Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:1999:AA3825

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
03-12-1999
Datum publicatie
13-08-2001
Zaaknummer
C98/121HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1999:AA3825
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Koophandel 246
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 1999, 166
NJ 2000, 254
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Conclusie:

Rolnr. C98/121

Zitting 10 september 1999

Conclusie mr Spier

inzake

[Gedaagde]

tegen

Nationale Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V.

(hierna: Nationale Nederlanden of NN)

Edelhoogachtbaar College,

1. Feiten

1.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten zoals de Rechtbank deze in rov. 1 van haar vonnis d.d. 23 oktober 1996 heeft vastgesteld (zie tevens rov 3 van het bestreden arrest).

1.2 Partijen hebben in 1991 een arbeidsongeschiktheidsverzekering gesloten met polisnummer 76-10819480. De overeenkomst is met ingang van 27 mei 1994 beëindigd.

1.3 Artikel 22 van de polisvoorwaarden luidt als volgt:

"1. Premiebetaling in het algemeen

De verzekeringnemer is de premie en de kosten bij vooruitbetaling verschuldigd.

2. Wanbetaling

Niet-betaling van de eerste premie en kosten binnen 30 dagen na de ingangsdatum van de polis, respectievelijk van de volgende premies binnen 30 dagen na de premievervaldag heeft - zonder dat enige ingebrekestelling is vereist en onverminderd de verplichting tot betaling van het verschuldigde - schorsing van de dekking ten gevolge. Deze schorsing wordt alsdan geacht te zijn ingegaan op de eerste dag van de periode, waarover de achterstallige premie was verschuldigd. De dekking wordt weer van kracht van de dag af, volgend op de dag, waarop de verschuldigde premie volledig is voldaan.

(...)

Gedurende de schorsing is de verzekeraar bevoegd de verzekering zonder inachtneming van een opzegtermijn op een door haar te bepalen tijdstip te beëindigen."

1.4 De vervaldatum van de eerste verschuldigde premie was 27 augustus 1991, de navolgende telkens drie maanden later.

2. Verloop van de procedure

2.1 Nationale Nederlanden vordert in deze procedure betaling van de vervallen premies welke [gedaagde] verschuldigd zou zijn op grond van de met Nationale Nederlanden gesloten arbeidsongeschiktheidsverzekering met het polisnummer 07/10/1993.

2.2 Wat betreft het gevorderde bedrag vermeldt de dagvaarding:

"aangezien gedaagde (...) in gebreke is gebleven de gedurende de periode 27/08/1991 tot en met 27/08/1993 vervallen en derhalve verschuldigde premie aan eiseres te voldoen;

(...)

aangezien gedaagde na (...) [de laatste] aanmaning [d.d. 8 maart 1993 om binnen veertien dagen de premie te betalen] geen betaling aan eiseres heeft verricht, zodat (...) eiseres vanaf die datum (...) aanspraak maakt op de wettelijke rente over

f. 3.636,66 tot de dag der algehele voldoening;

aangezien gedurende 27/05/1993 tot en met 27/05/1994 premies ten (lees:) belope van een bedrag ad f. 3.060.75 zijn vervallen over welk bedrag gedaagde evenmin betalingen heeft verricht, zodat eiseres van gedaagde te vorderen heeft gekregen de som ad f. 6.697,41;

(...)

aangezien eiseres (...) vermogensschade lijdt tot een bedrag ad f. 1.004,61, vermeerderd met (...) B.T.W. ad f. 175,81, welke bedragen eiseres (...) eveneens van gedaagde wenst te vorderen, zodat eiseres thans van gedaagde vordert f. 7.877,83;

(...)

M I T S D I E N

bij vonnis (...) worde veroordeeld om aan eiser (...) te betalen de som f. 7.877,83, vermeerderd met de wettelijke rente (...)."

2.3 [Gedaagde] stelt dat de inleidende dagvaarding op onjuiste feiten gegrond is en daarmee nietig, daar [gedaagde] wel een arbeidsongeschiktheidsverzekering heeft gesloten bij Nationale Nederlanden, maar niet met het polisnummer 07/10/1993. Ook overigens meent [gedaagde] dat het niet duidelijk is wat Nationale Nederlanden nu precies vordert omdat de periode en het gevorderde bedrag niet duidelijk in de dagvaarding zijn omschreven (cva sub 2/3). Voor het overige stelt [gedaagde] dat de redelijkheid en billijkheid met zich brengen dat Nationale Nederlanden de verzekering had moeten beëindigen, omdat zij gedurende lange tijd geen dekking behoefde te verlenen.

2.4 Bij cvr verzoekt Nationale Nederlanden rectificatie:

- "van een omissie in de (...) dagvaarding in dier voege dat abusievelijk als polisnummer is vermeld 07/10/1993 in plaats van 76-1081940;”

- en "van een omissie (...) in dier voege dat abusievelijk als periode is vermeld de periode 27/08/1991 tot en met 27/08/1993 in plaats van de periode 27/08/1991 tot en met 27/02/1993".

2.5 De Rechtbank wijst de vordering van Nationale Nederlanden toe voorzover het betreft de vervallen premies tot 27 mei 1994. De gevorderde premie met vervaldatum 27 mei 1994 is niet verschuldigd aangezien de verzekering met ingang van die datum is beëindigd. Het beroep van [gedaagde] op de nietigheid van de dagvaarding dan wel niet-ontvankelijkheid heeft zij afgewezen, omdat Nationale Nederlanden haar eis bij conclusie van repliek op een voldoende duidelijke wijze heeft aangepast (rov 5).

2.6 Ten aanzien van het beroep van [gedaagde] op de redelijkheid en billijkheid stelt de Rechtbank dat het in zijn algemeenheid niet juist is dat deze met zich brengen dat een verzekeraar in dit soort gevallen gebruik dient te maken van zijn opzeggingsbevoegdheid. Er zijn geen bijzondere omstandigheden gesteld of gebleken die een andere conclusie rechtvaardigen. Met name geldt niet als zodanig dat de verzekering drie jaren heeft doorgelopen ondanks het niet betalen van premie (rov 6).

2.7 [gedaagde] is tegen dit vonnis in appèl gekomen. Zij stelt dat de dagvaarding nietig is, althans dat de vordering niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard omdat deze essentiële fouten bevatte. De rectificatie is volgens [gedaagde] niet doeltreffend omdat er onduidelijkheid is blijven bestaan over de gevorderde termijnen (mvg nr. 2). Voorts stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat de redelijkheid en billijkheid met zich brengen dat Nationale Nederlanden gebruik had behoren te maken van haar opzegbevoegdheid (mvg nrs 3-5). Immers, Nationale Nederlanden heeft de verzekering bijna drie jaar laten doorlopen zonder dat in die periode dekking werd verleend (mvg nrs 6-8).

2.8 Nationale Nederlanden heeft [gedaagde]s stellingen weersproken.

2.9 Het Hof heeft de grief over de onduidelijkheden in de dagvaarding - het Hof spreekt van petitum - verworpen omdat het voor [gedaagde] "gezien haar verweer", duidelijk moet zijn geweest dat het ging om de incasso van de verschuldigde premie voor de enige arbeidsongeschiktheidsverzekering die [gedaagde] bij Nationale Nederlanden had afgesloten (rov 4.1).

2.10 Het Hof heeft zich wat betreft de premiebetaling verenigd met het oordeel van de Rechtbank en heeft haar vonnis op dit punt bekrachtigd. In het bijzonder overweegt het Hof dat:

"4.3. (...) bij een persoonsverzekering als de onderhavige, opzegging door de verzekeraar tot ernstige nadelen voor de verzekerde kan leiden. Daarbij kan worden gedacht aan het risico dat acceptatie voor een nieuwe verzekering elders bemoeilijkt wordt door de inmiddels gestegen leeftijd en/of eventueel opgetreden gezondheidsproblemen, alsmede aan het risico dat de inmiddels gestegen leeftijd leidt tot toepassing van een hogere premie.

4.4. Hetgeen [gedaagde] in dit verband overigens nog heeft aangevoerd noopt niet tot een ander oordeel, waarbij met name het volgende geldt. Onbetwist staat vast dat [gedaagde] aanvankelijk wél premie heeft betaald, dat Nationale Nederlanden aan [gedaagde] steeds rekeningen heeft verstuurd voor de door [gedaagde] verschuldigde kwartaalpremies, en dat zij terzake bovendien op 3 december 1992, 8 maart 1993 en 31 augustus 1993 aanmaningen heeft verzonden, die, zoals vaststaat, ook door [gedaagde] zijn ontvangen."

2.11 Tegen dit oordeel is [gedaagde] tijdig in cassatie gekomen. Nationale Nederlanden heeft het cassatieberoep weersproken.

3. Inleidende opmerkingen inzake het vorderen van achterstallige premies over een periode waarin de dekking is geschorst

verkenning

3.1 In deze procedure speelt een heikele kwestie: de vraag wat een verzekeraar behoort te doen ingeval een verzekerde langdurig nalaat premies te voldoen. Volgens de polisvoorwaarden is de dekking gedurende de periode van niet-betaling geschorst. De verzekerde blijft wél gehouden om premie te betalen.

3.2 In casu gaat het om een zeer langdurige periode van niet-betaling. Dat de verzekeraar na verloop van bijna drie jaar de verzekeringsovereenkomst alsnog beëindigt valt zeer goed te begrijpen. Het is weinig zinvol een verzekering voort te zetten waarop de verzekerde blijkbaar geen prijs meer stelt. De verzekeraar heeft voor het eerst na geruime tijd opzeggen als reden opgegeven dat het belang van de verzekerde vergt dat niet lichtvaardig wordt opgezegd. Daarvan uitgaande is sprake van een te prijzen altru-ïsme.

3.3 Gaat het aan dat een verzekerde over de lange periode dat de dekking is geschorst toch premie moet betalen? De verzekerde heeft dat betwist. De verzekeraar heeft zich beroepen op - nauwelijks uitgewerkte - juridische argumenten, o.m. de contractsvrijheid waarin de rechter zich niet moet mengen (cvr 9).

