Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:1999:AA2931

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
27-10-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
342
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1999:AA2931
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene Kinderbijslagwet 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 1999, 305
BNB 2000/22 met annotatie van M.W.C. Feteris
FED 1999/660
WFR 1999/1457
V-N 1999/52.16
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 342 Mr. Ilsink

Derde Kamer A Conclusie inzake:

Algemene Kinderbijslagwet X

tegen

Parket, 31 maart 1999 de Sociale Verzekeringsbank

Edelhoogachtbaar College,

1. Feiten en procesverloop

1.1. Bij beschikking van 10 augustus 1994 heeft de Sociale

Verzekeringsbank X (hierna: belanghebbende) mededeling gedaan van

het volgende:

"Sinds 1 augustus 1992, bent u in het genot van een VUT[vervroegd

uittreden]-uitkering. Uit een ingesteld onderzoek is gebleken dat

u sindsdien woonachtig bent in Marokko, en slechts nog een

postadres in Nederland heeft.

Nu gesteld kan worden dat u uw maatschappelijk leven niet meer in

Nederland heeft en Nederland metterwoon heeft verlaten bent u niet

meer als ingezetene aan te merken. Evenmin bent u op grond van uw

VUT-uitkering verzekerd.

Om deze redenen bestaat met ingang van het vierde kwartaal 1992,

geen recht op kinderbijslag."

1.2. Bij brief met dagtekening 13 september 1994 is namens

belanghebbende bezwaar gemaakt tegen voornoemde beschikking. Bij

uitspraak van 20 december 1994 heeft de Sociale Verzekeringsbank

het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3. Bij brief, ingekomen op 3 januari 1995, is namens

belanghebbende tegen die uitspraak op bezwaar, bij de

Arrondissementsrechtbank te Utrecht beroep ingesteld. Bij

uitspraak van 26 januari 1996, Reg.nr. 95/30 AKW, waarvan het

afschrift is verzonden op 30 januari 1996, heeft de Rechtbank het

beroep ongegrond verklaard.

1.4. Van deze uitspraak is belanghebbende bij een schrijven

ingekomen op 5 maart 1996, in hoger beroep gekomen bij de Centrale

Raad van Beroep (hierna: CRvB). Bij uitspraak van 15 januari 1998,

kenmerk 96/2459 AKW, waarvan een afschrift is verzonden op 30

januari 1998, heeft de CRvB de aangevallen uitspraak bevestigd.

1.5. Tegen deze laatste uitspraak is namens belanghebbende beroep

in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is op 25

maart 1998 ingekomen bij de CRvB; het bevat twee middelen.

1.6. De Sociale Verzekeringsbank heeft een vertoogschrift

ingediend.

<

?

>

2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

2.1. De uitspraak van de CRvB is op 30 januari 1998 per post aan

partijen verzonden. Gelet op het bepaalde in de art. 6:7, 6:8 en

6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met

art. 17, lid 4, van de Wet administratieve rechtspraak

belastingzaken (Wet ARB), was 13 maart 1998 de laatste dag van de

beroepstermijn. Aangezien het beroepschrift in cassatie bij de

CRvB op 25 maart is binnengekomen, is het niet tijdig ingediend.

De griffier heeft de gemachtigde van belanghebbende ter zake niet

om opheldering verzocht. In de uitspraak van de CRvB is vermeld

dat beroep in cassatie kan worden ingesteld binnen twee maanden

nadat het afschrift van de uitspraak ter post is bezorgd. De

gemachtigde van belanghebbende zal daarom vermoedelijk ervan zijn

uitgegaan dat de termijn voor het indienen van het beroep in

cassatie op 30 maart 1998 eindigde.

2.2. In Van Wijk, Hoofdstukken van administratief recht, tiende,

geheel herziene druk door W. Konijnenbelt en R.M. van Male,

hoofdstuk 13, is te lezen:

"37 Verschoonbare termijnoverschrijding - Artikel 6:11 Awb bepaalt

dat niet-ontvankelijkverklaring van een na afloop van de termijn

ingediend bezwaar- of beroepschrift achterwege blijft indien

redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat de indiener in

verzuim is geweest.(?)

Twee groepen van situaties zijn hierbij te onderscheiden. In de

eerste plaats die waarin het verzuim aan de indiener moet worden

toegerekend; in de tweede plaats die waarin toerekening aan de

administratie behoort plaats te vinden.

(?)

Voor rekening van het bestuur komt een ontbrekende of gebrekkige

rechtsmiddelvoorlichting, het verzuim bij de bekendmaking of

mededeling van het besluit melding te maken van de mogelijkheid

van bezwaar of beroep (artikelen 3:45, 6:23, 7:12, vierde lid en

7:26, vijfde lid, Awb). Niettemin moet hierbij volgens de MvT<(1) Ik verwijs in dit verband naar PG Awb I blz. 299 lk.

