Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:1999:AA3794

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
23-11-1999
Datum publicatie
16-08-2001
Zaaknummer
111.587
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1999:AA3794
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 315
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 1999, 254
NJ 2000, 128
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Conclusie:

Nr.111.587 Mr Fokkens

Zitting 21 september 1999 Conclusie inzake [verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

1. Verdachte is door het gerechtshof te Amsterdam wegens poging diefstal met geweld (feit 1), poging tot doodslag (feit 2) en openlijke geweldpleging (feit 3) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en zes maanden.

2. Namens verdachte heeft mr C.N.M. Dekker, advocaat te Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof op het verzoek van de raadsman ter zitting van 8 september 1998 om een (of meer) getuigen-deskundige(-n) te raadplegen omtrent de verklaring van het slachtoffer van feit 1 en 2, indien het hof de verklaring van het slachtoffer niet zonder meer terzijde zou schuiven, niet heeft beslist.

4. Ter terechtzitting heeft de raadsman blijkens de zich bij de stukken bevindende pleitnota kort gezegd betoogd dat de verklaring van het slachtoffer waarin hij de verdachte zegt te herkennen, onbetrouwbaar is en niet tot het bewijs zou mogen meewerken. De raadsman heeft vervolgens gesteld: “ Indien uw gerechtshof hieromtrent anders zou komen te oordelen, acht de verdediging de noodzaak aanwezig daaromtrent een (of meer) getuige-deskundige(n) ter zitting te doen horen dan wel daaromtrent deskundigenbericht te doen.”Het hof heeft feit 1 en 2 blijkens zijn arrest naar zijn eenparig oordeel wettig en overtuigend bewezen geacht en heeft daarbij de gewraakte verklaring voor het bewijs gebezigd. Een expliciete reactie naar aanleiding van de geciteerde opmerking van de raadsman ontbreekt in het arrest.

1. 5. De vraag waar het om gaat is of het bovenstaande bezwaarlijk anders is op te vatten dan als een verzoek als bedoeld in art. 328, waarop de rechter een beslissing moet nemen. Hoewel ik mij een uitdrukkelijke beslissing van het hof had kunnen voorstellen - welke vermoedelijk niet meer zou hebben ingehouden dan wat nu impliciet ook duidelijk is geworden, te weten dat het hof geen noodzaak aanwezig acht deskundigen te horen over de betrouwbaarheid van de verklaring van de getuige - meen ik dat hetgeen door de raadsman is gesteld, te onbepaald is om als een zodanig verzoek te kunnen gelden. Niet is duidelijk of de raadsman één of meerdere deskundigen wil (laten) horen en wie dat zouden kunnen zijn en, ondanks de argumenten die de raadsman heeft aangevoerd voor de onbetrouwbaarheid van de verklaring, blijft ook onduidelijk waarover de deskundige(-n) zich precies zou(-den) moeten uitlaten. Juist dat laatste is van belang, nu het oordeel omtrent de betrouwbaarheid van een ter zitting afgelegde verklaring tot het domein van de rechter behoort en duidelijk moet worden op welke wijze de deskundige aan de oordeelsvorming van de rechter kan bijdragen. Ik citeer een overweging van Uw Raad in HR NJ 1991, 772: “ Het voorschrift van art.330 Sv -voor zover betrekking hebbend op een verzoek tot schorsing tot het verrichten van nader onderzoek - veronderstelt een verzoek strekkende tot het (doen) verrichten van welomschreven onderzoekshandelingen, zoals (¼) het inwinnen van een deskundigenbericht omtrent een welomschreven vraagstelling.”Zie ook G.J.M Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, tweede druk, p.512-513.Van een duidelijk geformuleerd voorstel met “welomschreven vraagstelling” is in de onderhavige zaak geen sprake. Dat het hof de woorden van de raadsman niet als een uitdrukkelijk verzoek ex artikel 328 jo 315 Sv, met de responsieplicht voor de rechter ex art. 330 Sv, heeft opgevat, geeft daarom geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.Het middel faalt.

6. Het tweede middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft bewezenverklaard dat verdachte het slachtoffer opzettelijk van het leven wilde beroven. Niet zou uit de bewijsmiddelen enige vorm van opzet op de dood blijken.

1. 7. Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat - dat verdachte met twee anderen een overval op een visboer wilde plegen die ongeveer f 60.000 bij zich zou hebben; - verdachte een revolver bij zich had;- er patronen/kogels in de cilinder zaten;- verdachte en de anderen op de visboer zijn afgestapt; - de visboer, na door een van de anderen te zijn vastgepakt, met een fileermes uit de auto stapte;- er door een van de overvallers geroepen is: “Schiet hem (d.i. de visboer) af”;- verdachte geschoten heeft;- de visboer is getroffen in zijn rechterschouder;- er een schotwond met een inschietopening en een uitgangsopening is geconstateerd. Het (impliciet) oordeel van het hof dat verdachte op z’n minst bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de visboer als gevolg van de in de richting van diens lichaam afgevuurde kogel zou komen te overlijden, is, gelet op bovenstaande handelingen in onderlinge samenhang bezien, niet onbegrijpelijk en geeft geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting. Nu op dit punt geen verweer is gevoerd was het hof niet gehouden dit oordeel nader te motiveren. Het middel faalt.

8. Het derde middel klaagt over het gebruik voor het bewijs van de verklaring van de broer van verdachte dat hij de overval samen met onder meer verdachte heeft gepleegd en de verklaring van het slachtoffer ter terechtzitting in hoger beroep, waarin deze aangeeft dat hij verdachte “voor 100 %” hekent als de persoon hem een kogel in de schouder heeft geschoten.

9. Vooropgesteld moet worden dat de selectie en waardering van bewijsmateriaal is voorbehouden aan de feitenrechter en dat dit oordeel in het algemeen geen nadere motivering behoeft. Voor zover het middel over die waardering klaagt, kan het niet slagen nu de betwisting van de verklaring van Water niet op zodanige gronden berustte dat zich een uitzondering op voormelde regel voordoet. Vgl. de noot van ’t Hart onder NJ 1999, 451.De klacht richt zich verder tegen de bewijsoverweging, waarin het hof uiteenzet waarom het aan de latere verklaring van de broer van verdachte, waarin hij eerdere beschuldigingen aan het adres van zijn broer intrekt, geen geloof hecht. Volgens de indiener zou met name het argument van het hof dat de met de intrekking gepaard gaande beschuldiging van ene Ivan en ene Mus “vaag en ongespecificeerd” is, onbegrijpelijk zijn. Dat is niet het geval: wie eerst zoals deze getuige een hem goed bekende persoon in een aantal verklaringen als mededader noemt en vervolgens op grond van een argument dat niet kan kloppen deze verklaring intrekt, maakt die intrekking des te ongeloofwaardiger als hij daarbij als daders een paar namen noemt die volstrekt oncontroleerbaar zijn. Ook deze klacht is ongegrond en dus faalt het middel.

10. De middelen II en III kunnen worden afgedaan met de in art. 101a RO bedoelde motivering, omdat zij geen rechtsvragen van belang aan de orde stellen. .

11. Rest mij ambtshalve op te merken dat het hof de artikelen 287 en 55 Sr ten onrechte niet als toepasselijke wetsartikelen heeft opgenomen. Uw Raad kan deze omissie ex artikel 441 Sv zelf herstellen. Voor wat artikel 55 Sr betreft, geldt het volgende. Verdachte is, als gezegd, veroordeeld voor poging tot diefstal met geweld en poging tot doodslag. Volgens de bewezenverklaring bestaat het geweld ex artikel 312 Sr uit de poging tot doodslag. In zoverre is er dus sprake van eendaadse samenloop. Dit behoeft verder geen gevolgen te hebben want het strafmaximum blijt ingevolge art. 57 Sr 1/3 boven de tien jaren die bedreigd zijn tegen een poging tot doodslag. Ik concludeer tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover geen melding is gemaakt van artt. 287 en 55 Sr als toepasselijke wetsartikelen, aanvulling van de toepasselijke wetsartikelen met artt. 287 en 55 Sr en verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,