3.4 Het standpunt waarop NN zich stelt kan, in elk geval a prima vista, niet buitengewoon bekoren, waarbij ik laat rusten in welke juridische vorm dat oordeel kan/moet worden gegoten. Het behoeft dan ook niet te verbazen dat daarover in de literatuur niet onverdeeld positief wordt gedacht.

3.5 Opmerking verdient evenwel dat de omstandigheid dat partijen de onder 1.3 vermelde regeling zijn overeengekomen, meebrengt dat het enkele feit dat de consequenties van het gedrag van NN (mogelijk) weinig sympathiek zijn onvoldoende is om haar het recht te ontzeggen de achterstallige premies te vorderen. In zoverre gaat het mede om een waardering van de feiten die behoort tot het domein van de iudex facti. 3.6 Hoe weinig aantrekkingskracht het standpunt van Nationale Nederlanden ook moge hebben, de zaak ligt niet zwart wit. Het gaat in casu om een - kennelijk doorlopende - arbeidsongeschiktheidsverzekering. Naarmate de tijd verstrijkt wordt, in het algemeen gesproken, het risico vermoedelijk groter. De verzekerde heeft daarom belang bij een doorlopende verzekering. Zou tijdig premie worden betaald, dan zou de schorsing ten einde komen en wordt de dekking weer hervat. Na betaling op een tijdstip waarop de verzekeraar nog niet heeft opgezegd, zal hij m.i. ter zake van de niet-betaling in het algemeen niet alsnog kunnen opzeggen. In zoverre mist premiebetaling over de geschorste periode voor de verzekerde niet iedere zin en brengt zij voor de verzekeraar ook verplichtingen mee.

3.7 Wanneer de verzekerde, herhaalde aanmaningen ten spijt, nalaat te betalen, dan roept hij in zekere zin het noodlot over zich zelf af. Een verzekerde die ieder kwartaal opnieuw acceptgirokaarten krijgt - die niet worden betaald - zal ten minste moeten uitleggen waarom hij meende dat de verzekeraar deze niet wilde incasseren. Anders gezegd: aangenomen zal moeten worden dat geen sprake is van een loutere vergissing of onachtzaamheid. In casu heeft [gedaagde] niets aangevoerd waaruit kan worden afgeleid waarom betaling telkens weer achterwege is gebleven.

3.8 Anders gezegd: wanneer men de juridische kwestie waarover in deze procedure is gedebatteerd probeert te bezien vanuit de optiek van de redelijkheid van de uiteenlopende standpunten, dan zal de slotsom moeten zijn dat op beide wel iets valt af te dingen. Afhankelijk van de feiten en de waardering daarvan is meer voor het standpunt van de verzekeraar dan wel dat van de verzekerde te zeggen.

3.9 Van bijzondere betekenis is dat Uw Raad heeft geoordeeld "dat in zijn algemeenheid niet als juist kan worden aanvaard dat een beroep op genoemd beding (inhoudende dat de maatschappij gedurende niet-betaling geen risico loopt en dat de dekking pas na de betaling weer ingaat, JS) - dat door het stellen van een sanctie een prikkel geeft tot nakoming door de verzekeringnemer van zijn verplichting tot tijdige betaling van de premie - in strijd is met de goede trouw als de verzekeraar tevens betaling van de premie over de desbetreffende periode vordert. Evenmin handelt de verzekeraar in strijd met de goede trouw door nakoming te vorderen in plaats van gebruik te maken van zijn (....) opzegbevoegdheid. Bijzondere omstandigheden waaruit anders zou kunnen voortvloeien heeft de Rb. niet vastgesteld" (rov 3.3).

3.10 Niet zonder belang is dat, denk ik, ook de verzekerde zelf tussentijds had kunnen opzeggen. In dat geval zou zij van verdere premiebetaling zijn bevrijd. Ook hier gaat het om een feitelijke kwestie, waaromtrent in deze procedure - voorzover ik heb kunnen zien - (door NN) niets is aangevoerd.

3.11 Onduidelijk is - [gedaagde] heeft daaromtrent evenmin iets aangevoerd - of [gedaagde] prijs stelde/stelt op voortzetting van de overeenkomst met de daaraan gekoppelde verplichting om premies te betalen. Dat is m.i. niet zonder gewicht bij beoordeling van de stelling dat het geen pas geeft wél achterstallige premies te incasseren en tegelijkertijd de verzekeringsovereenkomst te slaken.

Schorsing is niet steeds schorsing

3.12 In het kader van de in deze zaak te beantwoorden vraag lijkt het zinvol aan te stippen dat er verschillende mogelijkheden zijn om een mouw te passen aan een - veronderstellenderwijs aangenomen - strijd met redelijkheid en billijkheid als bedoeld in art. 6:248 lid 2 BW. Zou tijdens de geschorste periode toch schade zijn voorgevallen, dan is onder omstandigheden denkbaar dat de verzekeraar zich niet op de schorsing kan beroepen wanneer de premie later toch nog wordt betaald.

3.13 Ook denkbaar is schorsing slechts toelaatbaar te achten wanneer de verzekerde daarop door de verzekeraar voldoende indringend is gewezen. Zo eist art. 7.17.1.10 NBW een aanmaning en een terme de grâce van 30 dagen; een regeling waarvan ten aanzien van - kort gezegd - particulieren niet worden afgeweken (art. 7.17.1.16 lid 3). In de literatuur is ervoor gepleit dat zodanige aanmaning niet kan zijn vermeld op de nota; een afzonderlijke aanmaning zou vereist zijn.

3.14 In gevallen als onder 3.12 genoemd kan niet worden gezegd dat de premie "voor niets" is betaald. Doet zich de onder 3.13 bedoelde situatie voor, dan heeft de verzekerde in elk geval geweten welk risico hij loopt door het achterwege laten van betaling.

Voorlopige conclusie

3.15 Waartoe leidt dit alles? Aansluiting zal moeten worden gezocht bij het onder 3.9 geciteerde arrest van de Hoge Raad. Voor de onderhavige zaak is dat arrest m.i. evenwel niet beslissend. De casus wijkt in verschillende opzichten af van de onderhavige; onder meer omdat in die zaak slechts de premie van een jaar werd gevorderd. Ik zeg dat met enige aarzeling omdat de regel die Uw Raad formuleert algemener is. Van belang is m.i. mede dat de inzichten omtrent de bescherming van verzekerden en meer in het algemeen van particulieren (zoals [gedaagde]) sedert 1987 zijn gewijzigd.

3.16 Wat schorsing van de dekking betreft: als hoofdregel zal moeten worden aanvaard dat de verzekeraar daartoe kan overgaan ingeval premies niet tijdig worden betaald, mits de verzekerde ten minste voldoende duidelijk is gewezen op de gevolgen van niet-betaling. Schorsing staat niet in de weg aan de mogelijkheid dat de achterstallige premies worden gevorderd. Dit is, denk ik, mede hieraan toe te schrijven dat:

a) schorsing niet in alle gevallen als effect heeft dat de verzekeraar betaling van schade ontstaan tijdens de schorsing achterwege kan laten. Zeker voorzover de werking van de schorsing wordt beperkt, is er luce clarius geen enkel beletsel voor een vordering tot betaling van de achterstallige premie;

b) de verzekerde een prikkel moet worden geboden tijdig te betalen. In het algemeen zal niet kunnen worden aangenomen - en in casu is ook niet gesteld - dat het NN erom te doen was de achterstand flink te laten oplopen om zodoende, zonder dekking, jaren premie te incasseren. Nog daargelaten dat ten minste zeer de vraag is of zo'n opzet zou werken. Hierbij zij aangestipt dat m.i. niet moet worden uitgesloten dat, naarmate de schorsing langer duurt, volledige betaling achteraf extra reden kan zijn schorsing niet het volle effect te geven. Alsdan geldt dat de latere betaling niet geheel voor niets was omdat daar een zekere dekking tegenover staat.

3.17 Ten aanzien van opzegging zal eveneens als hoofdregel mogen worden aangenomen dat de verzekeraar daartoe kan overgaan; ook wanneer dat eerst na verloop van tijd gebeurt. Het Hof heeft begrijpelijkerwijs gewezen op de grote nadelen die daaraan voor een verzekerde kleven. Het is een feit van van algemene bekendheid dat aspirant-verzekerden steeds wordt gevraagd naar eventuele eerdere opzeggingen. Dat de verzekerde zelf niet heeft opgezegd zou eveneens erop kunnen wijzen dat ze niet terstond uit was op beëindiging van de dekking. Hoe dat zij, nu [gedaagde] dat zelf heeft nagelaten ligt een verwijt aan NN dat zij niet eeder heeft opgezegd niet aanstonds in de rede.

3.18 De vraag is evenwel gewettigd of ten deze geen grond bestaat voor afwijking van de onder 3.17 verwoorde hoofdregel dat een verzekeraar de overeenkomst, ook na geruime tijd, in beginsel mag opzeggen ingeval van wanbetaling. Voor zodanige afwijking bestaat m.i. in elk geval reden als de verzekerde zich keert tegen de opzegging en heeft aangevoerd elders niet of veel duurder een andere dekking te kunnen krijgen. Hieromtrent is evenwel niets gesteld. Evenmin heeft [gedaagde] te berde gebracht dat in de verzekeringsbranche een gebruik zou bestaan om in gevallen als de onderhavige anders te handelen dan NN heeft gedaan.

Schorsing, niet-betaling en opzegging

3.19 Tot zover heb ik schorsing van de dekking, het nochtans vorderen van de premie en opzegging van de verzekering afzonderlijk behandeld. [gedaagde] heeft er in feitelijke aanleg op gewezen dat in het bijzonder de combinatie van een en ander onredelijk is. Het standpunt van NN zou er - geparafraseerd en enigszins pathetisch weergegeven - op neerkomen dat het voor [gedaagde] in alle opzichten een spel van nieten is: geen dekking over de geschorste periode, geen dekking meer in de toekomst en wel premie betalen over een periode van bijna drie jaar. Is dat niet wat erg veel van het "goede"?

3.20 Alvorens nader op deze problematiek in te gaan moet worden benadrukt dat [gedaagde] haar heil zoekt in de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid. Dat brengt mee dat het niet aankomt op de vraag of de opstelling van NN redelijk is, maar of het honoreren van haar vordering naar de maatstaf van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

3.21 Zelfs uitgaande van de onder 3.20 genoemde maatstaf bekruipen mij bij het standpunt van NN, dat het Hof heeft gevolgd, zodanig aanzienlijke twijfels dat aanleiding bestaat om een blik over de grenzen te werpen.

Rechtsvergelijkende kanttekeningen

3.22 In de Verenigde Staten is de gangbare opvatting dat een verzekeraar slechts dekking verleent als premie is betaald. Bij gebreke van betaling is er geen dekking. De verzekeraar kan de premie niet van de verzekerde vorderen.

3.23 In Engeland wordt de schorsing ten tijde van deniet-betaling zeer ernstig genomen in die zin dat niet ter zake doet waarom de verzekerde niet betaalt. Clarke - stellig een van de meest vooraanstaande experts op dit gebied - wijst er evenwel op dat een beding dat de dekking zal worden geschorst op drie manieren kan worden gelezen; daaronder verval van de schorsing met terugwerkende kracht als betaling alsnog plaatsvindt. Ik leid daaruit af dat men wegen zoekt om aan de draconische consequenties te ontkomen.3.24 Het Oostenrijkse recht maakt onderscheid tussen niet betaling van de eerste premie en van een vervolg-premie. Wat de eerste categorie betreft: de verzekeraar kan in de niet-betaling aanleiding vinden de overeenkomst te beëindigen. Doet hij dat niet, dan komt de overeenkomst van rechtswege na drie maanden ten einde. De beëindiging heeft terugwerkende kracht, des dat de verzekerde niet meer is gehouden premie te betalen. Deze regeling strekt mede tot bescherming van de verzekerde. Bij gebreke van zo'n regeling zou hij - zonder dat daar dekking tegenover staat - gedurende de verjaringsperiode van drie jaar premie moeten betalen. Bij niet voldoen van vervolgpremies kan de verzekeraar - na ingebrekestelling - de overeenkomst beëindigen, zij het slechts voor de toekomst. Totdien blijft zowel de dekking als de betalingsplicht in stand.

3.25.1 Het Duitse recht vertoont een duidelijke gelijkenis met het Oostenrijkse. Het antwoord op de vragen die ons in deze zaak bezighouden kan ten dele worden gevonden in het Versicherungsvertragsgesetz. Daarin wordt onderscheid gemaakt tussen niet-betaling van de eerste premie en van vervolgpremies. In het eerste geval is er geen dekking wanneer ten tijde van het optreden van het verzekerde voorval nog niet is betaald. Laat de verzekeraar na om binnen drie maanden na het intreden van het verzuim in rechte aanspraak op de premie te maken, dan is de overeenkomst van rechtswege ontbonden (Rücktritt); aldus § 38 VVG.

3.25.2 Blijft de verzekeringnemer in gebreke een vervolgpremie te voldoen, dan kan de verzekeraar - op kosten van de verzekeringnemer - een termijn voor betaling stellen van minstens twee weken. Daarbij moet worden gewezen op de consequenties van niet-betaling binnen deze termijn: het verlies van dekking en de mogelijkheid van tussentijdse beëindiging door de verzekeraar. Laat de verzekeraar na op deze consequenties te wijzen, dan treden deze rechtsgevolgen niet in. Ingeval de verzekeringsovereenkomst wordt beëindigd dan kan hij slechts aanspraak maken op een "angemessene Geschäftsgebühr" (§ 40 lid 2). Denkbaar is dat op het verlies van dekking onder bijzondere omstandigheden te goeder trouw geen beroep kan worden gedaan.

3.25.3 Wordt de overeenkomst niet door de verzekeraar opgezegd, dan treedt de regeling van het VVG niet in. Aangenomen wordt dan dat de verzekerde in beginsel gehouden blijft de premie te betalen, waaraan niet afdoet dat de verzekeraar zijnerzijds daar geen prestatie tegenover stelt. Dit is slechts anders wanneer opzegging langdurig achterwege blijft en de verzekeraar niet kan uitleggen waarom hij daarmee zo lang heeft gewacht.

3.26 Lambert-Faivre meent dat het voor nalatige verzekerden te ernstig ("trop sévère") is een bepaling op te nemen dat niet-betaling automatisch schorsing van de dekking ten gevolge heeft, een situatie die in Frankrijk tot 1930 gold. Thans wordt de dekking de eerste dertig dagen na ingebrekestelling niet opgeschort; nadien wel. Tien dagen na afloop van genoemde dertig kan de verzekeraar van de overeenkomst af. De ingebrekestelling moet bij aangetekende brief plaatsvinden; zij moet de desbetreffende wettelijke bepaling bevatten. Voor de periode na ommekomst van de genoemde dertig dagen blijft de verzekerde gehouden de premie te betalen, want, zegt Lambert-Faivre:

"c'est lui qui est en faute, et qu'au surplus, il lui suffit de payer la prime pour rétablir la garantie".

3.27 Ten slotte het Belgische recht. De verzekeringsovereenkomst mag een bepaling bevatten inhoudend dat dekking achterwege blijft bij gebreke van betaling van de premie. Ondanks de schorsing mag de verzekeraar de premies vorderen. De gezaghebbende Belgische hoogleraar en expert op dit terrein, Cousy, voegt daaraan evenwel toe:

"Evenwel zal de verzekeraar in die periode van schorsing (...) bijzonder acht moeten slaan op de verplichtingen die hem door de goede trouw worden opgelegd. (...) Teneinde te vermijden dat de schorsing (...) aanleiding zou kunnen geven tot misbruiken - dat ondermeer het geval zou zijn indien de verzekeraar (...) verschillende jaren zou wachten vooraleer de betaling van de premies te eisen (...) - beperkt de wet het recht van terugvordering tot de premies van twee opeenvolgende jaren."

De tweejaar-regeling is neergelegd in art. 17 van de wet op de landverzekeringsovereenkomst 1992; deze bepaling is ook thans nog geldend recht.

Slotsom

3.28 Als ik het goed zie, dan is in elk geval als een rode draad te herkennen dat de verzekerde in bescherming wordt genomen. De wijze waarop dat gebeurt loopt nogal uiteen. In een aantal rechtsstelsels geldt dat de verzekerde in elk geval duidelijk op de hoogte moet worden gesteld van de gevolgen van niet tijdige betaling. In andere stelsels blijft de dekking in stand zolang de verzekeraar de overeenkomst niet beëindigt.

3.29 Mede omdat die vraag thans niet aan de orde is en voorkomen moet worden dat een regel wordt geformuleerd die lijnrecht ingaat tegen de bestaande praktijk of de in de praktijk heersende opvattingen, zal de oplossing m.i. niet moeten worden gezocht in een algemene beperking van het effect van de schorsing van de dekking en/of het stellen van zeer stringente eisen aan de mededeling inzake de effecten van niet-betaling. Daarmee verdwijnt een deel van de oplossingen in andere landen buiten beeld.

3.30 Dit laat intussen onverlet dat bij beantwoording van de vraag over welke periode een verzekeraar achterstallige premies mag vorderen in een geval waarin de dekking wegens de niet-betaling is geschorst rekening mag worden gehouden met de omstandigheid dat de effecten van schorsing in een specifiek geval kunnen worden beperkt. Ook mag rekening worden gehouden met de omstandigheid dat, m.i. reeds iure constituto, de schorsing slechts effect sorteert wanneer de verzekerde daarop voldoende indringend is gewezen (hiervoor onder 3.16). Dat laatste is daarom van belang omdat de verzekerde die desondanks volhardt bij zijn niet-betaling de daaruit voortvloeiende problemen ten minste ten dele aan zich zelf heeft te wijten. Lambert-Faivre heeft daar terecht op gewezen.

3.31 Het lijkt mij duidelijk dat niet kan worden aanvaard dat een verzekeraar een verzekeringsovereenkomst laat voortduren, geen risico loopt, maar wel te eeuwigen dage premie kan incasseren. De vraag is dan: welke periode is nog aanvaardbaar. Ieder antwoord dat men op deze vraag geeft is, naar ik vrees, enigszins arbitrair. Daarom geef ik er de voorkeur aan zoveel mogelijk aan te sluiten bij een bestaande regeling.

3.32 Het Duitse en Oostenrijkse recht maken onderscheid tussen de vraag of het gaat om een eerste of om een vervolgpremie. Dat onderscheid vind ik, zonder wettelijke basis, niet aantrekkelijk. Ten aanzien van niet-betaling van de eerste premie komt de regeling er in essentie op neer dat de verzekerde is bevrijd van zijn betalingsplicht. Zelfs wanneer men zou menen dat voor een zó ver gaande regeling voldoende valt te zeggen, de breuk met het bestaande recht zou te groot zijn. Bovendien zie ik weinig reden om wanbetalers zo zeer te hulp te schieten. Voor de tweede categorie geeft het Duitse recht geen algemene regel.

3.33 Alleen het Begische recht biedt concreet houvast. Hoewel ik de daar gehanteerde regel van twee jaar aan de lange kant vind, neig ik ernaar deze als hoofdregel over te nemen. Ook al omdat deze regel niet op gespannen voet behoeft te staan met het onder 3.9 geciteerde arrest, zeker niet tegen de achtergrond van de onder 3.15 gememoreerde rechtsontwikkeling en de bescherming die wanbetalende verzekerden in andere landen genieten. Bij het in beginsel hanteren van zulk een - betrekkelijk lange - termijn blijft een wezenlijke prikkel voor de verzekerde bestaan om te betalen. Maar de gehoudenheid daartoe duurt niet - de verjaring weggedacht - tot sint-juttemis.

3.34 Ik spreek met nadruk van een hoofdregel. In een concreet geval kan er reden bestaan daarvan naar een van beide kanten af te wijken, bijvoorbeeld wanneer aan twijfel onderhevig is of de verzekerde (alle) aanmaningen heeft ontvangen of ingeval de verzekerde - naar de verzekeraar wist - de premie (tijdelijk) niet kon betalen. Deze of dergelijke omstandigheden spelen in deze procedure niet; in elk geval: er is geen beroep op gedaan.

4. Bespreking van de cassatiemiddelen

4.1 Middel 1 onder a strekt ten betoge dat het Hof ten onrechte heeft overwogen dat de klachten van [gedaagde] over de dagvaarding zich concentreerden op de onzorgvuldige redactie van het petitum. Terecht betoogt het onderdeel dat dit onjuist is, aangezien de klachten geen betrekking hadden op het petitum, maar op het fundamentum petendi. Het komt mij evenwel voor dat hier sprake is van een kennelijke verschrijving van het Hof.

4.2 Deze klacht houdt tevens in dat het Hof heeft miskend dat sprake was van een zodanige onzorgvuldigheid bij het nakomen van eisers stelplicht dat onduidelijk was over welke perioden welke premiebedragen werden gevorderd. Daaraan verbindt het onderdeel kennelijk, in navolging van het verweer in feitelijke aanleg, de conclusie dat sprake is van nietigheid van de dagvaarding dan wel niet-ontvankelijkheid van Nationale Nederlanden.

4.3 De dagvaarding dient op straffe van nietigheid de middelen en het onderwerp van de eis te vermelden (art. 5 lid 1 sub 3 Rv jo. art. 91 Rv). De dagvaarding moet zo worden opgesteld dat de gedaagde eruit kan lezen wie wat van hem eist en op welke gronden. Indien de gedaagde zich niet behoorlijk tegen de eis kan verweren op grond van vaagheid of duisterheid van de dagvaarding kan dit leiden tot derzelver nietigheid. Eiser kan evenwel ook niet-ontvankelijk worden verklaard, dan wel de eis kan worden ontzegd omdat de ten processe door eiser gestelde feiten de toewijzing van de vordering niet kunnen rechtvaardigen. Het effect is in alle gevallen hetzelfde en de rechter kan naar bevind van zaken een keuze maken.

4.4 De rechter spreekt slechts de nietigheid van de dagvaarding uit indien het gebrek van dien aard is dat de gedaagde daardoor in zijn verdediging is benadeeld (art. 94 Rv). Het past binnen de deformaliseringstendens om het aantal gevallen waarin de rechter bij uitzondering nietigheid van de dagvaarding moet uitspreken zo beperkt mogelijk te houden.

4.5 Wat betreft het foutieve polisnummer: uit de dagvaarding valt op te maken dat het gaat om een arbeidsongeschiktheidsverzekering die [gedaagde] bij Nationale Nederlanden had afgesloten. Daar tussen partijen vaststaat dat [gedaagde] slechts één zo'n verzekering bij Nationale Nederlanden had afgesloten (rov 4.1 Hof) en zij blijkens de cva (nrs. 4-8) goed begreep om welke verzekering het ging, is niet onbegrijpelijk dat door het Hof is geoordeeld dat [gedaagde] niet in haar verdediging is geschaad.

4.6 Wat betreft de periodes waarover Nationale Nederlanden premiebetaling vordert, geldt dat de enige fout die Nationale Nederlanden in de dagvaarding heeft gemaakt - en bij cvr heeft gerectificeerd - de datum is waarop de eerste periode eindigde. Na rectificatie is duidelijk dat Nationale Nederlanden premiebetaling vorderde over de periode 27 augustus 1991 tot en met 27 februari 1993 en over de periode 27 mei 1993 tot en met 27 mei 1994. Nationale Nederlanden heeft dit aldus toegelicht dat het gaat om een aaneengesloten periode daar de premie iedere drie maanden betaald diende te worden: 27 februari 1993 is de vervaldag van de premie over de periode 27 februari 1993 - 26 mei 1993; 27 mei 1993 is de vervaldag van de premie over 27 mei 1993 - 26 augustus 1993 (mva sub 4). Het middel kan worden toegegeven dat de dagvaarding op dit punt wat onduidelijk is opgesteld. Tot nietigheid of niet-ontvankelijk behoeft dit niet te leiden, temeer daar bij cvr (prod. 1) een helder overzicht van de gevorderde premies is gevoegd. Hierbij verdient opmerking dat eventuele onduidelijkheden in de dagvaarding later kunnen worden verduidelijkt of gerectificeerd.

4.7 Middel 1 onder b mist feitelijke grondslag omdat het ten onrechte ervan uitgaat dat het Hof de vordering heeft toegewezen voorzover het betreft de premie over de periode die is aangevangen op 27 mei 1994. Het Hof heeft, in navolging van de Rechtbank (rov 7), de premiebetaling beperkt tot 27 mei 1994.

4.8 Het tweede middel bevat, naar ik begrijp, voornamelijk de klacht dat het Hof, in het licht van de stellingen van [gedaagde], tekort is geschoten in zijn motivering(splicht), althans zich heeft bekeerd tot een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de vraag of NN de (volle) onbetaalde premie in de gegeven omstandigheden mocht vorderen.

4.9 Deze klacht houd ik voor gegrond op de onder 3 ontwikkelde gronden. Tot welke conclusie dat leidt wordt hierna onder 5 aangegeven.

4.10 De afzonderlijke klachten van het middel komen daarom m.i. niet meer aan de orde. Ten overvloede ga ik daarop kort in omdat daarin de stelling wordt betrokken dat - kort gezegd - NN in het geheel geen achterstallige premies kan vorderen. Die stelling onderschrijf ik niet; de grens ligt - zoals aangegeven - voor mij in beginsel op twee jaar.

4.11 Middel 2 onder a klaagt erover dat het Hof heeft nagelaten het beroep op de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid te bespreken. De aanvullende werking (grief 2) zou eruit bestaan dat Nationale Nederlanden verplicht was gebruik te maken van haar opzegbevoegdheid.

4.12 Het is voor mij de vraag of het Hof grief II heeft moeten verstaan als deze door het middel is geduid. Hoe dat zij: de klacht mist feitelijke grondslag voorzover zij betoogt dat het Hof niet is ingegaan op de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid. In de rov. 4.2 en 4.3 is het hierop ingegaan.

4.13 Voorzover het middel erover beoogt te klagen dat het Hof de grieven 2 en 3 gezamenlijk behandeld heeft, miskent het dat de grieven de keerzijde vormen van dezelfde medaille. De grieven lenen zich uitstekend voor gemeenschappelijke behandeling daar er dezelfde argumenten aan ten grondslag liggen. Immers, in het eerste geval zou Nationale Nederlanden geen premie meer kunnen vorderen omdat zij de verzekering had moeten beëindigen. In het tweede geval zou Nationale Nederlanden in de gedachtegang van [gedaagde] geen premie kunnen vorderen omdat zij de situatie van "geen dekking, maar wel betaling" te lang heeft laten voortbestaan.

4.14 Hier komt bij dat het Hof expliciet heeft aangegeven dat en waarom bezwaren kleefden aan opzegging door NN (rov 4.3). De klacht dat het Hof niet is ingegaan op het betoog van [gedaagde] mist ook om deze reden feitelijke grondslag.

4.15 Middel 2 sub b klaagt erover dat het Hof voor het afwijzen van de aanvullende dan wel beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid "redenen [heeft] genoemd die onmogelijk de beslissing kunnen dragen en waarvan ook niet bekend is geworden of deze redenen bestonden". Met name zou het Hof hebben verzuimd om vast te stellen dat de verzekeraar de situatie dat de verzekerde niet was verzekerd, in het belang van de verzekerde gedurende drie jaar liet voortduren.

4.16 Het onderdeel behelst klaarblijkelijk een motiveringsklacht. Deze faalt omdat 's Hofs gedachtegang wordt miskend. Het Hof heeft niet overwogen dat de opzet van NN er in dit geval op gericht was om [gedaagde] tegen de in rov 4.3 genoemde gevaren te beschermen. Het heeft ermee volstaan aan te geven dat NN in eerste aanleg op dit - door het Hof serieus te nemen - gevaar heeft gewezen.

4.17 Onderdeel c van het tweede middel strekt ten betoge dat 's Hofs oordeel onbegrijpelijk is daar het "onweerlegbaar is dat aan het niet tegen gevaren gedekt zijn de voorkeur gegeven moet worden boven het niet tegen gevaren gedekt zijn en ook nog premie moeten betalen over de periode waarin de gevaren niet gedekt zijn."

4.18 Het onderdeel faalt daar het eraan voorbij ziet dat het Hof kennelijk heeft bedoeld dat het in het belang van [gedaagde] was dat de verzekering doorliep omdat zij anders de kans liep dat zij een nieuwe verzekering moest afsluiten bij een andere maatschappij tegen ongunstigere voorwaarden. In dat licht is het niet onbegrijpelijk dat de voorkeur wordt gegeven aan "geen dekking, wel betalen".

5. Afdoening door Uw Raad?

5.1 Als Uw Raad de onder 3 verdedigde benadering zou volgen, rijst de vraag of de zaak moet worden verwezen dan wel door Uw Raad kan worden afgedaan. M.i. is het laatste het geval.

5.2 In casu zijn er naar het mij voorkomt geen redenen aangevoerd die nopen tot afwijking van de hoofdregel dat een verzekeraar, ingeval de dekking is geschorst, slechts twee jaar achterstallige premies kan vorderen.

5.3 Uit het vonnis van de Rechtbank - dat in zoverre door [gedaagde] niet is bestreden - valt op te maken dat kan worden uitgegaan van de berekening die NN heeft gehecht aan de cvr. Daaruit vloeit voort dat twee jaar premie overeenkomt met fl 4.228,79. Het oordeel van de Rechtbank inzake de wettelijke rente is evenmin bestreden zodat daarvan eveneens kan worden uitgegaan.

Conclusie

De conclusie strekt tot:

* vernietiging van het bestreden arrest en het daarbij bekrachtigde vonnis van de Rechtbank Amsterdam, echter slechts in zoverre dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van fl 6.055,23 vermeerderd met de wettelijke rente als in het vonnis vermeld;

* veroordeling van [gedaagde] tot betaling van fl 4.228,79, vermeerderd met de wettelijke rente over fl 3.636,66 vanaf 22 maart 1993 en over fl 592,13 vanaf 15 oktober 1994;

* verwerping van het beroep voor het overige;

* veroordeling van Nationale Nederlanden in de kosten van het beroep in cassatie.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal