Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:1999:AA3824

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
03-12-1999
Datum publicatie
13-08-2001
Zaaknummer
R99/071HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1999:AA3824
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 1999, 157
NJ 2000, 183
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Conclusie:

R 99/071 HR Mr. Langemeijer

Parket, 1 oktober 1999 Conclusie inzake:

[De vrouw]

tegen

[De man]

Edelhoogachtbaar College,

In dit alimentatiegeschil gaat het om de motivering van het oordeel over de behoefte van de vrouw aan een onderhoudsbijdrage.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. Partijen zijn in 1975 met elkaar gehuwd. Bij inleidend verzoekschrift d.d. 2 april 1997 heeft de man de rechtbank te ’s-Gravenhage verzocht de echtscheiding uit te spreken. Zijn nevenverzoeken hadden betrekking op een toen nog minderjarige dochter en kunnen onbesproken blijven. De vrouw heeft een verweerschrift ingediend. Daarin heeft zij onder meer verzocht de door de man na echtscheiding verschuldigde bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud vast te stellen op f 3.500,- per maand.

1.2. In antwoord op het verzoek van de vrouw heeft de man een regeling voorgesteld waarbij de partneralimentatie geleidelijk zou worden afgebouwd van f 3.000,- (in 1997-1998) via f 2.000,- (in 1999-2000) en f 1.000,- per maand (in 2001-2002) tot nihil op 1 januari 2003.

1.3. Bij beschikking van 13 oktober 1997 heeft de rechtbank de echtscheiding uitgesproken en - voor zover in cassatie van belang - de man veroordeeld tot betaling van een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw ten bedrage van f 3.500,- per maand met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.

1.4. De man is in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te ’s-Gravenhage. Bij beschikking van 29 januari 1999 heeft het hof de beschikking van de rechtbank vernietigd en aan de vrouw een alimentatie toegewezen van f 3.000,- per maand, vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking tot 1 januari 1999 en vervolgens:

_ voor het jaar 1999: f 2.500,- per maand;

_ voor het jaar 2000: f 2.000,- per maand;

_ voor het jaar 2001 en de jaren daarna: f 1.500,- per maand.

1.5. De vrouw heeft tijdig beroep in cassatie ingesteld tegen de beschikking van het hof, onder aanvoering van één middel van cassatie. De man, ofschoon daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft geen verweerschrift ingediend.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1. Bij de vaststelling van alimentatie wordt enerzijds rekening gehouden met de behoeften van de tot onderhoud gerechtigde en anderzijds met de draagkracht van de tot uitkering verplichte persoon (art. 1:397 BW). Het hof heeft in rov. 5 geconstateerd dat de financiële draagkracht van de man toereikend is om de in eerste aanleg vastgestelde alimentatie te voldoen. Vervolgens is het hof in rov. 8 nader ingegaan op de behoeften van de vrouw. Het hof overwoog:

“De vrouw heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij, voordat de partijen uiteengingen, een zo grote financiële behoefte had dat zij thans bovenop haar verdiensten behoefte heeft aan een aanvullende alimentatie van f 3.500,- bruto per maand. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat een deel van haar behoeften samenhing met kosten die zij als echtgenote van de man in diens maatschappelijke positie heeft moeten maken. Deze extra behoefte is er niet meer. (¼) De vrouw heeft enige aanvullende alimentatie nodig, eerst om te wennen aan een behoeftenpatroon dat past bij haar inkomen, en blijvend, met enige aanvulling in verband met het iets hogere uitgavenpatroon dat zij uit het huwelijk meeneemt.”

In de bestreden beschikking is dus geen sprake van limitering (beëindiging van de onderhoudsplicht als zodanig), maar van een afnemende behoefte aan alimentatie.

2.2. Het middel acht dit oordeel onbegrijpelijk, althans de redengeving ontoereikend. In onderdeel (i) wordt aangevoerd dat de vrouw zich had beroepen op haar huidige behoeften. Niet valt in te zien dat de gestelde behoefte ontbreekt enkel omdat in het verleden een extra behoefte zou hebben bestaan die er nu niet meer is. Bovendien, zo stelt onderdeel (ii), blijkt noch uit de stellingen van de vrouw noch uit de gedingstukken dat de vrouw in het verleden een extra behoefte heeft gehad door kosten die zij heeft moeten maken. Ook de man heeft dit niet aangevoerd, aldus onderdeel (iii).

2.3. In het Trema-rapport wordt het bondig omschreven: de behoefte van de gewezen echtgenoot kan worden gesteld op het bedrag dat nodig is om een staat te voeren die de onderhoudsgerechtigde in redelijkheid past. De mate van welstand waarin partijen tijdens hun huwelijk hebben kunnen leven mag in aanmerking worden genomen bij de bepaling van de huidige behoefte van de alimentatiegerechtigde. Dit is verklaarbaar: de partneralimentatie vindt haar grondslag in de levensgemeenschap zoals die door het huwelijk is geschapen, welke gemeenschap in de alimentatieplicht haar werking behoudt ook al wordt de huwelijksband geslaakt.

2.4. Het hof heeft in rov. 4 vastgesteld dat de vrouw f 43.500,- per jaar verdient en dat zij, buiten de hypotheeklasten van bruto f 750,- per maand (= f 9.000,- per jaar), geen bijzondere lasten heeft. In zoverre is het huidige inkomen van de vrouw toereikend. Het hof heeft blijkens rov. 9 daarbij mede gelet op de vermogenspositie. Zou het hof het hierbij gelaten hebben, dan zou er sprake zijn geweest van een terugval in het bestedingspatroon. In de laatste jaren van het huwelijk hebben partijen immers in een redelijke welstand geleefd; zie rov. 2. Het hof heeft voor de bepaling van de huidige behoefte dan ook aansluiting gezocht bij het levenspeil in de laatste jaren van het huwelijk, zij het dat het hof dit uitgangspunt relativeert door de overweging dat een deel van de behoeften van de vrouw in die periode samenhing met kosten welke zij als echtgenote van de man in diens maatschappelijke positie heeft moeten maken en welke kosten zij nu niet meer heeft. Op zich is dit een begrijpelijke redengeving.

2.5. Bij de mondelinge behandeling in appèl heeft de vrouw zich beroepen op een zgn. “jus-vergelijking”. Deze is door het hof niet gevolgd; over die beslissing wordt in cassatie niet geklaagd. Om de huidige behoeften van de vrouw te kunnen bepalen, heeft het hof onderzocht aan welk bestedingspatroon de vrouw tijdens het huwelijk gewend was. Bij de mondelinge behandeling in eerste aanleg had de vrouw, ter onderbouwing van haar huidige behoeften, zich beroepen op een gespecificeerde lijst van begrote of werkelijke uitgaven welke uitkomt op een totaalbedrag (f 81.802,23) dat aanzienlijk boven haar huidige inkomen uit arbeid ligt. Kennelijk heeft het hof het hieruit blijkende bestedingspatroon tot uitgangspunt genomen en geoordeeld dat dit patroon ten dele in aanmerking wordt genomen als een blijvende consequentie van het huwelijk (hetgeen de alimentatie van f 1.500,- in 2001 en volgende jaren rechtvaardigt). Ten dele heeft het hof een geleidelijke afbouw van dit bestedingspatroon redelijk geacht tot een bestedingspatroon dat past bij de situatie waarin de vrouw thans verkeert. De vaststelling en de waardering van omstandigheden, van belang voor de bepaling van de alimentatie, zijn voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt en kunnen als zodanig in cassatie niet worden getoetst.

2.6. Bij de mondelinge behandeling in appèl is gewezen op HR 10 januari 1997 (FJR 1997 blz. 66) en het debat daarover in Echtscheidingsbulletin 1997 (nr 4 resp. nr 6/7) tussen J.W.D. van O.[..] en B.M. M.[..]. In het toen berechte geval had de vrouw kennelijk ook een uitgavenbegroting overgelegd en hadden partijen over een groot aantal van de daarin opgenomen posten gedebatteerd; het hof had toen nagelaten aan te geven welk van die posten het naar aanleiding van dat debat heeft aanvaard als medebepalend voor de behoefte van de vrouw. In het onderhavige geval is een dergelijk debat op posten echter uitgebleven. Mogelijk komt dit, doordat de mondelinge behandeling op 24 april 1998 desverzocht door het hof is opgeschort voor het voeren van schikkingsonderhandelingen. Hoe dan ook, van het hof kon in dit geval m.i. niet worden gevergd in zijn motivering de lijst van uitgaven van de vrouw post voor post te bespreken en telkens aan te geven welke uitgaven het hof wél en welke het hof niet als bovenmatig voorkwamen.

2.7. Waar het hof spreekt over kosten die de vrouw als echtgenote van de man in diens maatschappelijke positie heeft moeten maken, wordt vanzelfsprekend niet bedoeld dat iemand haar heeft gedwongen die kosten te maken. Het hof heeft hiermee kennelijk slechts willen aangeven dat de vrouw tijdens haar huwelijk een deel van de kosten uitsluitend had omdat het doen van de desbetreffende uitgaven in haar toenmalige positie maatschappelijk gebruikelijk was en dat zij thans, verkerend in een positie waarin het maken van die kosten niet maatschappelijk gebruikelijk is, minder uitgaven te haren laste heeft. Onbegrijpelijk is een en ander niet.

2.8. In hoger beroep betwistte de man de door de vrouw verzochte alimentatie - en de daartoe door de vrouw gestelde behoefte - als bovenmatig. Daarmee was de rechtsstrijd afgebakend: het hof had te onderzoeken of de door de vrouw gestelde behoefte daadwerkelijk bestond. Reeds in het inleidend echtscheidingsverzoekschrift had de man laten weten dat hij slechts voor een beperkte overbruggingsperiode alimentatie wilde betalen, hetgeen in zijn verweerschrift tegen het verzoek van de vrouw is geconcretiseerd in de voorgestelde afbouwregeling. Binnen de aldus bepaalde grenzen van de rechtsstrijd kon het hof uit de ten processe gebleken feiten zelf de conclusie trekken dat een deel van de door de vrouw gestelde behoeften voortkwam uit omstandigheden die tijdens het huwelijk wél het bestedingspatroon bepaalden, maar nu niet meer. In de keuze van zijn argumenten omtrent de mate waarin behoefte werd aangenomen was het hof niet gebonden aan de argumenten die de man had aangevoerd. De slotsom is dat het middel in geen van zijn onderdelen doel treft.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,