Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:1999:AA3840

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
10-12-1999
Datum publicatie
13-08-2001
Zaaknummer
C98/164HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1999:AA3840
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 42
Wetboek van Strafvordering 118 (oud)
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 1999, 175
NJ 2000, 7
RvdW 1999, 197
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. C 98/164 HR Mr. Langemeijer

Zitting 17 september 1999 Conclusie inzake:

[Eiser]

tegen

de Staat der Nederlanden

Edelhoogachtbaar College,

In dit geding wordt schadevergoeding van de Staat gevorderd wegens het niet teruggeven van inbeslaggenomen sieraden ofschoon de rechter die teruggave had gelast.

1. De feiten en het verloop van het geding.

1.1. In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten, zoals door het hof omschreven in rov. 1 onder a t/m n. Hieronder een korte samenvatting.

1.1.1. In januari 1992 heeft de politie een aantal sieraden, afkomstig van de juwelier [L.], die op 27 november 1991 in staat van faillissement is verklaard, in strafrechtelijk beslag genomen onder [eiser], thans eiser tot cassatie.

1.1.2. De officier van justitie bij de rechtbank te ’s-Gravenhage heeft het voornemen kenbaar gemaakt de inbeslaggenomen sieraden terug te geven aan de curator in het faillissement van de juwelier [L.]. [Eiser] heeft zich op de voet van art. 118, derde lid (oud) Sv over dit voornemen beklaagd bij de rechtbank.

1.1.3. De rechtbank heeft bij beschikking van 8 januari 1993 het beklag gegrond bevonden en de teruggave aan [eiser] gelast van de inbeslaggenomen goederen zoals vermeld op de aan het klaagschrift gehechte lijst.

1.1.4. Aan deze beschikking is niet, althans niet volledig, gevolg gegeven. De officier van justitie had het overgrote deel van de in beslag genomen sieraden reeds in januari 1992 doen afgeven aan de curator in het faillissement van de juwelier [L.]. De curator is niet tot teruggave van deze sieraden bereid gebleken. De curator heeft ter verklaring aan de Staat medegedeeld dat hij in februari 1992 de nietigheid heeft ingeroepen van de transacties in november 1991 van [eiser] en diens zonen met [L.] op grond van welke transacties [eiser] de sieraden onder zich had.

1.1.5. [Eiser] heeft de Staat in kort geding gedagvaard tot afgifte van de sieraden als bedoeld in de beschikking van 8 januari 1993. In eerste aanleg, bij vonnis van 3 maart 1994, is deze vordering toegewezen. In hoger beroep is deze vordering alsnog afgewezen. Bij arrest van 21 juli 1994 (rolnr. 94/558 KG; rov. 5) heeft het gerechtshof te ’s-Gravenhage overwogen dat een deugdelijke civiele titel ontbreekt op grond waarvan de Staat hier tot afgifte kan worden verplicht. In antwoord op de verwijzing door [eiser] naar de beschikking van de strafraadkamer van de rechtbank d.d. 8 januari 1993, overwoog het hof dat de beschikking van de strafraadkamer formele rechtskracht heeft, in die zin dat deze beschikking, zowel wat haar wijze van totstandkomen als wat haar inhoud betreft, in overeenstemming moet worden geacht met de betrokken wettelijke voorschriften en algemene rechtsbeginselen. De hieraan verbonden bezwaren kunnen door bijzondere omstandigheden zo klemmend zijn dat zij aan de uitvoering van de beschikking in de weg staan. Volgens het hof doet die laatste situatie zich hier voor.

1.2. Vervolgens heeft [eiser] de onderhavige bodemprocedure aanhangig gemaakt. Hierin vordert [eiser] van de Staat een vergoeding van schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Aan deze vordering heeft [eiser] onder meer ten grondslag gelegd dat de Staat onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld doordat de Staat - door de sieraden in januari 1992 aan de curator af te geven - zichzelf in de onmogelijkheid heeft gebracht aan de beschikking d.d. 8 januari 1993 tot teruggave te voldoen. [Eiser] stelt schade te lijden omdat de sieraden, welke hij blijkens een door de juwelier [L.] ondertekende verklaring d.d. 10 november 1991 als vuistpand onder zich had tot zekerheid voor de betaling van een leenschuld, uit zijn macht zijn geraakt.

1.3. De Staat heeft verweer gevoerd. Hij heeft primair betwist dat [eiser] enig recht, in het bijzonder het gepretendeerde pandrecht, op deze sieraden kan doen gelden. De Staat betwistte de leenschuld en achtte de akte van 10 november 1991 te vaag om van een pandrecht op bepaalde sieraden te kunnen spreken. Subsidiair riep de Staat de nietigheid van dit pandrecht in op de grond dat zowel de juwelier [L.] als [eiser] op 10 november 1991 wisten, althans behoorden te weten, dat benadeling van de schuldeisers van de juwelier [L.] van deze rechtshandeling het gevolg zou zijn. Meer subsidiair heeft de Staat betwist dat [eiser] schade lijdt: in de eerste plaats omdat - volgens de verklaring waarop [eiser] zich beroept - niet [eiser] zelf, maar zijn zoon Sebastiaan de wederpartij van de juwelier [L.] zou zijn geweest. In de tweede plaats omdat door de afgifte aan de curator de sieraden niet verloren zijn gegaan: [eiser] kan zich volgens de Staat tot de curator wenden om zijn gepretendeerde pandrecht uit te oefenen.

1.4. Bij vonnis van 27 november 1996 heeft de rechtbank te ’s-Gravenhage geoordeeld dat de Staat onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld door de beschikking tot teruggave van 8 januari 1993 niet uit te voeren (rov. 3.1 Rb). Vervolgens heeft de rechtbank de schadevordering afgewezen op het meer subsidiaire verweer: volgens de verklaring d.d. 10 november 1991 heeft niet [eiser] zelf, maar heeft zijn zoon [..] een pandrecht op de sieraden. [Eiser] zelf heeft dus geen schade geleden (rov. 3.2 Rb).

1.5. [Eiser] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen. Bij arrest van 19 februari 1998 heeft het gerechtshof te ’s-Gravenhage het beroepen vonnis bekrachtigd, zij het op andere gronden. Het hof heeft onderzocht of de afgifte van de sieraden door de officier van justitie aan de curator valt aan te merken als een onrechtmatige daad jegens [eiser]. De onrechtmatigheid vloeit volgens het hof - anders dan de rechtbank in haar rov. 3.1 had geoordeeld - niet zonder meer voort uit de beslissing tot teruggave d.d. 8 januari 1993. Het hof acht niet aangetoond dat de Staat in dit geval onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld (zie rov. 16 - 20). Daarvan uitgaande, had het hof in het midden kunnen laten of [eiser] schade geleden heeft. Niettemin heeft het hof ook grief 1 besproken, welke grief zich richtte tegen de aangehaalde rov. 3.2 van de rechtbank. [eiser] hanteerde in deze grief het argument dat weliswaar zijn zoon [..] met de juwelier [L.] heeft gecontracteerd, maar dat [de zoon] de sieraden heeft doorgegeven aan zijn vader, [eiser], die ook degene is die in feite de geleende gelden had verschaft. Het hof is veronderstellenderwijs uitgegaan van de juistheid van deze stellingen en van de stelling dat de juwelier [L.] tot zekerheid van de terugbetaling van een leenschuld de betrokken sieraden als vuistpand heeft afgegeven. Echter, in dat geval is het hof van oordeel dat de curator de nietigheid van de verpanding d.d. 10 november 1991 heeft mogen inroepen. Daaruit volgt dat noch [eiser] zelf noch zijn zoon [..] rechtsgeldig aanspraak kunnen maken op de betrokken sieraden. Dan heeft [eiser] ook geen rechtsgeldige aanspraak op de Staat tot schadevergoeding in verband met de weigering of de onmacht van de Staat om aan het verzoek tot afgifte te voldoen (zie de rov. 4, 5 en 6).

1.6. [Eiser] heeft tegen dit arrest - tijdig - beroep in cassatie ingesteld, onder aanvoering van één middel van cassatie. De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Beide partijen hebben hun standpunt schriftelijk laten toelichten.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1. Het middel behelst het standpunt dat de niet-naleving door de officier van justitie van art. 118 (oud) Sv en de niet-uitvoering van de op 8 januari 1993 gegeven last tot teruggave van de inbeslaggenomen sieraden aan [eiser] als onrechtmatig zijn aan te merken en dat het onjuist, althans zonder nadere redengeving onbegrijpelijk is dat het hof anders heeft geoordeeld.

2.2. Art. 118 (oud) Sv bepaalde, voor zover thans van belang:

1. Zodra het belang van de strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van een inbeslaggenomen voorwerp, doet het openbaar ministerie dit door de bewaarder teruggeven aan degene, bij wie het is inbeslaggenomen.

2. Indien deze ten overstaan van de officier van justitie of van een zijner hulpofficieren verklaart, het voorwerp door een strafbaar feit te heben onttrokken aan een bepaalde persoon, dan wel geen bezwaar te hebben tegen teruggave van het voorwerp aan een bepaalde persoon, kan het openbaar ministerie het voorwerp doen teruggeven aan die persoon.

3. Buiten het geval van het voorgaande lid, kan het openbaar ministerie het voorwerp doen teruggeven aan een ander dan degene onder wie het is inbeslaggenomen, indien deze zich niet binnen veertien dagen nadat het openbaar ministerie hem een mededeling van het voornemen tot zodanige teruggave heeft doen betekenen, daarover heeft beklaagd of het beklag ongegrond is verklaard. Op het beklag zijn Titel IX van het Vierde Boek, en artikel 24, tweede lid, van overeenkomstige toepassing. (?)

2.3. De hoofdregel is dus de teruggave aan degene onder wie het voorwerp in beslag is genomen. Wanneer de officier van justitie - in strijd met het bepaalde in art. 118 (oud) - het in beslag genomen voorwerp aan een ander dan de beslagene teruggeeft (of beter gezegd: het voorwerp weggeeft) zonder de beslagene op de voet van het derde lid van het voornemen daartoe in kennis te stellen, behoeft dit geen beletsel te zijn om een beklag als bedoeld in art. 118, derde lid (oud) Sv in te dienen. Dit kan leiden tot een situatie waarin het beklag gegrond wordt bevonden doch aan de last tot teruggaaf geen uitvoering kan worden gegeven omdat het inbeslaggenomen voorwerp reeds aan een ander is afgegeven. Zo’n situatie komt wel vaker voor: wanneer bijv. op de voet van art. 117 (oud) Sv een machtiging was gegeven tot vervreemding van bederfelijke waren, levende have of andere zaken die niet geschikt zijn voor (langdurige) opslag, regelde art. 119 (oud) dat de bewaarder na een beslissing tot teruggave van het voorwerp aan de gerechtigde de waarde uitbetaalt die het voorwerp bij verkoop door hem redelijkerwijze had moeten opbrengen. Dit was niet bedoeld als een schadevergoeding voor onrechtmatig handelen, maar als een waarde die het terug te geven voorwerp vervangt.

2.4. Aanvankelijk heeft de Hoge Raad in gevallen, vergelijkbaar met het onderhavige, gekozen voor een overeenkomstige toepassing van art. 119, tweede lid (oud) Sv. Deze keuze had het volgende nadeel. De klaagschriftprocedure in het Wetboek van Strafvordering strekt ertoe op een snelle en eenvoudige wijze en zonder dat daarbij behoeft te worden geoordeeld over eigendoms- en bezitskwesties, een beslissing te verkrijgen over de vraag of een inbeslaggenomen voorwerp - indien het belang van de strafvordering zich niet meer meer tegen teruggave verzet - moet worden teruggegeven aan de beslagene òf aan een ander. Art. 119 (oud) Sv verplicht zonder meer tot uitbetaling van de waarde, ongeacht de civielrechtelijke positie van de betrokkene. Een overeenkomstige toepassing van artikel 119 kon ertoe leiden dat de Staat de waarde van het voorwerp moet uitbetalen aan iemand die civielrechtelijk geen enkel recht op het goed blijkt te hebben. Anderzijds, indien de klager wel gerechtigd is tot het voorwerp, behoeft de geschatte verkoopwaarde niet gelijk te zijn aan een volledige schadevergoeding. In HR 25 juni 1991, NJ 1991, 823 m.nt. C is de Hoge Raad daarom uitdrukkelijk van de overeenkomstige toepassing van art. 119, tweede lid (oud) Sv teruggekomen. De berekening van hetgeen de beslagene toekomt als schadevergoeding voor het onrechtmatig handelen van de officier van justitie behoort te geschieden op de voet van art. 1401 (oud) BW, hetzij in overleg tussen de beslagene en de Staat, hetzij in een procedure voor de burgerlijke rechter. De last van de strafraadkamer tot teruggave van het in beslag genomen voorwerp aan de beslagene staat er niet aan in de weg dat vervolgens de burgerlijke rechter desverzocht tot het oordeel komt dat een derde als rechthebbende op het beslagen goed moet worden beschouwd en dat de beslagene het goed alsnog aan die derde moet afgeven. In een zodanig geval bestaat onvoldoende grond voor de uitbetaling door de Staat van de verkoopwaarde van het voorwerp aan de beslagene ten titel van vergoeding voor het verzuim van het bepaalde in art. 118, derde lid (oud) Sv. Een dienovereenkomstig oordeel werd gegeven in een civiele zaak (HR 7 mei 1993, NJ 1993, 657 m.nt. HER en ThWvV; rov. 3.5.3).

2.5. Partijen twisten over de consequenties van deze rechtspraak voor de onderhavige casus. De Staat heeft uit deze rechtspraak afgeleid dat de afgifte van de sieraden door de officier van justitie aan de curator in het faillissement van juwelier [L.] niet onrechtmatig kan worden geacht jegens [eiser], omdat noch [eiser] noch zijn zoon kan worden beschouwd als de rechthebbende met betrekking tot deze sieraden. Het cassatiemiddel daarentegen gaat ervan uit dat de officier van justitie (voor wiens handelen de Staat hier verantwoordelijk is) onrechtmatig handelt door de onherroepelijke rechterlijke last tot teruggave niet uit te voeren. Evenzo luidde het standpunt van [eiser] in feitelijke aanleg.

2.6. M.i. is het middel gegrond, in zoverre dat blijkens de feitelijke vaststelling van het hof vaststaat dat de officier van justitie het overgrote deel van de onder [eiser] in beslag genomen sieraden aan de curator heeft afgegeven zonder vooraf toepassing te geven aan het bepaalde in art. 118, derde lid (oud) Sv. Dat is in strijd met de wet en aldus een onrechtmatige daad jegens [eiser]. Het stond de officier van justitie naar de destijds geldende regels niet vrij om zijn eigen oordeel, omtrent de vraag wie civielrechtelijk gerechtigd is de macht over de sieraden uit te oefenen, te stellen in de plaats van de wettelijke bepalingen omtrent de teruggave van in beslag genomen voorwerpen. Uit de beschikking van de strafraadkamer d.d. 8 januari 1993 volgt bovendien in concreto de verplichting van de officier van justitie (de Staat) tot teruggave van de inbeslaggenomen sieraden aan [eiser]. Vast staat dat niet aan deze verplichting is voldaan. Een uitzondering zoals vervat in het vierde lid van art. 119 (oud) Sv - een beslag op het voorwerp gelegd door een derde-belanghebbende - is hier niet aan de orde. Daarmee is de onrechtmatigheid van het handelen van de Staat jegens [eiser] gegeven. De rechtbank heeft dit in rov. 3.1 onderkend; het andersluidende oordeel van het hof is hiermee in strijd. Ten aanzien van de niet-naleving van de verplichting tot teruggave aan [eiser] heeft de Staat zich niet op overmacht beroepen; naar verwachting zou de rechter overigens in dat geval de niet-naleving van de beslissing tot teruggave hebben toegerekend aan een omstandigheid die voor rekening van de Staat komt (art. 6:75 BW).

2.7. Toch kan het middel m.i. niet tot cassatie leiden. Uitgaande van de veronderstelling dat er sprake is van onrechtmatig handelen van de Staat jegens [eiser], is voor toewijzing van de vordering tot vergoeding van schade, op te maken bij staat, tevens vereist dat de mogelijkheid aannemelijk wordt gemaakt dat de eiser door dit onrechtmatig handelen schade heeft geleden. Het hof heeft, in de verwerping van de eerste grief, tevens geoordeeld dat [eiser] geen schade geleden kan hebben door het gemis van de sieraden, omdat [eiser] geen aanspraak op deze sieraden kan maken: de beweerdelijke pandovereenkomst is nietig ten opzichte van de curator die de nietigheid daarvan heeft ingeroepen en een ander recht van [eiser] op de sieraden is niet gesteld of gebleken. Het hof deelt het oordeel van de rechtbank dat [eiser] niet in zijn vermogen is getroffen doordat hij de feitelijke beschikking over de sieraden heeft verloren. Dit oordeel wordt in cassatie niet bestreden. Een dergelijke bestrijding zou weinig kansrijk zijn geweest, omdat de redenering dat iemand die civielrechtelijk geen aanspraak op het bezit van het voorwerp kan maken ook geen vergoeding kan claimen van de Staat voor het gemis van het voorwerp overeenstemt met de hierboven aangehaalde rechtspraak. De Staat stelt dan ook terecht dat [eiser] om deze reden geen belang heeft bij zijn klacht.

2.8. Tenslotte klaagt het middel over schending van art. 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (het recht op het ongestoord genot van zijn eigendom). Met de Staat meen ik dat deze klacht reeds afstuit op het feit dat een betoog van deze strekking in de feitelijke instanties niet is gevoerd en een zodanig betoog niet voor het eerst in cassatie aan de orde kan komen, aangezien het een onderzoek van feitelijke aard vergt (vgl. HR 8 mei 1998, NJ 1998, 496, rov. 3.4.2). In het midden kan blijven of [eiser] in een door het Eerste Protocol beschermd recht is getroffen.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,