> ook

rekening worden gehouden met de mate van deskundigheid die de

indiener van het bezwaar- of beroepschrift heeft."

2.3. In HR 15 februari 1995, nr. 30 089, BNB 1995/96, is

overwogen;

"3. (?) Vaststaat dat aan belanghebbende in de door het Hof met

uitspraak van het Hof meegezonden brief is medegedeeld dat het

beroep in cassatie wordt ingesteld binnen twee maanden nadat het

afschrift van de uitspraak van het Hof ter post is bezorgd.

Aangezien blijkens het tot de stukken van het geding behorende

afschrift van de uitspraak van het Hof dit op 11 januari 1994 ter

post is bezorgd, is belanghebbende ervan uitgegaan dat de termijn

voor het indienen van het beroep in cassatie op 11 maart 1994

eindigde. Onder deze omstandigheden kan redelijkerwijs niet worden

geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest."

2.4. In de conclusie van A-G Loeb bij HR 8 juli 1997, nr. 278, RSV

1997/266, § 3.1, is vermeld:

"Het beroepschrift in cassatie is in elk geval niet binnen

daartoe gestelde termijn ingediend.

De griffier heeft de gemachtigde van [belanghebbende] ter zake

niet om opheldering verzocht.

Uit de stukken van het geding blijkt niet dat de CRvB, zoals

artikel 8:77, lid 1, onder f, Awb, eveneens ingevolge artikel 21

van de Beroepswet van overeenkomstige toepassing, voorschrijft,

heeft aangegeven, dat en binnen welke termijn cassatieberoep kon

worden ingesteld. Hierop lettend en in aanmerking nemend dat de

termijn voor het indienen van een beroepschrift in cassatie vóór

1994 twee maanden bedroeg, meen ik dat redelijkerwijs niet kan

worden geoordeeld dat [belanghebbende] in verzuim is geweest in de

zin van artikel 6:11 Awb [noot: Vgl. HR 15 februari 1995, nr. 30089, BNB

1995/96 voor een geval waarin een onjuiste mededeling werd gedaan omtrent

de termijn voor het instellen van cassatieberoep. In dat verband valt in

deze zaak op te merken dat onder een eveneens op 17 december 1993 door de

CRvB uitgesproken uitspraak (bij Uw Raad aanhangig onder nr. 277), waarin

dezelfde gemachtigde optrad, een termijn van twee maanden is vermeld.],

zodat niet-ontvankelijkverklaring wegens het na afloop van de

termijn indienen van het beroepschrift in cassatie achterwege moet

blijven. [noot: Zie voor een andere benadering: HR 4 oktober 1996, nr.

8793, [NJ 1997/63], na conclusie van de A-G Asser waarin (de Eerste Kamer

van) Uw Raad overwoog dat de onjuiste "Rechtsmittelbelehrung"

verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding opleverde, gelet op de

deskundigheid van de optredende gemachtigde. Mij lijkt dit te zeer

gesubjectiveerd.]"

2.5. In RSV 1997/266 gaat Uw Raad niet in op de kwestie van de

ontvankelijkheid. Kennelijk was Uw Raad met de A-G van oordeel dat

art. 6:11 Awb kon worden toegepast, omdat de termijnoverschrijding

verschoonbaar was. Mede gelet op BNB 1995/96 ben ik dan ook van

mening dat belanghebbende in zijn beroep in cassatie kan worden

ontvangen.

2.6. Ik heb mij nog afgevraagd of daaraan - zoals in NJ 1997, 63 -

zou moeten afdoen dat belanghebbende werd bijgestaan door een

advocaat, van wie niet alleen redelijkerwijs mag worden verwacht

dat hij op de hoogte is van de geldende cassatietermijn maar ook

dat hij zich niet van de wijs laat brengen door een onjuiste

rechtsmiddelverwijzing. Een bevestigend antwoord impliceert dat

een belanghebbende met een onwetende advocaat slechter af zou zijn

dan een belanghebbende zonder advocaat en dat acht ik uit oogpunt

van rechtsbescherming niet aanvaardbaar. Bovendien zou telkenmale

de deskundigheid van de rechtshulpverlener moeten worden getoetst

en dat is onbegonnen werk op een rechtsgebied waar geen verplichte

procesvertegenwoordiging geldt en vogels van diverse pluimage hun

diensten aanbieden, terwijl doorgaans een adequate, in een

publiekrechtelijke regeling neergelegde tuchtrechtspraak

ontbreekt. NJ 1997, 63 verdient in sociale zekerheids- en

belastingzaken dan ook geen navolging.

3. Niet-ingezeten verzekerden voor de AKW

3.1. Art. 6 van de Algemene Kinderbijslagwet<(2) Stb. 1962, 160.

> (AKW) (tekst 1993<(3) Ingevolge de wet van 27 april 1989, Stb. 127, luidt de tekst aldus sinds

1 jan. 1990. Bij wet van 26 maart 1998, Stb, 203 (Koppelingswet) is dit

artikel gewijzigd.

>)

luidt

"1. Verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet is degene,

die

a. ingezetene is;

b. geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland in

dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is

onderworpen.

2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, in

afwijking van het eerste lid, uitbreiding dan wel beperking worden

gegeven aan de kring der verzekerden."

3.2. In de MvT<(4) Kamerstukken II 1957/58, 4953, nr. 3, blz. 25 rk.

> is vermeld:

"In het onderhavige wetsontwerp is (?) in artikel 6

omschrijving van degenen, die tot de verzekerden behoren, gelijk

aan de overeenkomstige omschrijving in artikel 6 van de Algemene

Ouderdomswet. Slechts op één punt bestaat tussen de gebezigde

omschrijving van de kring der verzekerden een afwijking. Deze

afwijking betreft de duur van de verzekeringsperiode. In de

Algemene Ouderdomswet is bepaald, dat men verzekerd is van de 15-

jarige tot de 65-jarige leeftijd; in het ontwerp-Algemene

Kinderbijslagwet loopt de verzekeringsduur van de 15-jarige

leeftijd af onbeperkt door."

3.3. In de MvT<(5) Kamerstukken II 1954/55, 4009, nr. 3, blz. 28.

> inzake de Algemene Ouderdomswet (Stb. 1956, 281) is

vermeld:

"(blz. 28, rk) d. Niet-ingezetenen

De opzet van de regeling brengt mede, dat in beginsel ieder, die

hier te lande woont, verzekerd zal dienen te zijn. Voorts zullen

ook degenen, die niet hier te lande, hun woonplaats hebben, doch

die hier te lande als werknemer werkzaam zijn, onder de

verzekering dienen te vallen. Met name wordt hier gedacht aan de

grensarbeiders. Internationaal wordt immers algemeen als

gedragslijn aanvaard, dat een werknemer zijn pensioen opbouwt in

het land, waar hij werkt. Het opnemen in de verzekering van alle

hier te lande werkzame werknemers is bovendien wenselijk ter

vermijding van ongelijke concurrentie-verhoudingen, welke zouden

ontstaan, indien niet-ingezetenen van de verzekering en derhalve

van de daaraan verbonden premiebetaling zouden worden vrijgesteld.

(?).

(blz. 54, rk) Aangezien de premie-inning voor de loontrekkenden

zal geschieden op analoge wijze als is voorgeschreven voor de

inning van de loonbelasting, is in het eerste lid onder b,

enerzijds door het vereiste van het onderworpen zijn aan de

loonbelasting, anderzijds door het woord "dienstbetrekking",

aansluiting gezocht bij de terminologie van de artikelen 2 en 3

van het Besluit op de Loonbelasting 1940. Van onderworpen zijn aan

de loonbelasting is ook sprake, wanneer ten aanzien van een

loonbelastingplichtige op grond van een verdrag, ter voorkoming

van dubbele belastingheffing, de feitelijke heffing van

loonbelasting ingevolge de Nederlandse wet achterwege blijft.

Ten aanzien van het begrip "dienstbetrekking" dient te worden

opgemerkt, dat het onderhavige wetsontwerp alleen het grondbegrip

"dienstbetrekking" met het Besluit op de Loonbelasting 1940 gemeen

heeft. De in dat Besluit genoemde gevallen, waarin men steeds

geacht wordt zijn arbeid in dienstbetrekking te verrichten, zijn in

dit wetsontwerp niet overgenomen.

Zo bepaalt artikel 2, eerste lid, onder b, van het Besluit op de

Loonbelasting 1940, dat aan de loonbelasting onderworpen zijn de

niet binnen het Rijk wonende bestuurders en commissarissen van

vennootschappen, verenigingen en maatschappijen, welke binnen het

Rijk zijn gevestigd. Artikel 3, tweede lid van meergenoemd Besluit

bepaalt, dat commissarissen van vennootschappen, verenigingen en

andere rechtspersonen, steeds geacht worden hun arbeid als zodanig

in dienstbetrekking te verrichten. Ten aanzien van genoemde

personen is voor de loonbelastingheffing derhalve niet vereist,

dat zij in feite in dienstbetrekking werken. Zij zijn, ook als ze

niet in dienstbetrekking werkzaam zouden zijn, toch onderworpen

aan de loonbelasting. Artikel 6, eerste lid, onder b, van het

onderhavige wetsontwerp is evenwel slechts dan op hen van

toepassing, indien een werkelijke dienstbetrekking aanwijsbaar is.

Voorts dient nog te worden opgemerkt, dat de in de artikelen 2 en

3 van het Besluit op de Loonbelasting voorkomende term "vroeger

verrichte arbeid" niet is overgenomen, zodat het in artikel

eerste lid, onder b, van het wetsontwerp bepaalde zich niet

uitstrekt tot degenen, die terzake van vroeger binnen het Rijk

verrichte arbeid pensioen genieten.

Door de aangegeven afwijkingen van het Besluit op de Loonbelasting

1940 wordt bereikt, dat van de niet-ingezetenen slechts zij, die

werkelijk tot de categorie der loontrekkenden behoren, door de

onderhavige bepaling in de verzekering worden opgenomen."

3.4. Het voorgaande maakt duidelijk dat, wil een niet-ingezetene

op de voet van art. 6, lid 1, aanhef en onderdeel b, AKW verzekerd

zijn, hij aan de loonbelasting moet zijn onderworpen op grond van

een actuele, daadwerkelijk in Nederland uitgeoefende

dienstbetrekking.

3.5. Niet-ingezetenen kunnen vervolgens nog wel als verzekerden

worden aangemerkt ingevolge het (mede) op het tweede lid van art.

6 AKW gebaseerde Besluit uitbreiding en beperking kring

verzekerden volksverzekeringen 1989.<(6) Voor de volledigheid merk ik op dat het Algemeen Verdrag inzake Sociale

Zekerheid tussen het Koninkrijk Der Nederlanden en het Koninkrijk

Marokko, alleen ziet op werknemers en daarmee gelijkgestelden, waaronder

VUT-ters niet zijn begrepen.

>

4. Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden

volksverzekeringen 1989 (KB 164)

4.1. De Sociale Verzekeringsraad heeft op 25 februari 1986,

kenmerk 86/1101, aan de Staatssecretaris van Sociale Zaken en

Werkgelegenheid een advies uitgebracht inzake de voorgenomen

wijziging van het Besluit uitbreiding en beperking kring

verzekerden volksverzekeringen (KB van 19 oktober 1976, Stb. 557,

kortweg KB 557). Met betrekking tot de niet in dat besluit

voorkomende groep van niet-ingezetenen met een VUT-uitkering is in

dat advies te lezen:

"7.4. Vut-uitkeringen of equivalenten daarvan

Mede naar aanleiding van de behandeling van de problematiek rond

artikel 1, eerste lid sub k, alsmede artikel 2, eerste lid, sub c

(en d), van het KB 557 (niet-ingezetenen met AOW-uitkering resp.

ingezetenen met buitenlandse ouderomsuitkeringen c.q. Belgische

mijnwerkers-rustpensioenen) heeft de Raad zich afgevraagd of er

eventueel aanleiding zou kunnen bestaan om de gerechtigden tot

zgn. VUT-uitkeringen eveneens in het KB 557 te betrekken. Dit moet

aldus worden verstaan dat de vraag is opgeworpen:

1 of er verplichte verzekering ingevolge de

volksverzekeringswetten ingevoerd zou moeten of kunnen worden ten

aanzien van niet-ingezetenen die gebruik hebben gemaakt van een

Nederlandse regeling inzake vrijwillig vervroegde uittreding c.q.

enige jaren vóór het bereiken van de 65-jarige leeftijd een VUT-

uitkering gaan genieten en dus niet meer aan het Nederlandse

arbeidsproces deelnemen, met als variant daarop degenen die reeds

een aantal jaren vóór genoemde leeftijd de arbeid in Nederland

beëindigen en functioneel leeftijdsontslag bekomen met vervroegde

pensionering. Een en ander kan zowel betrekking hebben op

grensarbeiders (in België of Duitsland wonend, in Nederland

gewerkt) als op ingezetenen (Nederlanders) die zich met bedoelde

uitkeringen metterwoon in het buitenland vestigen.

2 (?).

De Raad is ten aanzien van de situatie ad 1 van mening dat er géén

aanleiding bestaat de hierbedoelde personen, die vrijwillig

vervroegd uittreden en een op privaatrechtelijke regelingen

gebaseerde VUT-uitkering ontvangen, bij wonen buiten het Rijk in

de verplichte verzekering te betrekken, hetgeen ook geldt ten

aanzien van personen die via functioneel leeftijdsontslag op

privaatrechtelijke basis met vervroegd pensioen zijn gegaan, zoals

in sommige beroepen of ondernemingen voorkomt. De uitbreiding van

de kring van verzekerden ten aanzien van onder meer gerechtigden

tot langlopende Nederlandse uitkeringen wegens leeftijd wenst de

Raad beperkt te houden tot de wettelijke uitkeringen; een nog

verdergaande uitbreiding van de kring acht hij niet of minder

gewenst. Ook internationaal-rechteliijk bezien acht de Raad dit

standpunt verdedigbaar, waarbij wordt opgemerkt dat betrokkenen in

aansluiting op hun verplichte verzekering desgewenst een

vrijwillige verzekering AOW/AWW kunnen sluiten voor de resterende

periode tot het 65e jaar."

4.2. Aan de Tweede Kamer is door de Staatssecretaris van Sociale

Zaken en Werkgelegenheid bij brief van 27 augustus 1986 een nota

aangeboden inzake herziening van KB 557. Hierin is vermeld<(7) Kamerstukken II 1985/86, 19 615, nrs. 1-2, blz. 65.

>:

"§ 5.3. VUT-uitkeringen of daarmee gelijk te stellen uitkeringen

SVr-advies

In zijn advies werpt de SVr de vraag op of enerzijds verplicht

verzekerd moeten blijven niet-ingezetenen die gebruik maken van

een Nederlandse regeling inzake vrijwillig vervroegde uittreding,

vervroegd pensioen, functioneel leeftijdsontslag e.d. en

anderzijds van de verzekering moeten worden uitgezonderd

ingezetenen, die een buitenlandse VUT-uitkering, vervroegd

pensioen of equivalent daarvan ontvangen.

De Raad ziet ten aanzien van de uitbreiding van de kring van

verzekerden geen aanleiding de hiervoor bedoelde personen

verzekerd te houden. Hij baseert zijn standpunt op het feit dat

het om privaatrechtelijke regelingen gaat; de Raad wil de

uitbreiding beperkt houden tot wettelijke regelingen. (?).

Kabinetsstandpunt

Het advies van de SVr en de gebruikte argumenten, kunnen worden

onderschreven, evenwel onder de voorwaarden die het kabinet er aan

geeft.

Ook het kabinet wenst de uitbreiding en beperking van de kring van

verzekerden ingevolge de volksverzekeringen te beperken tot

gevallen, waarin het gaat om uitkeringen krachtens wettelijke

regelingen. Deze bieden in de regel meer waarborgen dan

privaatrechtelijke regelingen met betrekking tot de duur en hoogte

van de uitkering."

4.3. Uit het Verslag van de Vaste Commissie voor Sociale Zaken en

Werkgelegenheid blijkt dat onder andere de volgende vraag is

gesteld<(8) Kamerstukken II 1986/87, 19 615, nr. 3, blz. 5.

>:

"32

Kunnen niet-ingezetenen die gebruikmaken van een Nederlandse

regeling inzake vrijwillig vervroegd uittreden, functioneel

leeftijdsontslag, etc., in de visie van de staatssecretaris

vrijwillig hun AOW/AWW verzekering voortzetten? (?)."

4.4. Hierop is van regeringszijde in de Nota naar aanleiding van

het verslag geantwoord<(9) Kamerstukken II 1986/87, 19 615, nr. 4, blz. 12.

>:

"32

De niet-ingezetene die uit hoofde van zijn in Nederland in

dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is

onderworpen, is verplicht verzekerd krachtens de

volksverzekeringen.

De Nederlandse dienstbetrekking en daarmede de Nederlandse

verzekeringsplicht eindigt zodra die persoon gebruik maakt van een

regeling inzake vrijwillig vervroegd uittreden of inzake

functioneel leeftijdsontslag.

Een ieder die niet langer verplicht verzekerd is krachtens de

volksverzekeringen kan zich, ongeacht zijn nationaliteit, binnen

één jaar na beëindiging van die verplichte verzekering, vrijwillig

verzekeren ingevolge de AOW en de AWW. Deze mogelijkheid bestaat

reeds op grond van de huidige wetgeving.

(?)."

4.5. In een Lijst van vragen is vervolgens te lezen<(10) Kamerstukken II 1987/88, 19 615 nr. 12, blz. 2.

>:

"14. Wordt onder artikel 7 of onder artikel 8 ook begrepen een

Nederlandse VUT-uitkering? En hoe is dit geregeld voor personen

met vervroegd pensioen krachtens een bedrijfs- of

ondernemingspensioenregeling?"

4.6. Hierop is in de lijst van antwoorden als volgt gereageerd<(11) Kamerstukken II 1987/88, 19 615, nr. 13, blz. 8.

>;

"In de artikelen 7 en 8 wordt niet gesproken over Nederlandse VUT-

uitkeringen of uitkeringen in het kader van vervroegde

pensionering. Bij het verlenen van deze uitkeringen is er geen

sprake van een tijdelijke onderbreking van de in Nederland

verrichte arbeid in de zin van artikel 7.

Personen in het buitenland met dergelijke uitkeringen worden niet

op grond van artikel 8 verplicht verzekerd gehouden voor de

volksverzekeringen. Artikel 8 beperkt zich tot een opsomming van

uitkeringen die krachtens wettelijke sociale

verzekeringsregelingen worden verleend. Het ligt niet in mijn

voornemen de verplichte verzekering uit te breiden tot niet-

ingezetenen die uitkeringen ontvangen op grond van

privaatrechtelijke afspraken met bij voorbeeld een voormalige

werkgever."

4.7. Tijdens de beraadslagingen in de UCV is door mevr. Groenman

(D66) nog opgemerkt<(12) Handelingen II 20 mei 1987, UCV 73-13 lk.

>:

"ik [wil] nog een vraagteken zetten bij de VUT-regelingen voor

deze werknemers. Het standpunt dat alleen verzekeringsplicht kan

bestaan op grond van wettelijke regelingen, vind ik wat

gekunsteld. Dat geldt zowel voor de uitbreiding als voor de

beperking. Wat het eerste betreft: wat is er tegen om mensen die

naar het buitenland vertrekken, verzekerd te houden krachtens de

AOW, de ten aanzien van deze groep meest relevante verzekering?"

4.8. In de schriftelijke reactie van Staatssecretaris De Graaf is

geantwoord<(13) Handelingen II 25 mei 1987, UCV 74-21 mk en rk.

>:

"16

Zowel ten aanzien van de uitbreidingskant als van de

beperkingskant van de kring van verzekerden heeft het kabinet in

de beleidsnota als standpunt ingenomen, dat privaatrechtelijke

regelingen niet bij de beoordeling van iemands verzekeringspositie

dienen te worden betrokken. Dit heeft onder meer consequenties

voor buitenlanders die een Nederlandse dan wel Nederlanders die

een buitenlandse VUT-uitkering ontvangen. Dit standpunt wordt door

de SVr gedeeld en ook internationaalrechtelijk verdedigd. Bij

beoordelingen van de toepasselijkheid van de sociale

verzekeringswetgeving van één bepaald land ligt het niet voor de

hand niet-wettelijke aanspraken te betrekken. Dat geldt zowel voor

VUT-uitkeringen, als ook bijvoorbeeld voor andere (secundaire)

arbeidsvoorwaarden, vermogensposities e.d. Indien een dergelijk

onderscheid niet zou worden gemaakt, zou de verzekeringssituatie

onderworpen zijn aan (mogelijk) telkens wisselende omstandigheden

in inkomensposities, exclusief de wettelijke sociale

uitkeringscomponenten. Bovendien ontstaat een systeem van

coördinatieregels, dat vele uitvoeringstechnische problemen

oproept."

4.9. Tijdens de bijeenkomst van de Vaste Commissie is door de

Staatssecretaris nog gesteld<(14) Handelingen II 25 mei 1987, UCV 74-16 mk.

>:

"Mevrouw Oomen vraagt nogmaals waarom mensen met een VUT-uitkering

niet worden meegenomen. Ik heb mijn argumenten hiervoor al

schriftelijk gegeven. Wat moet ik er nog meer van zeggen? Ik

verwijs naar mijn schriftelijke reactie."

4.10. Mevrouw Oomen-Ruijten repliceerde<(15) Handelingen II 25 mei 1987, UCV 74-16 mk.

>:

"De staatssecretaris heeft daarbij niet gereageerd op mijn vraag

over de pensioenuitkeringen. Immers, ook in het buitenland kent

men bedrijfspensioenen en die zijn natuurlijk wel vast. Het

probleem blijft zich voordoen zolang hij niet ook voor deze

categorie vaststelt dat er geen premieplicht is."

4.11. De Staatssecretaris beëindigde de discussie met<(16) Handelingen II, 25 mei 1987, UCV 74-16 mk.

>:

"Ik heb er in mijn schriftelijk antwoord al op gewezen dat wij

maken hebben met verzekeringen en verplichte verzekeringen. Dat is

iets anders dan VUT-regelingen. Op dit

ogenblik heb ik daaraan niets meer toe te voegen."

4.12. In het op 1 juli 1989 inwerking getreden Besluit uitbreiding

en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1989 (KB 164) is

in art. 8 bepaald welke personen die buiten Nederland zijn gaan

wonen, verzekerd blijven ingevolge de volksverzekeringen. Tot die

opsomming van personen behoren inderdaad niet VUT-gerechtigden.

Dat was ook wel te verwachten, gelet op het standpunt van de

Regering in het voorafgaande overleg met de Tweede Kamer. In de

nota van toelichting bij KB 164 wordt aan niet-ingezetenen met een

VUT-uitkering geen aandacht meer besteed met dien verstande dat

onder "Algemeen" is opgemerkt:

"(blz. 13) De volgende hoofdlijnen zijn in het onderhavige besluit

te onderkennen.

Uitbreiding van de kring van verzekerden vindt thans in de regel

plaats ten aanzien van personen, die met Nederland in het verleden

een band hebben gehad in de vorm van verzekering ingevolge de

volksverzekeringen.

Met betrekking tot deze uitbreiding tot buiten Nederland wonende

personen zijn tot nu toe de volgende redenen te onderscheiden:

- het wonen in het buitenland is van tijdelijke aard, zodat een

onderbreking van de verzekering voor korte duur niet zinvol is, en

- er ontbreekt een adequate buitenlandse voorziening of deze is

onvol (blz. 14) ledig, terwijl een bepaalde band met Nederland is

blijven bestaan (ontvangen van een Nederlandse uitkering).

Voorgesteld wordt in het vervolg strikter vast te houden aan het

uitgangspunt dat bij vertrek uit Nederland in beginsel de

verzekering eindigt.

Een uitzondering willen de ondergetekenden slechts maken voor

degenen van wie de verzekering kort wordt onderbroken. Met name

zouden dan blijvend buiten Nederland wonende personen, die een

langlopende Nederlandse sociale verzekeringsuitkering ontvangen,

niet langer verplicht verzekerd zijn.

Zoals gezegd zullen ten aanzien van deze categorie van personen

echter de ontwikkelingen in EG-verband worden afgewacht."

4.13. Het KB 164 leidt derhalve alleen voor niet-ingezetenen met

een publiekrechtelijke sociale zekerheidsuitkering<(17) Dit geldt overigens niet voor alle sociale zekerheidsuitkeringen. In HR

2 juli 1997, nr. 282, RSV 1997/240, is geoordeeld dat het KB 164 beperkt

uitgelegd moet worden en dat een uitkering ingevolge de Toeslagenwet niet

in ogenschouw kan worden genomen bij de vaststelling of een sociale

zekerheidsuitkering van voldoende omvang wordt genoten.

> (met een

bepaalde omvang) tot verzekeringsplicht voor de volksverzekeringen

in Nederland, maar niet voor niet-ingezetenen met een

privaatrechtelijke uitkering, zoals een VUT-uitkering<(18) Ook in het op 1 januari 1999 in de plaats van voornoemd KB 164 inwerking

getreden Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden

volksverzekeringen 1999 (KB 746) vallen VUT-gerechtigden buiten de

uitbreiding. Sterker nog, in KB 746 is ook geen sprake meer van verzekerd

zijn voor de volksverzekeringen van niet-ingezetenen met een uitkering

ingevolge de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving. Wel is in art. 27

een overgangsbepaling opgenomen op grond waarvan deze personen voor de

AKW verzekerd blijven indien zij dat reeds waren, tot het tijdstip waarop

het jongste kind de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt.

>.

5. De middelen

5.1. De Rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende in de

betrokken periode niet in Nederland woonde en hij dus geen

ingezetene was. De CRvB heeft zich met dat oordeel verenigd.

Voorafgaand aan de middelen, als het ware in de considerans van

het beroepschrift, geeft belanghebbende een korte samenvatting van

de zaak, waarin ik lees dat hij betwist dat hij zijn woonplaats

van Nederland naar Marokko heeft verplaatst. Daaruit begrijp ik

dat hij klaagt over 's Raads oordeel dat hij in de betrokken

periode geen ingezetene in de zin van art. 6, lid 1, aanhef en

onderdeel a, AKW was.

5.2. De klacht faalt aangezien dat oordeel niet blijk geeft van

een onjuiste rechtsopvatting en voor het overige als van

feitelijke aard en niet onbegrijpelijk in cassatie onaantastbaar

is.

5.3. Middel I gaat uit van de opvatting dat een niet-ingezetene

met een VUT-uitkering, zijnde een uitkering die wordt genoten als

gevolg van het verrichten van arbeid in dienstbetrekking, die is

onderworpen aan de loonbelasting, voor de AKW is verzekerd

ingevolge art. 6, lid 1, aanhef en onderdeel b, AKW.

5.4. Zoals hiervoor in § 3.4 is geconcludeerd, is die opvatting

onjuist. Onderdeel b is alleen van toepassing op actieve

werknemers met loon uit een actuele, daadwerkelijk in Nederland

uitgeoefende dienstbetrekking en niet op post-actieve werknemers

die loon genieten uit een vroegere dienstbetrekking. In dit

verband wijs ik erop dat - naar van algemene bekendheid is - een

voorwaarde voor deelneming aan een VUT-regeling is dat de

dienstbetrekking wordt beëindigd<(19) Zie hiervoor: C.W.M. van Ballegooijen, De VUT-regelingen en de

loonbelasting, WFR 23 augustus 1979, nr. 5416, blz. 877 ev. en W.

Rodenhuis, Kluwer belastingwijzers 8, VUT en fiscus, hfst. 1.5.

>. Dat belanghebbendes

dienstbetrekking is geëindigd ligt overigens besloten in de

feitelijke vaststellingen van Rechtbank en CRvB dat:

"(e)iser (?) van 28 februari 1973 tot 1 augustus 1992 (heeft)

gewerkt bij Van Broekhoven B.V. te Utrecht" en dat "(hij

ingang van laatstgenoemde datum (?) met de VUT (is) gegaan en

vervolgens [is] vertrokken naar Marokko, waar hij het merendeel

van zijn tijd heeft doorgebracht".

5.5. Middel I kan derhalve niet tot cassatie leiden.

5.6. In middel II wordt betoogd dat sprake is van schending van

internationaalrechtelijke antidiscriminatiewetpalingen nu de

Besluitgever VUT-gerechtigden buiten de kring van in art. 8 KB 164

genoemde verzekerden heeft gehouden. Het middel faalt aangezien

een gerechtigde tot een privaatrechtelijke VUT-uitkering - mede

gelet op doel en strekking van KB 164 (zie § 4 hiervoor) - niet

vergelijkbaar is met een gerechtigde tot één van de in art. 8 KB

164 genoemde publiekrechtelijke sociale verzekeringsuitkeringen<(20) In dit verband wijs ik erop dat op verzoek van de CRvB namens de

Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid schriftelijke informatie

verschaft, waarop door partijen schriftelijk is gereageerd. Van de zijde

van de Sociale Verzekeringsbank is dienaangaande in haar brief van 5

september 1997 aangevoerd:

"Het antwoord dat u op uw vraagstelling heeft gekregen van het Min. van

SoZa is naar onze mening alleszins duidelijk. Het verzekerd blijven met een

VUT-uitkering is expliciet aan de orde geweest. Duidelijk is dat het

kabinet zich toentertijd wilde beperken tot wettelijke regelingen, een

privaatrechtelijke regeling zoals die van een VUT-uitkering paste niet in

dat beeld. De SVB is evenwel van mening dat zeker een VUT-uitkering gezien

moet worden als een "beloning" voor de staat van dienst van iemand, daarbij

past ook het verzekerd blijven, uiteraard mits men onderworpen blijft aan

de loonbelasting. De SVB is verder van mening dat een voorstel van deze

strekking naar de huidige omstandigheden (terugtrekkende

overheidsbemoeienis en de daarmee gepaard gaande toename van

privaatrechtelijke regelingen) een grotere kans van slagen zou hebben

gehad. Misschien is het de moeite waard om de kwestie alsnog aan de orde te

stellen."

Aldus heeft belanghebbende steun uit onverwachte hoek gekregen, evenwel -

wat mij betreft - tevergeefs.

>.

Bovendien zijn er goede gronden aangevoerd om de VUT-uitkeringen

buiten de uitbreiding te houden zodat, mocht toch sprake zijn van

gelijke gevallen, voor de ongelijke behandeling een redelijke

rechtvaardiging bestaat.

5.7. Overigens is het zo dat van regeringszijde werd beoogd de

kring van verzekerden voor de volksverzekeringen niet uit te

breiden met niet-ingezetenen die niet voor een korte duur

buitenslands zouden verblijven. Dat in het KB 164 ook andere niet-

ingezetenen tot de kring van verzekerden worden gerekend komt

omdat de Tweede Kamer hierop heeft aangedrongen aangezien men van

mening was dat daartoe een verplichting bestond op grond van het

arrest van het HvJ EG 12 juni 1986, de zaak 302/84 (Ten Holder,

RSV 1987/24). Later is gebleken dat die opvatting onjuist is.<(21) Zie het sinds 29 juli 1991 toegevoegde tweede lid, onderdeel f, van art.

13 van de EG V0 1408/71 en de arresten van HvJ EG 21 februari 1991

(Daalmeijer en Noij), RSV 1991/200-201 m.nt. F.W.M. Keunen.

>

5.8. Middel II wordt derhalve eveneens tevergeefs voorgesteld.

6. Conclusie

Ik concludeer tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der

Nederlanden

A-G