Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:1999:AA3399

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
02-11-1999
Datum publicatie
26-07-2001
Zaaknummer
112341
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1999:AA3399
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

<? > Nr.112.341 Mr Machielse Zitting 29 juni 1999 Conclusie inzake: R. Jansen Edelhoogachtbaar College, 1. Het gerechtshof te Arnhem heeft verzoekster op 29 maart 1996 voor het medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden, waarvan één maand voorwaardelijk. 2. Mr W.D. Huizinga, volgens de Gids voor de Rechterlijke Macht advocaat te Arnhem, heeft beroep in cassatie ingesteld. Mr M.R. Mantz, advocaat te 's-Gravenhage heeft een schriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie. 3.1. Het middel klaagt over de bewijsconstructie. De verklaringen van de 'werknemers' die voor het bewijs zijn gebezigd zouden eerst tot stand zijn gekomen nadat verbalisanten de aangevers feiten als waar zouden hebben voorgehouden, terwijl die feiten alleen op een vermoeden van verbalisanten berustten. 3.2. Het middel gaat uit van een verkeerde lezing van de inhoud van het eerste bewijsmiddel. Het vermoeden dat de bedrijven niet bestonden is immers geen bij verbalisanten bestaand vermoeden, maar een vermoeden dat door een aantal personen telefonisch aan verbalisanten is medegedeeld. Het middel faalt en kan worden verworpen op de voet van art.101a RO. 4.1. Ambtshalve verdienen nog enige punten de aandacht. Het gerechtshof heeft tegen de niet verschenen verdachte verstek verleend en een verstekarrest gewezen. Het hof is er klaarblijkelijk van uit gegaan dat de appeldagvaarding correct was betekend. De appeldagvaarding is aan de griffier betekend omdat verzoekster geen bekende woon- of verblijfplaats hier te lande zou hebben. In de brief van 6 december 1995 aan de officier van justitie te Zwolle gericht, in welke brief verzoekster aangeeft in hoger beroep te willen gaan en naar aanleiding van welke brief een appelakte is opgemaakt, geeft verzoekster als adres op Verspijkweg 9, 1865 BJ te Bergen aan Zee. Weliswaar heeft de gemeente Bergen NH bij bericht dat op 12 januari 1996 bij het parket van de Procureur-Generaal te Arnhem is binnengekomen gemeld dat verzoekster totaal onbekend was, maar in dat bericht is sprake van het adres Verspijckweg 5. Wat daarvan ook zij, niet blijkt dat de appeldagvaarding ook is toegezonden aan het adres in de brief door verzoekster opgegeven. Van omstandigheden die zulks kunnen verklaren maakt het arrest van het hof of het proces-verbaal van de terechtzitting geen gewag. Daarom lijdt het arrest aan nietigheid (HR NJ 1997,279). Evenmin blijkt dat is onderzocht of verzoekster gedetineerd was ten tijde van de betekening van de appeldagvaarding. 4.2. Tenslotte wijs ik op een gebrek in de bewijsconstructie. Het hof heeft onder 2 voor het bewijs gebezigd de verklaring van J.H. Brockotter, inhoudende onder meer: Uit informatie van de Kamer van Koophandel te Zwolle was ik er al van op de hoogte dat er wel een eenmanszaak Safic Jansen, met als eigenaresse Roelie Jansen was ingeschreven, maar dat een besloten vennootschap met de naam Safic Jansen Transport B.V. niet bestond. Als bewijsmiddel 3 is opgenomen de aangifte van A. Kamphuis, inhoudende onder meer: Wij hadden nog steeds geen salaris ontvangen en ik ben toen met een collega naar het GAK in Deventer gegaan. Daar bleek ons dat het bedrijf Safic- Jansen Transport B.V. helemaal niet bestond en dit bedrijf stond als werkgever helemaal niet geregistreerd. Hieruit heeft het hof kunnen afleiden dat Safic-Jansen Transport BV niet heeft bestaan. Maar het hof heeft ook bewezen geacht dat Safic Go-Go trans. Holding BV niet bestond en dat is aan de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen niet te ontlenen. De bewezenverklaring is op dit punt onvoldoende met redenen omkleed. 5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het arrest op de ambtshalve ontwikkelde gronden en tot verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof, teneinde op het bestaande hoger beroep te worden berecht en afgedaan. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden