkheftruck het vervoer van de kar met de bal-

ken vervolgens handmatig is voortgezet, moet ervan worden uit-

gegaan dat de kar ten tijde van de ontkoppeling van de vork-

heftruck niet buiten het verkeer tot stilstand was gebracht.

Feiten of omstandigheden die tot een andere gevolgtrekking

zouden moeten leiden zijn gesteld noch gebleken.

5.5 Tijdens en als gevolg van de wijze van het na afkoppeling

van de vorkheftruck voortgezette vervoer van de kar met bal-

ken, zijn deze balken gaan schuiven, waarna de kar met balken

is omgevallen en een of meer vallende balken [slachtoffer]

hebben geraakt en verwond.

Het schuiven van lading - ondanks pogingen dit te herstellen

of te voorkomen - is een toedracht en oorzaak van ongevallen

in het verkeer die met zekere regelmaat voorkomen, zodat niet

gezegd kan worden dat dergelijke ongevallen niet karakteris-

tiek zijn voor deelneming aan het verkeer. Op grond hiervan

moet het verweer van WM, dat - nu de schadeveroorzaking

plaatshad op een bedrijfsterrein - geen karakteristiek ver-

keersongeval heeft plaatsgehad, worden verworpen.

De omstandigheid dat de vorkheftruck na ontkoppeling is ge-

bruikt als werktuig om de verschoven lading stalen balken op

de kar te herschikken en dat de vorkheftruck vervolgens op het

bedrijfsterrein is gestald, doen aan hetgeen hiervoor werd

overwogen niet toe of af, aangezien die feitelijkheden geen

verandering brengen in de staat van de onderhavige kar als

niet buiten het verkeer tot stilstand gebrachte aanhangwagen

in de zin der WAM."

Het geding in cassatie

9. Mega Staalbouw, de curator en het Waarborgfonds hebben

tijdig cassatieberoep ingesteld onder aanvoering van twee mid-

delen. Klaverblad heeft geconcludeerd tot verwerping van het

beroep. Beide partijen hebben de zaak schriftelijk toegelicht.

Eisers tot cassatie hebben het tweede cassatiemiddel in hun

schriftelijke toelichting "subsidiair" gemaakt waarna Klaver-

blad zich met betrekking tot dit tweede middel heeft gerefe-

reerd.

Het eerste cassatiemiddel

10. De middelonderdelen 1 en 2 komen met rechts- en motive-

ringsklachten op tegen het oordeel van de Rechtbank dat de li-

tigieuze bij het ongeval betrokken kar die als aanhangwagen in

de zin van de WAM in gebruik was tijdens het transport van de

stalen balken, ook na de ontkoppeling van de vorkheftruck als

aanhangwagen in de zin van art. 1 WAM diende te worden aange-

merkt aangezien deze kar na afkoppeling niet veilig buiten het

verkeer tot stilstand was gekomen in de zin van bedoelde bepa-

ling.

Middelonderdeel 1a stelt voorop dat het ongeval plaats-

vond in een productieloods, een plaats die "als zodanig" in

beginsel niet bestemd is voor verkeer terwijl zich ook geen

ander verkeer in of nabij de loods bevond op en rond het tijd-

stip van vervoer, alsmede dat de litigieuze kar handmatig werd

voortgeduwd nadat de kar was afgekoppeld en de vorkheftruck

was geparkeerd buiten de loods. Onder deze omstandigheden is

geen andere conclusie mogelijk dan dat het ongeval plaatsvond

nadat de kar van de vorkheftruck was losgemaakt en veilig bui-

ten het verkeer tot stilstand was gekomen aangezien de kar op

geen enkele wijze meer aan het verkeer deelnam en of gevaar

voor het verkeer opleverde op enige wijze die met het eerdere

voortbewegen tezamen met de vorkheftruck verband hield. Aldus

middelonderdeel 1a. Althans, zo vervolgt middelonderdeel 1b,

heeft de Rechtbank niet zonder meer beslissende betekenis mo-

gen toekennen aan de omstandigheid dat het ongeval heeft

plaatsgevonden op het vervoerstraject van loods naar bedrijfs-

terrein waarop de kar aanvankelijk door de vorkheftruck werd

voortgetrokken en aan de omstandigheid dat de plaats van af-

koppeling niet berustte op een bewuste keuze. De Rechtbank had

mede acht moeten slaan op de overige omstandigheden zoals in

hoeverre overigens ter plekke verkeer aanwezig was en wat voor

soort verkeer dat was. Althans, zo gaat middelonderdeel 2a

voort, heeft de Rechtbank miskend dat een voldoende nauw ver-

band moet bestaan tussen het ongeval en de deelneming met een

motorrijtuig aan het verkeer en geeft het oordeel van de

Rechtbank blijk van een onjuiste rechtsopvatting althans is

het onvoldoende gemotiveerd gelet op de zich te dezen voor-

doende omstandigheid dat i) de kar veilig tot stilstand was

gebracht, ii) het ongeval zich niet heeft voorgedaan op een

openbare weg, iii) het hier gaat om een werktuig en iv) het

gaat om schade door een verkeerde belading of behandeling van

de lading van een (reeds veilig losgekoppelde en handmatig

voortgeduwde) aanhangwagen. Voorzover een oordeel op het on-

derhavige punt te lezen zou zijn in rechtsoverweging 5.3 van

het vonnis van de Rechtbank, richt dit middelonderdeel zich

mede tegen die overweging.

Middelonderdeel 3 stelt voorop dat de Rechtbank in

rechtsoverweging 5.5 terecht - gezien de uitspraken van het

Benelux Gerechtshof van 23 oktober 1984, NJ 1986, 458, m.nt. G

onder 459 en van 11 juni 1991, NJ 1992, 82, m.nt. MMM - tot

uitgangspunt neemt dat mede van belang is of de onderhavige

schade als karakteristiek valt aan te merken voor deelneming

aan het verkeer; daarop klaagt het middelonderdeel dat de

Rechtbank ten onrechte oordeelt dat niet gezegd kan worden dat

het onderhavige ongeval niet als karakteristiek voor deelne-

ming aan het verkeer kan worden beschouwd.

Middelonderdeel 4 klaagt dat de AVB van Klaverblad in-

houdt dat voldoende verband bestaat tussen het ongeval en het

gebruik van het motorrijtuig en dat om de in de middelonderde-

len 2 en 3 aangegeven redenen niet valt in te zien dat dat

verband in het onderhavige geval in voldoende mate aanwezig

zou zijn.

11. Bij de beoordeling van deze middelonderdelen moet het

volgende worden vooropgesteld. De WAM beoogt - in het voet-

spoor van de hiervoorgenoemde Benelux-Overeenkomst met daarbij

behorende Gemeenschappelijke Bepalingen - door middel van een

verplichte verzekering en een Waarborgfonds de slachtoffers

van door een motorrijtuig toegebrachte schade te beschermen

tegen het risico van oninbaarheid van hun vordering tot scha-

devergoeding als gevolg van insolventie of onvindbaarheid van

de eigenaar of bestuurder van het bewuste motorrijtuig. (Zie

Uw arrest van 9 januari 1976, NJ 1976, 310, m.nt. ARB. Zie ook

Mijnssen in zijn noot onder Uw arrest van 16 maart 1979, NJ

1980, 76.) Daarom is een ruime uitleg geboden van het begrip

schade door een motorrijtuig in het verkeer veroorzaakt. (Zie

Uw zojuist genoemde arrest van 9 januari 1976 en Uw arrest van

2 januari 1970, NJ 1970, 162.) Ingevolge art. 1 en 2 WAM is

althans in territoriale zin ook sprake van deelneming aan ver-

keer ingeval met een motorrijtuig wordt gereden op een terrein

dat toegankelijk is voor publiek of voor een zeker aantal per-

sonen die het recht hebben daar te komen. Ook overigens moet

het begrip deelneming aan het verkeer - in verband met de

strekking van de WAM - ruim worden geïnterpreteerd. (Zie Hof

's-Gravenhage, 27 februari 1975, VR 1975, 57 en Benelux Ge-

rechtshof, 11 juni 1991, NJ 1992, 82, m.nt. MMM en Uw arrest

van 12 januari 1979, NJ 1979, 291 m.nt. ARB.) Zoals gezegd, is

in art. 1 WAM bepaald dat als deel van een motorrijtuig wordt

aangemerkt al hetgeen aan het motorrijtuig is gekoppeld of na

koppeling daarvan is losgemaakt of losgeraakt zolang het nog

niet buiten het verkeer tot stilstand is gekomen. In deze

laatste uitbreiding is naar aanleiding van vragen uit de Twee-

de Kamer voorzien met gebruikmaking van de aan de Lidstaten

bij meergenoemd Verdrag gegeven bevoegdheid tot het verlenen

van extra bescherming aan verkeersslachtoffers. (Zie de con-

clusie van de A-G Berger voor Uw hiervoor genoemde arrest van

16 maart 1979, NJ 1980, 76, m.nt. FHJM.) Uit jurisprudentie

van Uw Raad blijkt dat Uw Raad bij de beantwoording van de

vraag of een aanhangwagen na ontkoppeling "buiten het verkeer

tot stilstand is gekomen" niet alleen van belang acht of de

aanhangwagen wordt neergezet op een zodanige plaats dat deze

wagen buiten iedere verkeersdeelneming wordt gehouden, doch

tevens of daarbij sprake is van een zodanige plaatsing dat de

aanhangwagen voor het verkeer geen gevaar meer kan opleveren.

(Zie de noot van Mijnssen onder Uw hiervoor genoemde arrest

van 16 maart 1979).

12. De Rechtbank heeft bij haar oordeel dat de litigieuze,

als aanhangwagen bij de vorkheftruck voor het vervoer van sta-

len balken gebruikte, kar na ontkoppeling van de vorkheftruck

niet veilig buiten het verkeer tot stilstand was gebracht in

de zin art. 1 WAM, met name betekenis toegekend aan de omstan-

digheid dat de kar van de vorkheftruck is losgekoppeld tijdens

het vervoer in of nabij een bocht in het vervoerstraject omdat

deze bocht voor de combinatie (vorkheftruck en kar) een on-

neembaar obstakel vormde alsmede aan de omstandigheid dat het

vervoer van de balken vervolgens met de afgekoppelde kar is

voortgezet. Bij haar oordeel dat de door [slachtoffer] geleden

schade is veroorzaakt door deelneming van de (nog als onder-

deel van het motorrijtuig te beschouwen) kar aan het verkeer,

heeft de Rechtbank met name betekenis toegekend aan de omstan-

digheid dat het ongeval is veroorzaakt doordat de lading tij-

dens en als gevolg van de wijze van het na afkoppeling voort-

gezette vervoer is gaan schuiven.

Anders dan het middel betoogt, heeft de Rechtbank aldus

in het licht van de strekking van de WAM niet blijk gegeven

van een onjuiste rechtsopvatting. Met name is niet juist de in

het middel vervatte stelling dat de kar veilig buiten het ver-

keer tot stilstand was gebracht omdat het ongeval plaatsvond

in een productieloods waar zich op dat moment geen ander ver-

keer bevond aangezien de kar aldus op geen enkele wijze meer

aan het verkeer deelnam of gevaar opleverde op enige wijze die

verband hield met het eerder voortbewegen tezamen met de vork-

heftruck. Deze stelling miskent dat de WAM - ingevolge art. 1

- ook ziet op het gebruik van motorrijtuig op een terrein toe-

gankelijk voor publiek of voor een aantal personen die het

recht hebben daar te komen. Juist omdat het rijden met een mo-

torrijtuig op een zodanig terrein in zoverre moet worden be-

schouwd als verkeersdeelneming in de zin van de WAM heeft de

Rechtbank aan de hiervoor genoemde omstandigheden waaronder

met name deze dat het vervoer noodgedwongen met de ontkoppelde

kar op het daarvoor gevolgde vervoerstraject werd voortgezet,

de conclusie kunnen verbinden dat van een veilig buiten het

verkeer tot stilstand brengen geen sprake is geweest. Dat de

kar bij het voortgezette vervoer van de balken wel degelijk

een gevaar opleverde dat met het vervoer samenhing, blijkt

reeds uit de toedracht van het litigieuze ongeval. Met haar

overweging dat de plaats van afkoppeling niet berustte op een

bewuste keuze heeft de Rechtbank tot uitdrukking gebracht dat

de afkoppeling niet plaatsvond in het kader van het streven de

kar buiten het verkeer tot stilstand te brengen om deze als

zodanig niet meer aan het verkeer te doen deelnemen. Anders

dan middelonderdeel 2 kennelijk veronderstelt, is bij de be-

antwoording van de vraag of de kar veilig buiten het verkeer

tot stilstand is gebracht niet van belang of op het moment van

afkoppeling verkeer ter plaatse was terwijl bovendien de sug-

gestie dat [slachtoffer] als bij het vervoer betrokkene niet

als verkeersslachtoffer in de zin van de WAM kan worden be-

schouwd onjuist is.

13. Middelonderdeel 2 dat ten onrechte ervan uitgaat dat de

kar veilig buiten het verkeer tot stilstand was gebracht en in

zoverre voortbouwt op middelonderdeel 1, bestrijdt het oordeel

van de Rechtbank dat in casu sprake is van een verkeersongeval

(van een door deelneming aan het verkeer veroorzaakt ongeval)

nu het in casu gaat om een ongeval ten gevolge van schuiven

van de lading tijdens het met de kar "handmatig" voortgezette

vervoer op het bedrijfsterrein waarop in de zin van de WAM aan

het verkeer werd deelgenomen. Dat oordeel geeft anders dan het

middel betoogt, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting in

het licht van de strekking van de WAM en de hiervoor onder 11

in dat verband genoemde uitgangspunten. Anders dan het middel

veronderstelt, heeft rechtsoverweging 5.3 van het bestreden

vonnis geen betrekking op de vraag of het litigieuze ongeval

kan worden beschouwd als een ongeval waartoe deelneming aan

het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven. Dat het

vervoer niet plaatsvond op een openbare weg doch op een ter-

rein waarop in de zin van de WAM sprake kan zijn van deelne-

ming aan het verkeer, staat niet eraan in de weg om de tijdens

het vervoer met de kar door de lading veroorzaakte schade te

beschouwen als schade veroorzaakt door deelneming van het mo-

torrijtuig aan het verkeer. Een andere opvatting zou afbreuk

doen aan de strekking van de WAM die beoogt ook bescherming te

bieden tegen de risico's verbonden aan het gebruik van motor-

rijtuigen op bedoelde terreinen. De in het middel vervatte

stelling dat de litigieuze vorkheftruck een "werktuig" was,

ziet eraan voorbij dat de vorkheftruck vóór de ontkoppeling,

zoals de Rechtbank vaststelde, diende als vervoermiddel. Het

oordeel van de Rechtbank dat de omstandigheid dat de vorkhef-

truck na ontkoppeling ook is gebruikt als werktuig om de ver-

schoven lading op de kar te herschikken niet eraan afdoet dat

het onderhavige ongeval moet worden beschouwd als een ongeval

dat plaatsvond in het kader van het met de vorkheftruck en de

kar uit te voeren vervoer, geeft niet blijk van een onjuiste

rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

14. Middelonderdeel 3 is gebaseerd op de veronderstelling dat

de Rechtbank tot uitgangspunt heeft genomen dat de vorkhef-

truck ook vóór de ontkoppeling van de kar werd gebruikt als

werktuig en niet als vervoermiddel. Die veronderstelling is -

zoals hiervoor reeds bleek - onjuist. In de overwegingen van

de Rechtbank ligt besloten dat de vorkheftruck voor de ontkop-

peling van de kar, diende als vervoermiddel en niet als werk-

tuig waarmee in beginsel niet aan verkeer wordt deelgenomen en

dat de omstandigheid dat na de ontkoppeling de vorkheftruck

werd gebruikt om de lading te herschikken niet meebrengt dat

aan de hoedanigheid van vervoermiddel afbreuk wordt gedaan in

dier voege dat de ontkoppelde kar waarmee het vervoer werd

voortgezet moet worden beschouwd als onderdeel van een motor-

rijtuig dat als werktuig en niet als vervoermiddel diende.

15. Middelonderdeel 4 bouwt voort op de middelonderdelen 2 en

3 en moet het lot daarvan delen; voorzover in dit middelonder-

deel de klacht ligt besloten dat de Rechtbank niet ervan is

uitgegaan dat de uitsluiting in art. 3 van de AVB van Klaver-

blad inhoudt dat mede is vereist dat een voldoende verband be-

staat tussen het ongeval en het gebruik van het motorrijtuig

als bedoeld in de WAM, faalt het wegens gebrek aan feitelijke

grondslag.

Het tweede cassatiemiddel

16. Het tweede cassatiemiddel klaagt dat de Kantonrechter, in

aanmerking genomen dat de vrijwaring niet de regels van de ab-

solute competentie doorkruist en gegeven de inhoud van de door

Mega Staalbouw in het vrijwaringsgeding ingestelde vordering,

onmiskenbaar noch uit hoofde van het onderwerp van het geschil

noch uit hoofde van het beloop van de vordering bevoegd was

van de zaak kennis te nemen, zodat ook de Rechtbank in appel

niet bevoegd was en - ambtshalve - de zaak op de voet van art.

157a Rv. in de stand waarin zij zich bevond had moeten verwij-

zen naar de wel bevoegde rechter, in casu het Gerechtshof te

Arnhem.

In de schriftelijke toelichting wordt aangegeven dat het

middel "alsnog subsidiair [wordt] voorgesteld ten opzichte van

het eerste middel en wel in dier voege dat het alleen wordt

voorgesteld voor het geval dat middel ongegrond is, dan wel

niet leidt tot een vernietiging waarbij in de verwijzingspro-

cedure alle relevante feitelijke aspecten van de zaak opnieuw

aan de orde kunnen komen." Eisers tot cassatie betogen in hun

schriftelijke toelichting dat zij "uiteraard deze voorwaarde

aan het middel [verbinden] omdat zij ook bij de gegrondheid

van het tweede middel graag een uitspraak van Uw Raad verkrij-

gen omtrent het inhoudelijke oordeel van de Rechtbank." Tot

dat alsnog bij schriftelijke toelichting "subsidiair" voor-

stellen van het tweede middel waren eisers tot cassatie be-

voegd nu zij ook bij schriftelijke toelichting hun middel had-

den mogen intrekken.

17. Eisers tot cassatie hebben met andere woorden ervoor

gekozen het tweede en niet het eerst middel "subsidiair"

voor te stellen omdat zij een uitspraak van Uw Raad wil-

len verkrijgen omtrent het inhoudelijke oordeel van de

Rechtbank, om vervolgens, als die uitspraak luidt dat de

tegen het oordeel van de Rechtbank gerichte rechts- en

motiveringsklachten falen dan wel niet leiden tot een

verwijzingsprocedure waarbij alle relevante feitelijke

aspecten van de zaak opnieuw aan de orde kunnen komen, de

zaak alsnog in de stand waarin deze zich destijds bij het

instellen van het hoger beroep bevond, opnieuw te laten

berechten door het Hof waarnaar de Rechtbank destijds in-

derdaad - dat zij het middel toegegeven - had moeten ver-

wijzen. (Zie in dit verband Uw arrest van 14 juni 1991,

NJ 1992, 173, m.nt. HJS en Hugenholtz-Heemskerk, Hoofd-

lijnen van Nederlands burgerlijk procesrecht, 1997,

nr.142 en 149) Ik meen dat eisers tot cassatie niet kun-

nen worden gevolgd in hun betoog dat de zaak - bij ver-

werping van het eerste cassatiemiddel - naar het Hof moet

worden verwezen in de stand waarin zij zich destijds be-

vond. Honorering van het betoog van eisers tot cassatie

zou in feite leiden tot het creëren van een geheel nieuwe

feitelijke instantie nadat Uw Raad reeds uitspraak heeft

gedaan over de in appel gewezen einduitspraak. Dat past

mijns inziens niet in ons stelsel van hoger beroep en

cassatie dat niet meer dan twee feitelijke instanties

kent en waarin geen sprake kan zijn van een geheel nieuwe

feitelijke instantie nadat Uw Raad zich heeft uitge-

sproken over de aan zijn oordeel onderworpen uitspraak en

de daartegen gerichte cassatieklachten.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden