Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:1999:AA2739

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
21-04-1999
Datum publicatie
13-08-2001
Zaaknummer
33359
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1999:AA2739
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:61
Algemene wet bestuursrecht 8:64
Wet op de rechterlijke organisatie 71
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 1999/623
BNB 1999/232
FED 1999/288
WFR 1999/562, 1
V-N 1999/35.6
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 33.359 Mr Ilsink

Derde Kamer B Conclusie inzake:

Onroerende zaakbelasting 1994 X

tegen

Parket, 4 november 1998 Het College van burgemeester

en wethouders van de

gemeente Bloemendaal

Edelhoogachtbaar College,

1. Inleiding

1.1. Dit op het oog eenvoudige waardegeschil zou mij geen

aanleiding hebben gegeven tot het nemen van een conclusie als er

niet op enig moment een procesrechtelijke complicatie was

opgetreden. Wat is het geval? Het Gerechtshof te Amsterdam

(hierna: het Hof) heeft aan deze enkelvoudig ingedeelde zaak twee

zittingen gewijd, waarbij de eerste mondelinge behandeling door

een andere rechter werd gedaan dan de tweede. Vragen die dan

rijzen zijn of de tweede rechter eigenlijk wel weet wat zich op de

eerste zitting heeft afgespeeld, en zo ja, hoe hij dan aan die

wetenschap komt, en zo neen, of hij dan niet het onderzoek ter

terechtzitting (de mondelinge behandeling dus) opnieuw moet doen

aanvangen. Anders gesteld is de vraag op welke wijze gewaarborgd

is dat hetgeen door partijen op de eerste zitting is aangevoerd

ook werkelijk bij de totstandkoming van de uitspraak door de

tweede rechter wordt meegewogen. Hier is het beginsel van een

behoorlijke procesorde in het geding en in dat licht wil ik mijn

conclusie stellen.

1.2. Bij het bestuderen van het dossier stuitte ik nog op enkele

andere procesrechtelijke kwesties die deels met het zojuist

geschetste probleem samenhangen. In de uitspraak waarvan cassatie

staat dat belanghebbende op de eerste zitting een pleitnota heeft

voorgedragen en overgelegd. Deze pleitnota trof ik echter niet aan

bij de stukken. Evenmin trof ik in het dossier aan dat wat

gemeenlijk wordt genoemd de correspondentie tussen Hof en

partijen; ik doel hier op oproepingen, verzoeken om uitstel e.d.

Met de gewaardeerde medewerking van de coördinerend vice-president

van de belastingsector van het Hof, mr. H. Smit, heb ik het

dossier kunnen completeren. Ik heb van de gelegenheid gebruik

gemaakt nog enige aanvullende informatie te verkrijgen over de

vorming en bezetting van de belastingkamers van het Hof. De aldus

verzamelde stukken voeg ik bij deze conclusie. Allicht ten

overvloede moge ik Uw Raad erop wijzen dat deze stukken

<

?

>

vertrouwelijke informatie bevatten, die niets met de onderhavige

zaak heeft te maken en die dus bij toezending van deze conclusie

aan partijen - en eventueel te zijner tijd aan de

publiciteitsmedia - moet worden verwijderd.

1.3. Aldus voeg ik de volgende stukken bij.

1.3.1. Een geleidebrief van 19 februari 1998 van de

Belastinggriffie van het Hof met - zoals in die brief staat -

"pleitnota inzake X". Het gaat hier om een handgeschreven stuk van

vijf bladzijden, waarop niet staat van wie het afkomstig is en ook

niet wanneer het in het geding is gebracht<(1) Niettemin ga ik ervan uit dat het hier inderdaad de tijdens de eerste

mondelinge behandeling van de zaak door belanghebbende voorgedragen

pleitnotities betreffen.

>. Voorts vermeldt de

brief: "De pleitnota van de inspecteur van de zitting van 7-11-

1996 is niet in het dossier te vinden<(2) Ik ga ervan uit dat die pleitnota zich al in het door het Hof aan Uw

Raad gezonden dossier bevindt; ik doel hier op het als 7 genummerde stuk

d.d. 15 augustus 1996 van de hand van makelaar A, welk stuk - naar ik

moet aannemen - tijdens de tweede mondelinge behandeling van de zaak

namens het College is voorgedragen. Net als voor de pleitnotities van

belanghebbende geldt ook voor de pleitnota van het College dat de

griffier ten onrechte heeft nagelaten daarop aan te tekenen wie het stuk

wanneer heeft geproduceerd.

>".

1.3.2. Een namens mij geschreven brief van 18 maart 1998, waarin

mr. Smit nadere inlichtingen worden gevraagd.

1.3.3. Een namens mr. Smit geschreven brief van 28 april 1998,

waarin de gevraagde inlichtingen worden verstrekt. De brief luidt

als volgt:

"1. De eerste behandeling vond plaats op 5 maart 1996 door

Groeneveld die van 1 september 1996 tot 1 september 1997 niet bij

ons hof werkzaam was. Na de schriftelijke behandeling is de zaak

daarom door mr Holdert op 7 november 1996 behandeld en op 18 april

1997 afgedaan. Mr Holdert heeft de zaak vermoedelijk bij

ontstentenis van mr Groeneveld met toepassing van art. 4, lid 4

WARB verwezen naar de enkelvoudige kamer, echter zonder dit in de

uitspraak te vermelden of elders vast te leggen. Ook was denkbaar

geweest dat hij de zaak als plv. lid van de 7e enkelvoudige kamer

zou hebben behandeld. Wat precies is beoogd valt niet meer na te

gaan zodat van de eerste genoemde mogelijkheid moet worden

uitgegaan.

Mr Holdert heeft slechts kennis genomen van de gedingstukken en de

ter eerste zitting overgelegde pleitnota.

2. Bij besluit van de collegevergadering wordt telkenjare de

samenstelling van de meervoudige belastingkamers vastgesteld. Dit

geschiedt op voorstel van het Dagelijks Bestuur en na een interne

consultatieronde; in feite is daardoor sprake van een hamerstuk.

In de notulen van de vergadering wordt slechts vastgelegd dat het

voorstel inzake de kamerindeling is aangenomen.

In de betreffende periode was mr Holdert voorzitter van de vierde

meervoudige kamer en mr Groeneveld oudste raadsheer van die kamer.

3. Aldus staat telkenjare vast welke leden van het college in de

belastingsector werkzaam zijn. Al deze leden zijn tevens lid van

een enkelvoudige belastingkamer. De vraag wie lid van welke

enkelvoudige kamer is is de laatste jaren bij besluit van de vier

voorzitters van de meervoudige kamers, na overleg met de leden van

hun kamer, beantwoord. Dit besluit is vastgelegd in de notulen van

de vergadering van deze voorzitters. Daarbij is aanvankelijk de

regel toegepast dat de voorzitters geen eigen enkelvoudige kamer

hebben, zodat de oudste raadsheer van de eerste meervoudige kamer

lid van de eerste enkelvoudige kamer was en het oudste lid van de

vierde meervoudige kamer lid van de zevende enkelvoudige kamer

(Groeneveld). De voorzitter van de eerste meervoudige kamer was

plaatsvervangend lid van de eerste enkelvoudige kamer en de

voorzitter van de vierde meervoudige kamer (Holdert)

plaatsvervangend lid van de zevende enkelvoudige kamer (Groene

veld).

Vervolgens is besloten en door de sectorvergadering goed gekeurd

dat vanaf 1 september 1996 ook de voorzitters een "eigen"

enkelvoudige kamer zouden krijgen. Daardoor wordt de voorzitter

van de eerste meervoudige kamer lid van de eerste enkelvoudige

kamer en de voorzitter van de vierde meervoudige kamer lid van de

tiende enkelvoudige kamer (Holdert). (?).

4. Aangenomen is steeds dat de hiervoor beschreven werkwijze

medebrengt dat de enkelvoudige kamers bij besluit van het

gerechtshof zijn samengesteld.

5. Voor zover bekend worden besluiten over de samenstelling van

kamers niet gepubliceerd.

Desgevraagd worden daaromtrent wel inlichtingen verschaft.

Publicatie vindt kennelijk op grond daarvan plaats in de Agenda

voor de fiscale practijk van Kluwer.

De laatste jaren is dit niet steeds foutloos geschied, mede als

gevolg van onvoldoende duidelijke communicatie. (?)."

Bij de brief zijn drie bijlagen gevoegd:

1. een verslag van de vergadering van de belastingsector van 9 mei

1996;

2. een verslag van het voorzittersoverleg van de belastingsector

van 19 juni 1996; en

3. een verslag van het voorzittersoverleg van de belastingkamer van

11 september 1997.

1.3.4. Een geleidebrief van 28 april 1998 van de Belastinggriffie

van het Hof, waarbij nog 17 stukken zijn toegezonden. Het gaat

hier om - wat ik hiervoor noemde - de correspondentie tussen Hof

en partijen. Deze bestaat uit:

4. een kopie van de kennisgeving van 29 december 1995 aan partijen

"dat de mondelinge behandeling van [het] beroep zal plaatsvinden

op dinsdag 30 januari 1996 te 11.20 uur voor de 7e enkelvoudige

belastingkamer (?)";

5. een faxbericht van belanghebbende van 10 januari 1996 met een

verzoek om uitstel;

6. een bericht aan de gemeente van 11 januari 1996 dat de

mondelinge behandeling is uitgesteld;

7. eenzelfde bericht aan belanghebbende;

8. een kopie van de kennisgeving van 8 februari 1996 aan partijen

"dat de mondelinge behandeling van [het] beroep zal plaatsvinden

op dinsdag 5 maart 1996 te 10.00 uur voor de 7e enkelvoudige

belastingkamer (?)";

9. een geleidebrief van 21 maart 1996 aan het College van B&W

waarbij afschriften van producties van belanghebbende worden

toegezonden;

10. een zogenoemde art. 16 Wet ARB-brief van 16 april 1996 aan het

College van B&W;

11. eenzelfde brief aan belanghebbende;

12. andermaal een art. 16 Wet ARB-brief van 23 april 1996 aan

belanghebbende;

13. een geleidebrief van 13 mei 1996 aan belanghebbende, waarbij

enige stukken worden toegezonden;

14. een kopie van de kennisgeving van 13 mei 1996 aan partijen "dat

de mondelinge behandeling van [het] beroep zal plaatsvinden op

maandag 3 juni 1996 te 10.50 uur voor de 7e enkelvoudige

belastingkamer (?)";

15. een bericht van 14 mei 1996 aan de gemeente dat de mondelinge

behandeling is uitgesteld;

16. eenzelfde bericht aan belanghebbende;

17. een kopie van de kennisgeving van 22 juli 1996 aan partijen

"dat de mondelinge behandeling van [het] beroep zal plaatsvinden

op maandag 19 augustus 1996 te 10.50 uur voor de 7e enkelvoudige

belastingkamer (?)";

18. een bericht van 15 augustus 1996 aan de gemeente dat de

mondelinge behandeling is uitgesteld;

19. eenzelfde bericht aan belanghebbende;

20. een kopie van de kennisgeving van 10 oktober 1996 aan partijen

"dat de mondelinge behandeling van [het] beroep zal plaatsvinden

op donderdag 7 november 1996 te 10.10 uur voor de 10e

enkelvoudige belastingkamer (?)".

1.3.5. Een namens mr. Smit geschreven brief (met één bijlage) ter

completering van de verstrekte inlichtingen. Het gaat hier om een

besluit betreffende de samenstelling van de enkelvoudige

belastingkamers van het Hof per 1 september 1996 met enkele nadien

aangebrachte mutaties.

2. Procesverloop

2.1. Aan belanghebbende zijn door het College van burgemeester en

wethouders<(3) De op 1 januari 1994 in werking getreden Gemeentewet spreekt in art.

231, tweede lid, aanhef en onderdeel b - anders dan voordien de

gemeentewet in art. 281, tweede lid, aanhef en onderdeel b - over het

college van burgemeester en wethouders; allicht sluit ik mij daarbij aan.

> van de gemeente Bloemendaal (hierna: het College) over

het jaar 1994 aanslagen in de gemeentelijke onroerende

zaakbelastingen (gedagtekend 16 maart 1994) opgelegd naar een

heffingsgrondslag van ƒ 750.000 ter zake van het genot krachtens

zakelijk recht en het feitelijk gebruik van de onroerende zaak,

plaatselijk bekend a-straat 1 te Z.

2.2. Belanghebbende heeft tegen de aanslagen bezwaar gemaakt. Bij

uitspraak, gedagtekend 24 februari 1995, heeft het College het

bezwaarschrift ongegrond verklaard.

2.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak bij het Hof beroep

ingesteld. Het Hof heeft bij mondelinge uitspraak van 21 november

1996 die uitspraak bevestigd. De mondelinge uitspraak is na een

verzoek van belanghebbende vervangen door de schriftelijke

uitspraak van 18 april 1997.

2.4. In die uitspraak is omtrent de gehouden zittingen vermeld:

"Ter zitting van 5 maart 1996<(4) Het betreft hier een zitting van de zevende enkelvoudige belastingkamer,

met als rechter mr. Groeneveld.

> zijn verschenen belanghebbende en de

inspecteur<(5) Tot de stukken van het geding behoort een machtiging van het College.

Daarin worden B, medewerker van de sector Financiën en Boekhouding van de

bestuursdienst van de gemeente en A taxateur in dienst van C b.v. te Q

gemachtigd de gemeente (kennelijk is bedoeld: het College) te

vertegenwoordigen bij de behandeling van beroepen tegen de door de

gemeente (lees weer: het College) opgelegde aanslagen. Gemachtigde B

wordt door het Hof om voor mij niet geheel te doorgronden redenen in de

uitspraak aangeduid als "de inspecteur".

>, tot bijstand vergezeld van A, taxateur onroerende

zaken.

Belanghebbende heeft een pleitnota voorgedragen en overgelegd,

waarvan de inhoud als hier ingelast wordt beschouwd. De inspecteur

heeft kennis kunnen nemen van en kunnen reageren op de door

belanghebbende ter zitting overgelegde stukken.

Na de zitting heeft een briefwisseling tussen Hof en partijen

plaatsgehad ten aanzien waarvan het bepaalde in de artikelen 14 en

16 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken

toepassing heeft gevonden.

Ter zitting van 7 november 1996<(6) Het betreft hier een zitting van de tiende enkelvoudige belastingkamer,

met als rechter mr. Holdert.

> zijn verschenen belanghebbende en

de inspecteur, tot bijstand vergezeld van voornoemde taxateur. De

namens de inspecteur voorgedragen en overgelegde pleitnota wordt

tot de gedingstukken gerekend."

2.5. Van de schriftelijke uitspraak heeft belanghebbende tijdig en

regelmatig beroep in cassatie ingesteld. Het College heeft een

vertoogschrift ingediend.

3. Vorming en bezetting van belastingkamers; regelgeving Hof

Amsterdam

3.1. Art. 71 van de Wet op de rechterlijke organisatie (hierna:

Wet RO) luidt sinds 1 juli 1992<(7) Zie de wet van 3 juni 1992 (Stb. 278), in werking getreden op 1 juli

1992 ingevolge KB van 17 juni 1992 (Stb. 299).

>:

"1. Voor het behandelen en beslissen van belastingzaken vormen

bezetten de gerechtshoven op voorstel van de president

enkelvoudige en meervoudige kamers onder de benaming van

belastingkamers. De meervoudige kamers bestaan uit drie

raadsheren.

2. Belastingzaken worden behandeld en beslist door een

enkelvoudige kamer, behoudens in de wet genoemde uitzonderingen.

3. (?)."

3.2. In de MvT<(8) Kamerstukken II 1990/91, nr. 21 967, nr. 3.

> op het ontwerp van die bepaling is vermeld:

"(blz. 14) Bij de rechterlijke colleges worden met het oog

interne werkverdeling de werkzaamheden verdeeld over kamers, die

enkel- of meervoudig kunnen zijn. In de vorming en de personele

bezetting van meervoudige burgerlijke en strafkamers zijn de

colleges vrij. Voor de enkelvoudige en de bijzondere meervoudige

kamers<(9) Daartoe behoren ook de belastingkamers.

> bevat de huidige wetgeving echter beperkende voorschriften.

Deze betreffen het aantal kamers bij een rechterlijk college, de

aanwijzing van de leden en de plaatsvervangende leden en het

tijdvak waarvoor de kamer wordt ingesteld of de leden worden

aangewezen. (?).

Uitgangspunt van het wetsvoorstel is dat de rechterlijke colleges

de vorming en de personele bezetting van de kamers binnen de

wettelijke grenzen zelf kunnen bepalen. De gekozen werkverdeling

moet krachtens het bestaande artikel 90 van Reglement I worden

opgenomen in een reglement van orde. De nu nog geldende regeling

op grond waarvan een rechter tevoren voor een vaste periode als

lid van een bepaalde kamer wordt aangewezen, is in het

wetsvoorstel vervangen door een systeem waarin al naar gelang de

behoefte elk lid van het college kan worden ingezet bij de

werkzaamheden van in beginsel iedere kamer. In de nieuwe opzet is

het dus niet meer nodig voor iedere kamer een reeks

plaatsvervangende leden aan te wijzen. In plaats daarvan kunnen

rechters elkaar over en weer vervangen uitsluitend op grond van

afspraken tussen het college en de betrokken rechterlijke

ambtenaar over de kamers waarin hij zitting zal hebben en over de

periode waarvoor dat zal gelden. Het wetsvoorstel kent aan de

president van het college de bevoegdheid toe voorstellen te doen

voor de vorming en de personele bezetting van kamers. Op die wijze

kan alert worden gereageerd op wijzigingen in het aanbod van

zaken, op veranderingen in de personeelssamenstelling en andere

ontwikkelingen. De uiteindelijke beslissing wordt genomen door het

college als geheel. (?).

(blz. 17) Deze wijzigingen betreffen de uitwerking van het in het

algemeen deel uiteengezette systeem volgens hetwelk de

rechterlijke colleges bevoegd worden gemaakt om de vorming en

bezetting van hun kamers zelf te bepalen. Er is gestreefd naar een

zoveel mogelijke uniforme terminologie."

3.3. Art. 90 van Reglement I luidt<(10) Sinds 1 juli 1992 ingevolge KB van 24 juni 1992 (Stb. 330).

>:

"1. De verdeling van de werkzaamheden onder de kamers

onderscheidenlijk de kantonrechters, en al het overige wat de orde

van de inwendige dienst betreft, worden door het gerechtshof, de

rechtbank of het kantongerecht vastgesteld bij een reglement van

orde.

2. Het reglement van orde wordt bekendgemaakt in de

Staatscourant."

3.4. Op 3 december 1993 heeft de algemene vergadering van het Hof

het Reglement van orde van het gerechtshof te Amsterdam

vastgesteld. Dit Reglement is gepubliceerd in de Staatscourant van

3 januari 1994<(11) Ik moet ervan uitgaan dat dit Reglement nog gold in de periode waarin de

onderhavige zaak werd berecht, aangezien onderzoek in de Staatscourant

verder niets opleverde. Desgevraagd is mij namens het secretariaat van de

president van het Hof meegedeeld dat er inderdaad geen ander of gewijzigd

reglement is. Opvallend is dat het Hof volgens het Reglement acht

enkelvoudige belastingkamers (genummerd één tot en met acht) zou hebben,

terwijl de onderhavige uitspraak door de tiende - dus niet-bestaande -

enkelvoudige belastingkamer is gedaan. Blijkens de website van het Hof

zijn er thans zelfs veertien enkelvoudige belastingkamers.

>. Voor zover thans van belang luidt het Reglement

als volgt:

"Artikel 1

Het gerechtshof te Amsterdam is samengesteld uit vier sectoren (?)

de Belastingsector - vier meervoudige en acht enkelvoudige

belastingkamers.

Artikel 2

Voor zover niet bij of ingevolge de Wet anders is bepaald,

behandelen:

a. (?);

f. de eerste, tweede, derde en vierde meervoudige belastingkamer,

alsmede de eerste, tweede ,derde, vierde, vijfde, zesde, zevende

en achtste enkelvoudige belastingkamer de belastingzaken op de

wijze als bij de Wet geregeld.

Artikel 3

(?).

Artikel 7

Dit reglement treedt in werking op 1 januari 1994."

3.5. Ik vestig de aandacht erop dat - blijkens de zojuist

geciteerde memorie van toelichting - thans het systeem geldt

waarin al naar gelang de behoefte elk lid van een rechterlijk

college kan worden ingezet bij de werkzaamheden van in beginsel

iedere kamer. Rechters kunnen elkaar over en weer vervangen

uitsluitend op grond van interne afspraken. Regelgeving is

daarvoor niet nodig, evenmin als publicatie.

4. Vervanging en verwijzing; schorsing behandeling

4.1. In de regel zal de rechter (zullen de rechters) die aan de

behandeling van een zaak is (zijn) begonnen, deze ook voltooien

met een uitspraak. Soms loopt het echter anders en wordt een zaak

- in enig stadium van het geding - verwezen naar een andere kamer

of worden één of meer rechters vervangen door één of meer andere

rechters. Voorts gebeurt het dat de behandeling van een zaak wordt

geschorst voor nader (feiten)onderzoek. En ook komt een combinatie

van deze procesrechtelijke incidenten voor. Complicerend kan dan

nog zijn dat partijen in verschillende stadia van het proces erin

toestemmen of berusten dat de zaak zonder (verdere) mondelinge

behandeling wordt afgedaan.

4.2. De hier van belang zijnde bepalingen in de Wet

administratieve rechtspraak belastingzaken (hierna: Wet ARB)

luiden:

"Artikel 3

Het gerechtshof beslist, behoudens het bepaalde in de artikelen 4

en 25, in enkelvoudige kamers."

"Artikel 4

1. (?).

4. De voorzitter is bevoegd een reeds door een enkelvoudige kamer

in behandeling genomen zaak op voordracht van die kamer te

verwijzen naar een andere enkelvoudige kamer.

5. Een enkelvoudige kamer kan een zaak in iedere stand van het

geding naar een meervoudige kamer verwijzen."

"Artikel

Nadat de schrifturen gewisseld zijn (?) wijst de voorzitter de

kamer aan, welke de zaak zal behandelen."

"Artikel

1. De kamer welke de zaak zal behandelen, stelt - behoudens in

geval van toepassing van artikel 11b - zo spoedig mogelijk dag en

uur van de mondelinge behandeling vast.

2. (?).

4. Wordt een zaak naar een andere kamer verwezen, dan is het

bepaalde in het eerste tot en met derde lid weder van toepassing."

"Artikel 11b

De kamer, welke de zaak zal behandelen, kan met schriftelijke

toestemming van de belanghebbende en de in artikel 8 bedoelde

ambtenaar zonder mondelinge behandeling uitspraak doen."

"Artikel

Bij toepassing van het bepaalde in lid 4 of lid 5 van artikel 4

wordt zo spoedig mogelijk dag en uur voor de verdere behandeling

van de zaak vastgesteld."

"Artikel

1. Het gerechtshof is bevoegd om, alvorens uitspraak te doen:

1°. (?);

2°. schriftelijk inlichtingen in te winnen bij partijen (?).

2. Indien een van de partijen verzoekt dat van enige mondelinge

verklaring proces-verbaal zal worden opgemaakt, wordt daaraan,

voorzover de verklaring redelijke grenzen niet overschrijdt,

zoveel mogelijk voldaan. De griffier leest daartoe de door hem

gehouden aantekening voor; acht een van de partijen de verklaring

niet voldoende weergegeven, dan beslist het gerechtshof."

"Artikel

Indien het gerechtshof heeft gebruik gemaakt van de bevoegdheid,

bedoeld bij artikel 14, eerste lid, sub 2° (?) worden partijen,

nadat zij van elkaars schrifturen hebben kunnen kennis nemen,

opnieuw in de gelegenheid gesteld haar standpunt mondeling toe te

lichten, mits zij zulks schriftelijk hebben verzocht binnen vijf

dagen of binnen een door het gerechtshof vastgestelde, voor beiden

gelijke langere termijn. Artikel 11 vindt overeenkomstige

toepassing."

4.3. Duidelijk is dat de verwijzing en de schorsing wel zijn

geregeld in de Wet ARB en de vervanging niet. Dat is ook niet

nodig nu art. 71 Wet RO - ik wees daar in § 3.5 al op - de

vervanging beschouwt als een vormvrije interne aangelegenheid van

het betreffende rechterlijke college, te dezen dus het Hof.

Daarover behoeft de Wet ARB dus niets te regelen.

4.4. Met de verwijzing is dat anders; die is wel geregeld. De Wet

ARB gaat - naar ik veronderstel<(12) De wetsgeschiedenis geeft hier geen uitsluitsel. De Wet op de Raden van

Beroep kende in art. 13quater slechts één bepaling die beide varianten

bestreek.

> - uit van twee varianten: een zaak

wordt verwezen naar een andere kamer nog voordat een mondelinge

behandeling heeft plaatsgevonden - daarop ziet art. 11, vierde lid

- of verwijzing vindt plaats na de mondelinge behandeling en

daarop ziet art. 12.

4.5. De eerste variant doet zich in de praktijk wel voor maar de

buitenwacht merkt er doorgaans niets van omdat dergelijke

verwijzingen meestal ondershands gebeuren voordat een zaak is

geappointeerd. Met enige regelmaat komt het voor dat een bij een

bepaalde kamer ingedeelde zaak bij nader inzien aan een andere

kamer wordt toegewezen, bijvoorbeeld omdat die kamer meer van

dergelijke zaken blijkt te behandelen<(13) Vgl. Kamerstukken II, 1954/55, 3704, nr. 3, blz. 9 rk.

> of omdat een rechter zich

niet vrij voelt de hem toegedeelde zaak te berechten. In dat

laatste geval kan hij natuurlijk op de voet van art. 5f en 5g Wet

ARB verzoeken zich te mogen verschonen, maar dat is erg omslachtig

en onpraktisch. Eenvoudiger is het daarom het dossier simpelweg

van de ene plank naar de andere te laten verhuizen. Voor de

procesgang maakt het allemaal niet veel uit, want art. 11 Wet ARB

is - hoe dan ook - van toepassing.

4.6.1. De tweede variant is van meer belang. Met enige regelmaat

verwijst een enkelvoudige kamer een zaak na de mondelinge

behandeling naar een meervoudige kamer en dan geldt art. 12 en

niet art. 11, vierde lid, Wet ARB. Dat betekent dat de meervoudige

kamer waarnaar de zaak is verwezen deze opnieuw op zitting moet

brengen, ook als partijen het Hof hebben laten weten aan zo'n

zitting geen behoefte te hebben. Dat blijkt uit HR 15 juli 1986,

nr. 23 909, BNB 1986/266. Dat arrest betrof een geval waarin

partijen weliswaar toestemming hadden verleend de zaak zonder

mondelinge behandeling af te doen, maar de enkelvoudige kamer van

het hof de zaak toch mondeling behandelde en deze daarna verwees

naar de meervoudige kamer.

4.6.2. Uw Raad overwoog:

"4.1. Uit 's Hofs uitspraak blijkt dat de onderhavige zaak

mondelinge behandeling in raadkamer van de Vijfde Enkelvoudige

Kamer, overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, lid 5, van de

[Wet ARB], is verwezen naar de meervoudige kamer van het Hof.

4.2. Nu artikel 12 van laatstgemelde wet voorschrijft dat alsdan

zo spoedig mogelijk dag en uur voor de verdere behandeling van de

zaak wordt vastgesteld en nu daarbij niet, zoals in artikel 11,

lid 1, een uitzondering wordt gemaakt voor het geval partijen

schriftelijk toestemming hebben verleend om zonder mondelinge

behandeling uitspraak te doen, stond het aan het Hof niet vrij om

- zoals het heeft gedaan - na de mondelinge behandeling door de

Vijfde Enkelvoudige Kamer en na de daarop gevolgde verwijzing naar

de meervoudige kamer uitspraak te doen zonder de partijen opnieuw

te hebben opgeroepen voor de verdere behandeling van de zaak door

die meervoudige kamer.

4.3. De bepalingen van eerder vermelde wet betreffende de

behandeling van de zaak in tegenwoordigheid van de partijen zijn

van zo wezenlijk belang dat, nu ten gevolge van het niet naleven

daarvan de partijen niet in de gelegenheid zijn geweest zich te

doen horen ter zitting van het Hof in de samenstelling waarin de

zaak is beslist, 's Hofs uitspraak moet worden vernietigd en

verwijzing moet volgen."

4.6.3. In de praktijk wordt een dergelijke kwestie doorgaans

opgelost door partijen wel op te roepen voor een zitting, maar met

hen af te spreken dat zij - zo zij nog steeds geen behoefte aan

zulk een zitting hebben - niet zullen verschijnen, waarna het hof

de zaak kan afdoen.

4.7. Ik maak nu een uitstapje naar het burgerlijk procesrecht waar

vergelijkbare problemen spelen. J.B.M. Vranken annoteerde onder HR

24 oktober 1986, NJ 1987, 355:

"(blz. 1292 lk) 4. Op een strafrechtelijke leest geschoeid is het

voorschrift van art. 47 RMT, inhoudende dat de samenstelling van

het college van de eerste behandeling ter terechtzitting af tot de

beslissing dezelfde blijft. Vgl. voor het strafrecht art. 322 Sv<(14) Art. 322 Sv luidt:

"1. Onverminderd (?) wordt in alle gevallen waarin de schorsing van het

onderzoek is bevolen, het onderzoek op de nadere terechtzitting hervat in

de stand waarin het zich op het tijdstip van de schorsing bevond.

2. De rechtbank is ook bij toepassing van het eerste lid bevoegd te bevelen

dat het onderzoek ter terechtzitting opnieuw wordt aangevangen.

3. (?)."

>

en HR 12 april 1983, NJ 1983, 602; HR 30 okt. 1984, NJ 1985, 316.

De sanctie is nietigheid. Beide bepalingen gelden voor het

onderzoek ter terechtzitting, niet voor het voorbereidende

onderzoek.

In het civiele recht ligt het anders, althans blijkens HR 5

april 1963, NJ 1963, 338 en HR 29 juni 1979, NJ 1979, 525. In deze

uitspraken wordt een beslissing in dezelfde samenstelling als ten

tijde van de mondelinge behandeling en pleidooi weliswaar

wenselijk geoordeeld, maar niet verplicht voorgeschreven. In beide

gevallen betrof het een beslissing door een meervoudige kamer. Ten

aanzien van enkelvoudige rechtspraak zou ik anders verdedigen.

Unus iudex-rechtspraak is kennelijk, gelet op de huidige

overbelasting, onvermijdelijk. De kwaliteit van de rechtspraak

hoeft hiermee geen gelijke tred te houden. Wanneer dan ook nog een

andere rechter dan degene die de mondelinge behandeling heeft

gedaan, de beslissing mag nemen, is wat mij betreft de grens

overschreden."

4.8. A-G Koopmans betoogde in zijn conclusie voor HR 6 maart 1992,

NJ 1993, 79:

"(blz. 230 lk) 9. Indien de Hoge Raad mij niet volgt en tot

vernietiging van de beschikking van de rechtbank overgaat,

zal verwijzing moeten volgen. De rechtbank heeft nl. slechts

een appelgrief onderzocht; er waren nog twee andere, waarvan

een gegrond was op de omstandigheid dat de kantonrechter die

de beschikking gaf niet dezelfde kantonrechter was als die

partijen had gehoord. Er is een goede kans dat deze grief

doel zou treffen, nu men er volgens de jurisprudentie van

moet uitgaan dat bij rekestprocedures "zoveel mogelijk",

"als regel" dezelfde rechters die partijen hebben gehoord ook de

beschikking moeten geven: HR 5 april 1963, NJ 1963, 338, HR 29

juni 1979, NJ 1979, 525. Het betrof in beide gevallen collegiale

rechtspraak. Voor unus-iudex-rechtspraak is te verdedigen dat de

rechter die de mondelinge behandeling heeft gedaan altijd degene

moet zijn die de beslissing neemt; zie ook de annotatie van

Vranken bij HR 24 okt. 1986, NJ 1987, 355."

4.9. H.J. Snijders annoteerde onder NJ 1993, 79:

"(blz. 232) 2. Personele eenheid van behandeling en uitspraak

a. Van algemeen belang is stellig ook het niet door de Hoge

Raad behandelde gezichtspunt van A-G Koopmans, dat in geval van

een mondelinge behandeling door een unus iudex, de beslissing

altijd door dezelfde rechter moet worden gegeven. Idem - nog wat

pertinenter - (?) Vranken in NJ 1987, 355. Naar Duits recht zouden

zij zich hebben kunnen beroepen op "Der Grundsatz der

Unmittelbarkeit", welk beginsel voorziet in personele eenheid van

behandeling en uitspraak. Een van de uitwerkingen van dit beginsel

vormt Par. 309 ZPO: "Das Urteil kann nur von denjenigen Richtern

gefällt werden, welche der dem Urteil zugrunde liegenden

Verhandlung beigewohnt haben".

b. Het voordeel van de personele eenheid is bij unus-

behandeling en -uitspraak zo evident dat het geen nader betoog

behoeft. Ik sluit mij dan ook bij Koopmans en Vranken aan, zij het

slechts in zoverre dat er wel heel goede gronden in de betrokken

beschikking vermeld moeten zijn, wil men kunnen instemmen met

uitspraak door een andere unus dan degene die de mondelinge

behandeling heeft gedaan. Vgl. ook art. 212<(15) Art 212 Rv luidt:

"1. De rechters, voor wie het getuigenverhoor heeft plaatsgehad, zullen

zoveel als mogelijk is, medewerken tot de einduitspraak in de zaak waarin

het verhoor is gehouden.

2. Van de afwijking van deze regel en de oorzaak daarvan wordt in de

uitspraak melding gemaakt. De noodzakelijkheid der afwijking wordt

uitsluitend door het college dat haar toepast beoordeeld, zonder dat

daartegen enige voorziening openstaat."

>(jo. art. 97) voor het

getuigenverhoor en vonnis in de dagvaardingsprocedure. Verder zou

ik niet willen gaan. Het zou immers niet in het belang van

partijen zijn om bij langdurige absentie van een (kanton)rechter

de behandeling geheel te herhalen dan wel de uitspraak maar tijden

lang uit te stellen en dat zou toch één van de praktische

consequenties zijn van onverkorte toepassing van de leer

Vranken/Koopmans."

4.10.1. HR 31 oktober 1984, nr. 8, NJ 1985/578, na conclusie van

A-G Van Soest, ging over tussentijdse wijzigingen in de

samenstelling van de Ondernemingskamer, zulks in het licht van

art. 203 Rv, de voorganger van art. 212 Rv.

4.10.2. Mijn ambtgenoot betoogde:

"(blz. 1881 lk) Een uitdrukkelijk verbod de samenstelling van een

kamer te wijzigen kent de wet slechts in art. 203 Rv, te weten

voor een uitspraak na getuigenverhoor (vgl. ook art. 21 lid 5

Beroepswet, dat bij wijziging van de samenstelling een nieuwe

behandeling voorschrijft). HR 27 okt. 1905, W 8287, laat de

toetsing van de regels van art. 203 Rv echter over aan het college

zelf: de wijziging en de vereiste rechtvaardiging daarvan in de

uitspraak worden in hoger beroep niet getoetst.

HR 8 okt. 1928, NJ 1929, 83, leest het verbod voor de

strafprocedure in art. 350 Sv, dat de Rb. voorschrijft te

beraadslagen "naar aanleiding van het verzoek

terechtzitting", en hier (art. 358 lid 5 Sv) "op straffe van

nietigheid" (?).

HR 11 juni 1974, NJ 1974, 482, grondt het verbod op straffe

van nietigheid voor de uitleveringsprocedure op "de eisen van een

behoorlijke procedure".

HR 11 maart 1964, NJ 1964, 182, m.nt. N.J. Polak, overwoog,

"dat het belang, dat de in art. 37 Onteigeningswet voorgeschreven

terechtzitting voor het onteigeningsgeding heeft, vereist dat het

eindvonnis wordt gewezen door de rechters die op deze zitting, met

name ook bij de aldaar gehouden pleidooien, aanwezig zijn geweest"

en vernietigde op die grond het bestreden vonnis. De toenmalige A-

G Bakhoven had hetzelfde in meer algemene zin verdedigd met het

oog op het in art. 45 lid 2 Rv bedoelde "bepleiten der zaak".

HR 5 april 1963, NJ 1963, 338, overwoog evenwel, "dat de wet

geen voorschrift kent hetwelk verbiedt, dat in een

requestprocedure als de onderhavige [noot: Het betrof een

voogdijwijziging] een rechter die een verhoor in raadkamer niet

heeft bijgewoond medewerkt aan de uitspraak over een zaak, waarin

dit verhoor is gehouden; ... dat wel de eisen ener behoorlijke

procesvoering zullen meebrengen dat ook in zodanige

requestprocedure zoveel mogelijk slechts de rechters die zelf aan

de verhoren welke aan de uitspraak voorafgingen, hebben

deelgenomen, aan de beslissing zullen medewerken; dat het echter

ter beoordeling staat van het college zelf dat met de berechting

van de zaak is belast of er in het gegeven geval grond aanwezig is

om van dit beginsel af te wijken" (?).

Naar het mij voorkomt, is in deze problematiek niet alleen

bepalend, hoe strikt de wetgever de procedure geregeld heeft, maar

mede het - mogelijkerwijs met de tijd evoluerende - inzicht in de

formalisering of deformalisering van het recht. Mij dunkt de in

art. 203 Rv neergelegde gedachte wel aere perennius: het is een

beginsel van een goede procesorde, dat de rechters die in een zaak

de pp. en/of haar raadslieden, getuigen en/of deskundigen hebben

gehoord, ook de beslissing nemen; maar dit beginsel wijkt voor

overmacht. Of er overmacht is, kunnen de pp. en de hogere rechter

alleen beoordelen, indien het college daarvan in zijn beslissing

rekenschap geeft.

Wat er nu zij van de jurisprudentie die zelfs voor geval die

rekenschap uitdrukkelijk is voorgeschreven (art. 203 lid 2 le

volzin Rv), afziet van toetsing door de hogere rechter, mij komt

het te formalistisch voor de rekenschap ook te eisen, waar de wet

haar niet voorschrijft. Ik meen dus, dat het in het onderhavige

geval te veel gevergd is te verlangen dat het arrest de grond voor

de vervanging van een c.q. drie der leden zou vermelden."

4.10.3. Uw Raad overwoog:

"5.1. (?).

Dit onderdeel klaagt erover dat de Ondernemingskamer bij het

wijzen van haar tussenarrest, bij het verhoor van de accountant en

bij het wijzen van het eindarrest telkens anders was samengesteld.

Voor zover de klacht betrekking heeft op de wijziging in

samenstelling tussen het wijzen van het tussenarrest en het

verhoor van de accountant, faalt zij reeds omdat het tussenarrest

slechts voorbereidende maatregelen ter instructie van de zaak

inhield.

Naar aanleiding van de wijziging in samenstelling -

vervanging van de voorzitter door een lid dat het verhoor van de

accountant niet had bijgewoond - welke na het verhoor plaatshad

moet worden vooropgesteld dat, gelet op het belang van dat verhoor

voor een juiste oordeelsvorming door de Ondernemingskamer, de

eisen van een goede procesorde meebrengen dat in beginsel de leden

die zelf het verhoor van de accountant hebben bijgewoond behoren

mede te werken aan de beslissing. Dit beginsel lijdt slechts

uitzondering indien vervanging van een lid onvermijdelijk is dan

wel door gewichtige redenen wordt gerechtvaardigd. Nu echter de

wet te dezen geen aanwijzingen geeft, moet het ervoor worden

gehouden dat de Ondernemingskamer zelf heeft te beoordelen of zich

een zodanige uitzondering voordoet en dat zij in haar beslissing

daarvan geen rekenschap behoeft te geven."

4.11.1. HR 26 januari 1996, nr. 15.711, NJ 1996, 360, na conclusie

van A-G De Vries Lentsch-Kostense, betrof ook een geval waarin de

samenstelling van het hof na enquête was gewijzigd.

4.11.2. Collega De Vries Lentsch betoogde:

"20. Middelonderdeel 9 constateert dat uit 's Hofs eindarrest

blijkt dat de raadsheer voor wie het getuigenverhoor heeft

plaatsgehad, niet heeft meegewerkt aan de einduitspraak. Betoogd

wordt dat het Hof ten onrechte - in strijd met het bepaalde in

art. 212 Rv. - noch van de afwijking van deze regel noch van de

oorzaak daarvan in de uitspraak melding heeft gemaakt.

21. Het eerste lid van art 212 Rv. bepaalt dat de rechter

voor wie het getuigenverhoor plaatsvindt "zoveel mogelijk'

meewerkt aan de einduitspraak. Uit de zinswending "zoveel

mogelijk" blijkt reeds dat niet dwingend is voorgeschreven dat

bedoelde rechter ook aan de einduitspraak meewerkt; art. 212 Rv.

spoort daartoe slechts aan waarbij het kennelijk aan het beleid

van het betrokken college is overgelaten uit te maken onder welke

omstandigheden een lid voor wie de getuigenverhoren plaatsvonden,

in de onmogelijkheid verkeert aan de einduitspraak mee te werken.

Dit blijkt ook uit het tweede lid van art. 212 Rv. waar enerzijds

wordt bepaald dat in de uitspraak melding moet worden gemaakt van

de afwijking van de regel van het eerste lid en van de oorzaak

daarvan, doch waar anderzijds wordt bepaald dat de

noodzakelijkheid der afwijking uitsluitend door het college dat

haar toepast beoordeeld wordt zonder dat daartegen enige

voorziening openstaat. In dit verband verdient voorts vermelding

dat de bedoeling van het gebruik in art. 212 Rv. van de woorden

"zoveel mogelijk" (art. 203 Rv., de voorganger van art. 212, gaf

een vrijwel limitatieve opsomming van gevallen waarin afwijking

van de "hoofdregel" gerechtvaardigd was) is om tegemoet te komen

aan de organisatorische problemen die zijn gelegen in de

wisselende samenstelling van de kamers waarin de rechterlijke

colleges verdeeld zijn. (Zie de MvT, Vergaderjaar Tweede Kamer

1969-1970, 10377, nr. 3. p.18-19.)

Het komt mij voor dat het middelonderdeel op het

bovenstaande reeds afstuit: in geval de noodzakelijkheid der wel

in de uitspraak gemotiveerde afwijking uitsluitend ter beoordeling

van de rechter staat, mist de klacht dat de afwijking niet is

gemotiveerd naar het mij voorkomt belang. (?).

Ik verwijs bovendien naar Uw arrest van 27 oktober 1905,

W. 8287;

met betrekking tot een onder vigeur van art. 203 Rv. gepleegd

verzuim als door het onderhavige middelonderdeel bedoeld overwoog

Uw Raad dat dit verzuim niet belangrijk genoeg is om, "waar

wetgever geene straf van nietigheid bedreigd heeft", aan te nemen

dat de betrokken uitspraak op die enkele grond nietig moet worden

verklaard. De steller van het middel heeft aangevoerd dat het hier

ging om een geval waarin aan de einduitspraak althans nog was

deelgenomen door twee van de rechters voor wie de getuigenverhoren

hadden plaatsgevonden. Hij verliest hier naar het mij voorkomt uit

het oog dat deze uitspraak van Uw Raad art. 203 Rv. betrof, dat

niet zoals art. 212 Rv. sprak van "zoveel mogelijk" doch dat een

vrijwel limitatieve opsomming gaf van de gevallen waarin afwijking

gerechtvaardigd was van de regel dat "regters die het

getuigenverhoor niet hebben bijgewoond, niet mogen medewerken tot

de uitspraak over de zaak waarin dat verhoor gehouden is".

De steller van het middel heeft bovendien nog gewezen op de

beschikkingen van Uw Raad waarin werd geoordeeld dat bij

rekestprocedures de eisen van een behoorlijke procesorde zullen

meebrengen dat "zoveel mogelijk" dan wel "als

rechters die partijen hebben gehoord ook aan de beschikking zullen

medewerken. Uw Raad overwoog in die beschikkingen echter tevens

dat het ter beoordeling staat van het college zelf dat met de

berechting van de zaak is belast of er in het gegeven geval grond

aanwezig is van dit beginsel af te wijken, zodat geen

vormvoorschrift is geschonden hetwelk op straffe van nietigheid

zou moeten worden in acht genomen in geval aan de beschikking is

medegewerkt door een rechter die niet aanwezig is geweest bij een

der verhoren naar aanleiding waarvan de beschikking is gegeven.

Zie Uw beschikkingen van 5 april 1963, NJ 1963, 338 en van 29 juni

1979, NJ 1979, 525. Zie voorts met betrekking tot de vraag of bij

unus-rechtspraak de rechter voor wie de mondelinge behandeling

plaatsvond niet altijd degene moet zijn die de beslissing neemt:

Vranken in zijn noot onder Uw beschikking van 24 oktober 1986, NJ

1987, 355, mijn ambtgenoot Koopmans in zijn conclusie voor Uw

beschikking van 6 maart 1992, NJ 993, 79 en Snijders in zijn noot

onder deze beschikking."

4.11.3. Uw Raad overwoog:

"3.10. Onderdeel 9 bevat de klacht dat het Hof in strijd met het

bepaalde in art. 212 lid 2 Rv. verzuimd heeft in zijn eindarrest

melding te maken van het feit dat dit arrest niet werd meegewezen

door de raadsheer voor wie het getuigenverhoor had plaatsgevonden

en wat de oorzaak daarvan was. De aard van de voormelde bepaling

brengt mee dat de daarin vervatte motiveringsplicht niet op

straffe van nietigheid geldt. Een andere opvatting zou niet

stroken met de daarin opgenomen tweede zin, inhoudende dat de

noodzakelijkheid van de afwijking uitsluitend wordt beoordeeld

door het college dat haar toepast, zonder dat daartegen enige

voorziening openstaat."

4.12.1. Ik keer weer terug naar het fiscale procesrecht.

Meyjes/Van Soest/Van den Berge/Van Gelderen, Fiscaal

procesrecht,vierde druk, blz. 188, schrijven:

"In alle beschreven gevallen van onderbreking van de behandeling

is het gewenst dat het hof de behandeling voortzet in dezelfde

samenstelling, maar daartoe verplicht is het niet.[noot 155: Zie HR

30 maart 1932, B.5191; HR 21 juni 1978, BNB 1978/227, met conclusie van A-G

Van Soest. De stelling in de MvA betreffende de wijzigingswet van 13

januari 1983, Stb. 52 (1981-1982, 17 379, nr. 6), blz. 4, vijfde alinea dat

de beslissing moet worden genomen in dezelfde samenstelling, is iets te

stellig.]"

4.12.2. De passage uit de MvA waarop wordt gedoeld, luidt:

"De beslissing van een meervoudige kamer zal door deze, zowel bij

een schriftelijke als bij een mondelinge uitspraak, moeten worden

genomen in dezelfde samenstelling als waarin zij over de zaak

heeft gezeten. De mededeling van die beslissing kan bij een

verdaagde mondelinge uitspraak echter ook geschieden door een

andere of anders samengestelde kamer."

4.13.1. HR 15 oktober 1997, nr. 32.656, BNB 1997/393, na conclusie

van plv. P-G Van Soest, betrof het geval waarin de schriftelijke

uitspraak in verband met langdurige ontstentenis van het lid van

het hof, dat de mondelinge uitspraak had gedaan, is gewezen door

een ander lid van het hof.

4.13.2. Mijn ambtgenoot betoogde:

"4. Ontstentenis van het lid van de enkelvoudige kamer dat

mondeling uitspraak heeft gedaan

4.1. Voor geval een lid van een enkelvoudige kamer schriftelijk

uitspraak doet, regelt art. 17, lid 2, 2e volzin, Wet ARB de

situatie dat het buiten staat is de uitspraak te ondertekenen:

alsdan geschiedt de ondertekening door een plaatsvervanger.

4.2. Naar het mij voorkomt, moet hier verondersteld zijn dat het

gaat om een plaatsvervangend lid van dezelfde enkelvoudige kamer.

Art. 71, lid 1, Wet op de rechterlijke organisatie (Wet RO) maakt

het evenwel mogelijk daartoe alsnog een raadsheer of raadsheer-

plaatsvervanger als zodanig aan te wijzen.

4.3. Voor geval een lid van een enkelvoudige kamer mondeling

uitspraak doet en vervolgens buiten staat is het proces-verbaal

daarvan te ondertekenen, voorziet de wet niet in de dan ontstane

situatie.

4.4. Het ligt voor de hand alsdan art. 17, lid 2, 2e volzin, Wet

ARB naar analogie toe te passen.

4.5. Voor geval een lid van een enkelvoudige kamer mondeling

uitspraak heeft gedaan en vervolgens buiten staat is de mondelinge

uitspraak door een schriftelijke te vervangen, voorziet de wet ook

niet in de dan ontstane situatie.

4.6. Het lijkt buiten kijf dat het gewenst is, en dan ook wel door

de wetgever verondersteld zal zijn, dat de vervanging van een

mondelinge uitspraak door een schriftelijke geschiedt door het lid

van de enkelvoudige kamer dat de mondelinge uitspraak gedaan

heeft, maar tot het onmogelijke is niemand gehouden.

4.7. Men zou op het eerste gezicht van oordeel kunnen zijn dat

alsdan de behandeling van de zaak terugkeert tot in het stadium

waarin zij verkeerde voordat mondeling uitspraak werd gedaan, dat

wil zeggen dat de mondelinge behandeling - afgezien van het geval

dat de partijen en de enkelvoudige kamer daarvan reeds voordien

hadden afgezien - weer open komt.

4.8. Dit oordeel zou impliceren dat het nieuw optredende lid van

de enkelvoudige kamer een andere uitspraak zou kunnen doen dan de

mondelinge uitspraak die reeds gedaan is.

4.9. Die consequentie zou in strijd komen met het wezen van de

mondelinge uitspraak, te weten dat zij inhoudelijk een eind maakt

aan het geding en in zoverre (behoudens de mogelijkheid van beroep

in cassatie tegen de vervangende schriftelijke uitspraak)

onherroepelijk is.

4.10. Ik meen daarom dat ook in deze situatie art. 17, lid 2, 2e

volzin, Wet ARB naar analogie toegepast moet worden.

4.11. Derhalve zou de vervangende schriftelijke uitspraak gedaan

moeten worden door een plaatsvervangend lid van de enkelvoudige

kamer die de mondelinge uitspraak gedaan heeft.

4.12. Dit plaatsvervangende lid zou zich alsdan genoodzaakt gezien

hebben de vaststaande feiten en de standpunten van de partijen uit

de stukken en uit aantekeningen van de griffier af te leiden. Zijn

eigen waarneming zou daartoe geen dienst hebben kunnen doen. De

ontstentenis van het lid dat de mondelinge uitspraak gedaan heeft,

brengt nu eenmaal mee dat die eigen waarneming is komen te

ontbreken.

4.13. Als plaatsvervangend lid als zojuist onder 4.11-12 bedoeld,

had in de thans aanhangige zaak mr Röben kunnen optreden. Als hij

al geen plaatsvervangend lid van de tweede enkelvoudige

belastingkamer was, dan had hij alsnog als zodanig aangewezen

kunnen worden.

4.14. Nu is het enige verschil tussen de schriftelijke uitspraak

die ik mij in het voorgaande voor ogen stelde, en de schriftelijke

uitspraak die daadwerkelijk gedaan is, dat mr Röben opgetreden is

niet als plaatsvervangend lid van de tweede enkelvoudige

belastingkamer, maar als lid van de vijfde enkelvoudige

belastingkamer

4.15. Indien dit verschil al aangemerkt zou kunnen worden als een

vormverzuim, dan zou het toch niet van dien aard zijn dat daaruit

nietigheid als bedoeld in art. 99, lid 1, onder 1, Wet RO,

voortvloeit.

4.13.3. Uw Raad zag kennelijk geen aanleiding voor cassatie op

ambtshalve bijgebrachte gronden en ging niet in op de door collega

Van Soest aangesneden kwestie.

4.14.1. HR 29 augustus 1997, nr. 32.622, BNB 1997/333, betrof een

geval waarin de mondelinge behandeling had plaatsgevonden ter

zitting van de Tweede Enkelvoudige Kamer en partijen vervolgens

desgevraagd ermee instemden dat de zaak, op basis van die

mondelinge behandeling, in verband met ziekte van het lid van de

Tweede Enkelvoudige Kamer zou worden afgedaan door de Eerste

Enkelvoudige Kamer zonder nadere mondeling behandeling.

4.14.2. Uw Raad overwoog:

"3.3.2. Het middel stelt terecht voorop dat de eisen van een goede

procesorde meebrengen dat in beginsel slechts de leden van een

kamer, die zelf de zaak ter zitting hebben behandeld, medewerken

aan de beslissing en dat dit beginsel slechts uitzondering leidt,

indien vervanging van een lid onvermijdelijk is dan wel door

gewichtige redenen wordt gerechtvaardigd. De toepassing van deze

uitzonderingsregel is, anders dan het middel stelt, niet beperkt

tot de vervanging van één of meer leden van een meervoudige kamer;

zij is eveneens van toepassing in gevallen als het onderhavige. Of

zich te dezen een uitzondering als vorenbedoeld heeft voorgedaan,

was ter beoordeling van het Hof.

3.4.1. Het middel betoogt voorts dat in een geval als het

onderhavige, waarin het gaat om de vervanging van het lid van de

ene enkelvoudige kamer door het lid van een andere enkelvoudige

kamer, steeds een nieuwe mondelinge behandeling dient plaats te

vinden. Het voert met betrekking tot het onderhavige geval aan:

dat het lid van de enkelvoudige kamer dat thans over de zaak heeft

geoordeeld, niet bij de mondelinge behandeling van 11 januari 1995

aanwezig is geweest; dat van hetgeen zich ter zitting heeft

voorgedaan, geen gedingstukken aanwezig zijn; dat de rechter voor

de weergave van hetgeen ter zitting heeft plaatsgevonden, geen

andere kenbron tot zijn beschikking heeft dan zijn eigen

waarneming en deze waarneming te dezen heeft ontbroken; dat een en

ander te meer klemt, nu in het onderhavige geval blijkens 's Hofs

uitspraak bij de mondelinge behandeling nieuwe feitelijke gegevens

zijn aangedragen, die een belangrijke rol hebben gespeeld bij de

totstandkoming van het uiteindelijke oordeel van het Hof; dat aan

het voorgaande niet afdoet dat partijen de Eerste Enkelvoudige

Belastingkamer schriftelijk toestemming hebben verleend in de zaak

zonder nadere mondelinge behandeling uitspraak te doen.

3.4.2. Het Hof heeft kennelijk en terecht in het onderhavige

geval, waarin partijen de gelegenheid is geboden tot een nieuwe

mondelinge behandeling, het bepaalde in artikel 11, lid 4 van de

Wet [ARB] van overeenkomstige toepassing geacht. Het Hof is

daarbij terecht ervan uitgegaan dat ook het bepaalde in artikel

11b van de Wet - te weten dat de kamer welke de zaak zal

behandelen, met schriftelijke toestemming van de belanghebbende en

van de in artikel 8 van de Wet bedoelde ambtenaar zonder

mondelinge behandeling uitspraak kan doen - overeenkomstige

toepassing kan vinden.

Nu (?) partijen daarmee instemden, kon het Hof zonder

schending van enige rechtsregel op grond van de inhoud van de

gedingstukken uitspraak doen zonder dat voordien een nadere

mondelinge behandeling had plaatsgevonden. De omstandigheid dat

het lid van de Eerste Enkelvoudige Belastingkamer de mondelinge

behandeling van de zaak (?) niet had bijgewoond en de

omstandigheid dat van het ter zitting verklaarde niet een proces-

verbaal als bedoeld in artikel 14 van de Wet is gemaakt, kunnen

daaraan niet afdoen."

4.14.3. In rov. 3.3.2 blijft Uw Raad geheel binnen de met NJ 1985,

578, nog eens met zoveel woorden bevestigde grenzen, terwijl in

rov. 3.4.2 in feite al de in casu te nemen beslissing besloten

ligt. Ik kom daarop in § 5.8 terug.

4.14.4. Ik kan BNB 1997/333 niet helemaal rijmen met BNB 1986/266.

Dat laatste arrest betrof - ik herhaal het nog maar even - een

verwijzing van een enkelvoudige naar een meervoudige kamer, nadat

de enkelvoudige kamer de zaak mondeling had behandeld. Uw Raad

achtte art. 12 Wet ARB van toepassing zodat de meervoudige kamer

partijen voor een nieuwe mondelinge behandeling had dienen op te

roepen. Naar ik veronderstel geldt dezelfde regel ook als een

enkelvoudige kamer de zaak na de mondelinge behandeling verwijst

naar een andere enkelvoudige kamer. In BNB 1997/333 ging het -

naar Uw Raad oordeelde - niet om een verwijzing van de ene kamer

naar een andere, maar om een vervanging van de ene rechter door

een andere. Het hof had - naar Uw oordeel terecht - art. 11,

vierde lid, Wet ARB van overeenkomstige toepassing geacht. Maar

waarom zou art. 12 Wet ARB hier niet van overeenkomstige

toepassing zijn? Gelet op BNB 1986/266 zou dat logisch zijn

geweest. Want waarom bij verwijzing wel verplicht een nieuwe

mondelinge behandeling en bij vervanging niet? In beide gevallen

treden één of meer andere rechters op. Ik ben geneigd te

veronderstellen dat Uw Raad de strenge regel van BNB 1986/266

heeft willen verzachten. Als dat zo is, juich ik dat toe, ook al

betekent dat wellicht dat art. 12 Wet ARB een dode letter is

geworden. Erg is dat niet nu art. 11, vierde lid, Wet ARB hier

voldoende soelaas biedt en art. 12 Wet ARB daarnaast eigenlijk

overbodig is.

4.15. Het fiscale bestuursprocesrecht vertoont grote verwantschap

met het algemene bestuursprocesrecht en gaat binnenkort vrijwel

geheel daarin op als hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht

(hierna: Awb) ook van toepassing zal zijn in belastingzaken<(16) Zie wetsvoorstel nr. 25.175. In art. 27 van de Algemene wet inzake

rijksbelastingen zal worden bepaald dat op het beroep in belastingzaken

hoofdstuk 8 Awb - met enige thans niet van belang zijnde uitzonderingen -

van overeenkomstige toepassing is.

>.

Procesrechtelijke incidenten als vervanging, verwijzing en

schorsing komen natuurlijk ook in andere bestuursrechtelijke

procedures voor. Wat de vervanging betreft wijs ik op art. 55c Wet

RO, waarin voor de rechtbank hetzelfde wordt geregeld als in art.

71 Wet RO voor het hof.

4.16. Wat betreft de verwijzing en de schorsing zijn van belang de

volgende bepalingen uit de Awb:

Artikel 8:10

"1. De zaken die bij een rechtbank aanhangig worden gemaakt,

worden in behandeling genomen door een enkelvoudige kamer.

2. Indien een zaak naar het oordeel van de enkelvoudige kamer

ongeschikt is voor de behandeling door één rechter, verwijst zij

deze naar een meervoudige kamer. De enkelvoudige kamer kan ook in

andere gevallen een zaak naar een meervoudige kamer verwijzen.

3. Indien een zaak naar het oordeel van de meervoudige kamer

geschikt is voor verdere behandeling door één rechter, kan zij

deze verwijzen naar een enkelvoudige kamer.

4. Verwijzing kan geschieden in elke stand van het geding. Een

verwezen zaak wordt voortgezet in de stand waarin zij zich

bevindt."

Artikel 8:56

"Na afloop van het vooronderzoek worden partijen (?) uitgenodigd

om op een in de uitnodiging te vermelden plaats en tijdstip op een

zitting van de rechtbank te verschijnen."

Artikel 8:57

"Indien partijen daarvoor toestemming hebben gegeven, kan

rechtbank bepalen dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

In dat geval sluit de rechtbank het onderzoek."

Artikel 8:61

"1. (?).

2. De griffier houdt aantekening van het verhandelde ter zitting.

3. De griffier maakt een proces-verbaal op van de zitting, indien

de rechtbank dit ambtshalve of op verzoek van een partij die

daarbij belang heeft, bepaalt en indien hoger beroep wordt

ingesteld.

4. (?).

5. Het houdt een vermelding in van hetgeen op de zitting met

betrekking tot de zaak is voorgevallen.

6. (?).

7. Aan het proces-verbaal kunnen overgelegde pleitnotities worden

gehecht.

8. De rechtbank kan bepalen dat de verklaring van een partij (?)

geheel in het proces-verbaal zal worden opgenomen. (?)."

Artikel 8:64

"1. De rechtbank kan het onderzoek ter zitting schorsen. Zij kan

daarbij bepalen dat het vooronderzoek wordt hervat.

2. Indien bij de schorsing geen tijdstip van de nadere zitting is

bepaald, bepaalt de rechtbank dit zo spoedig mogelijk. De griffier

doet zo spoedig mogelijk mededeling aan partijen van het tijdstip

van de nadere zitting.

3. In de gevallen waarin schorsing van het onderzoek ter zitting

heeft plaatsgevonden, wordt de zaak op de nadere zitting hervat in

de stand waarin zij zich bevond.

4. De rechtbank kan bepalen dat het onderzoek ter zitting opnieuw

wordt aangevangen.

5. Indien partijen daarvoor toestemming hebben gegeven, kan de

rechtbank bepalen dat de nadere zitting achterwege blijft, In dat

geval sluit de rechtbank het onderzoek."

4.17. Over de gang van zaken na de schorsing zegt de MvT slechts<(17) Kamerstukken II, 1991/92, 22.495, nr. 3, blz. 139.

>:

"Het onderzoek ter zitting wordt hervat in de stand waarin het

zich op het tijdstip van de schorsing bevond. De rechtbank kan

echter besluiten dat het onderzoek opnieuw wordt aangevangen."

4.18. G.A.C.M. van Ballegooij schrijft<(18) Handboek Algemene wet bestuursrecht, Artikelsgewijs commentaar Art.

8:64, blz. 2.

>:

"De wet regelt niet dat aan de nadere zitting dezelfde rechters

deel moeten nemen. Dit is echter gewenst ter waarborging van de

continuïteit (vergelijk ook art. 21, vierde lid, [oud]

Beroepswet).

Na schorsing zal doorgaans het onderzoek ter zitting hervat worden

in de stand waarin het zich bevond (derde lid). Dit is echter niet

steeds opportuun. Hangende de schorsing kan het nader onderzoek

informatie opleveren die de zaak in een geheel ander daglicht

plaatst. Het vierde lid bepaalt dat de rechtbank dan kan beslissen

het onderzoek ter zitting opnieuw te laten aanvangen."

4.19. A.E. Schilder betoogt<(19) Rechtsbescherming: bestuursrechtspraak en bestuursprocesrecht, Mon. Awb

A3b (Kleijn/Schilder), blz. 65.

>:

Na afloop van de schorsing wordt de zaak op de nadere zitting

hervat in de stand waarin zij zich bevond (derde lid). Niet altijd

zal dit echter mogelijk of wenselijk zijn; de rechtbank kan ook

bepalen dat het onderzoek ter zitting opnieuw wordt aangevangen

(vierde lid). Of er tussentijds veranderingen toegestaan zijn in

de samenstelling van de kamer, vermeldt de wet niet. Soms zal het

rooster van de rechtbank de noodzaak daarvan wel met zich mee

brengen, maar indien mogelijk verdient eenzelfde samenstelling

vanuit oogpunt van continuïteit onzes inziens wel de voorkeur.

[noot: Oude proceswetten zoals art. 21, vierde lid, van de Beroepswet

bevatten wel een regeling. Deze bepaling luidde: 'In hetzelfde twistgeding

blijft de behandeling ter terechtzitting en de beraadslaging en beslissing

in raadkamer en de samenstelling van de raad van beroep zoveel mogelijk

onveranderd'."

4.20. D. Allewijn betoogt<(20) Bestuursprocesrecht, B3.6.6.9 (Allewijn), § 6.9. Zie ook M. Schreuder-

Vlasblom, de Algemene wet bestuursrecht, het bestuursprocesrecht, blz.

145, en A.Q.C. Tak in Commentaar Algemene wet bestuursrecht, Art. 8:64,

aant. 4.

>:

"Bij de schorsing wordt de verdere gang van zaken doorgaans met

partijen besproken: soms wordt meteen een nieuwe zittingsdatum

afgesproken, vaak (met name als het vooronderzoek wordt hervat) is

dat echter niet mogelijk. In dat laatste geval doet de griffier zo

spoedig mogelijk aan partijen mededeling van de nadere zitting

(art. 8:64, tweede lid). In de praktijk wordt gewoon weer een

nieuwe uitnodiging als bedoeld in art. 8:56 verzonden. Op de

nieuwe zitting wordt het onderzoek hervat in de stand waarin het

zich bevond toen het werd geschorst (derde lid). Maar de rechtbank

kan bepalen dat het onderzoek opnieuw wordt aangevangen (vierde

lid). Zij zal dat doen als de samenstelling van de rechtbank

gewijzigd is (bijv.: er was geschorst om de zaak naar een

meervoudige kamer te verwijzen) of als er een nieuwe partij in het

geding is geroepen."

4.21. De parallel tussen het tweede lid van art. 322 Sv en het

vierde lid van art. 8:64 Awb is opvallend. Wöretshofer<(21) Tekst & Commentaar Strafvordering, Art. 322, aant. 3. Zie ook

Minkenhof/Reijntjes, De Nederlandse Strafvordering, zevende druk, blz.

293.

> schrijft

over de strafvorderlijke regeling:

"Volgens het tweede lid van artikel 322 is de rechtbank bevoegd

bevelen dat het onderzoek op de terechtzitting opnieuw wordt

aangevangen. Soms is de rechtbank daartoe verplicht, namelijk als

de samenstelling van de rechtbank gewijzigd is en (?). De reden

voor de eerste is gelegen in de eis van artikel 350, dat de

rechtbank beraadslaagt en vonnist naar aanleiding van het

onderzoek ter terechtzitting en is tevens een uitvloeisel van het

onmiddellijkheidsbeginsel."

5. Beschouwing naar aanleiding van het beroep in cassatie

5.1. Een behoorlijke procesorde brengt mee - in de woorden van BNB

1997/333 - dat in beginsel slechts de leden van een kamer, die

zelf de zaak ter zitting hebben behandeld, meewerken aan de

beslissing en dat dit beginsel slechts uitzondering leidt indien

vervanging van een lid onvermijdelijk is dan wel door gewichtige

redenen wordt gerechtvaardigd. Aldus wordt benadrukt het belang

van - wat Snijders noemt - de personele eenheid van behandeling en

uitspraak, opdat de eigen waarneming van de rechter als

uitvloeisel van het onmiddellijkheidsbeginsel ten volle in de

uitspraak tot uitdrukking kan komen.

5.2. Verbreking van die personele eenheid kan onvermijdelijk zijn

of door gewichtige omstandigheden worden gerechtvaardigd. Indien

de wet - zoals te dezen - geen aanwijzingen geeft, moet het -

zoals in NJ 1985/578 tot uitdrukking komt - ervoor worden gehouden

dat de feitenrechter zelf heeft te beoordelen of zich een zodanige

uitzondering voordoet en dat hij in zijn beslissing daarvan geen

rekenschap behoeft te geven.

5.3.1. Is in het onderhavige geval de zaak verwezen van de zevende

naar de tiende enkelvoudige kamer of is rechter Groeneveld

vervangen door rechter Holdert?

5.3.2. Een in dit opzicht vergelijkbare casus is BNB 1997/333,

waar de tweede enkelvoudige kamer met rechter A de zaak mondeling

heeft behandeld en de eerste enkelvoudige kamer met rechter B de

uitspraak deed. Uw Raad zag hierin niet een verwijzing van de

tweede naar de eerste enkelvoudige kamer, maar een vervanging van

rechter A door rechter B. De consequenties van de ene of de andere

benadering zijn duidelijk. Immers, zou sprake zijn van een

verwijzing, dan zou BNB 1986/266 hebben meegebracht dat partijen

opnieuw hadden moeten worden opgeroepen voor de verdere

behandeling van de zaak door de eerste enkelvoudige kamer,

aangezien hof en partijen van die behandeling niet hadden kunnen

afzien<(22) Tenzij juist is wat ik in § 4.14.4 veronderstelde.

>. Dat laatste kon wel nu het ging om een vervanging.

5.3.3. Het komt mij voor dat in het onderhavige geval dezelfde weg

kan worden bewandeld, zodat moet worden gezegd dat rechter

Groeneveld is vervangen door rechter Holdert. Er is nog een, zij

het meer triviale reden om niet de kant van de verwijzing op te

gaan. 's Hofs eigen Reglement van orde kent niet een tiende

enkelvoudige belastingkamer. Die kamer bestaat rechtens dus niet.

Verwijzing naar een niet bestaande kamer kan dus geen effect

hebben. Niettemin is de zaak na het defungeren van mr. Groeneveld

wel berecht door een ander lid van het Hof, mr. Holdert, en er is

geen rechtsregel die zich daartegen verzet.

5.4. De vervanging is gevolgd op een schorsing. Uit de

gedingstukken begrijp ik dat de schorsing twee doelen diende. Op

de eerste zitting produceerde belanghebbende als bewijs van zijn

stelling dat de waarde van zijn onroerende zaak op de

waardepeildatum 1 januari 1993 ƒ 600.000 bedroeg - naast enkele

foto's en een kranteknipsel - een taxatierapport van Makelaardij

Boonstra. De taxatie van Boonstra vermeldt een onderhandse

verkoopwaarde vrij van huur en gebruik per 7 maart 1995 (de datum

van opneming) van ƒ 750.000. Belanghebbende werd door het hof in

staat gesteld om met een nader taxatierapport zijn eerdervermelde

stelling te bewijzen. Dat was het ene doel van de schorsing. Het

andere doel was de gemachtigde van het College, die niet direct op

het taxatierapport van Boonstra kon reageren, de gelegenheid te

bieden dat later schriftelijk te doen. Beide doelen zijn gehaald:

belanghebbende heeft nader bewijs bijgebracht en het College heeft

schriftelijk gereageerd.

5.5. Na de schorsing zijn partijen opgeroepen voor een tweede

mondelinge behandeling van de zaak. Beide partijen zijn

verschenen. Welke procesrechtelijke regels gelden nu? Art. 12 Wet

ARB is niet rechtstreeks van toepassing - de zaak is immers niet

verwezen - maar zou bij wijze van analogie kunnen worden

toegepast. Hetzelfde geldt voor art. 11, vierde lid, Wet ARB. Dat

betekent dat er een verdere of een nieuwe behandeling van de zaak

plaatsvindt. Ook zou art. 16 Wet ARB van toepassing kunnen zijn,

zodat partijen opnieuw in de gelegenheid worden gesteld haar

standpunt mondeling toe te lichten. Hoe dan ook, er is een tweede

zitting gehouden en partijen hadden op die zitting de mogelijkheid

hun zaak andermaal te bepleiten en daarbij al hun argumenten

(nogmaals) naar voren te brengen.

5.6. Had, nu de samenstelling van de kamer die de zaak behandelde,

geheel was gewijzigd, het onderzoek ter zitting opnieuw moeten

aanvangen? Gelet op de aangehaalde bestuursrechtelijke literatuur

lijkt die vraag onder het Awb-regime bevestigend te moeten worden

beantwoord. De tweede rechter mist immers de eigen waarneming van

de eerste zitting. In die lacune kan echter met een proces-verbaal

worden voorzien. De gang van zaken ter zitting wordt daarin

zakelijk weergegeven, pleitnotities en andere producties worden

daaraan aangehecht en de rechter neemt zijn instructie van de zaak

erin op. Ik zou menen dat een goede procesorde - niet alleen naar

komend, maar ook naar huidig recht - meebrengt dat in geval van

schorsing, zeker als deze gepaard gaat met verwijzing of

vervanging, een proces-verbaal wordt opgemaakt. Eerst dan kan met

recht een verdere behandeling van de zaak plaatsvinden.

5.7. De vraag is echter of in het onderhavige geval het ontbreken

van een proces-verbaal erg bezwaarlijk is. Belanghebbende heeft op

de eerste zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd. Uit

het beroepschrift in cassatie begrijp ik dat in die pleitnota zijn

hele voor het Hof gehouden betoog staat. Zou belanghebbende op de

voet van art. 14, tweede lid, Wet ARB hebben verzocht dat van zijn

verklaring ter zitting proces-verbaal zou worden opgemaakt, dan

zou dat proces-verbaal nooit meer hebben vermeld dan in de

pleitnota staat. De pleitnota behoort tot de gedingstukken<(23) Het behoort tot de gedingstukken omdat het Hof de inhoud ervan als

ingelast in de uitspraak beschouwt. In mijn noot onder HR 21 juni 1995,

nr. 30.197, FED 1995/778, betoogde ik (in pt. 10) dat ook zonder die

sacrale woorden een ter zitting voorgedragen en overlegde pleitnota tot

gedingstukken behoort, mits de rechter het beginsel van hoor en wederhoor

in acht neemt.

>. De

tweede rechter heeft er dus kennis van genomen, waarmee de

waarneming van de eerste rechter de waarneming van de tweede

rechter is geworden. Op de tweede zitting kon het proces dus

worden vervolgd met de berechting van het waardegeschil en de

daarbij behorende bewijslevering. In die gang van zaken kan ik

niet een schending van een rechtsregel ontwaren. Immers, aldus is

gewaarborgd dat hetgeen door partijen op de eerste zitting is

aangevoerd ook werkelijk bij de totstandkoming van de uitspraak

door de tweede rechter wordt meegewogen, waarmee mijn in § 1.1

gesteld vraag is beantwoord.

5.8. In § 4.14.3 schreef ik dat in rov. 3.4.2 van BNB 1997/333 in

feite al de thans te nemen beslissing besloten ligt. Ik doel op de

tweede alinea van die rov. waarin, nu partijen hadden afgezien van

een tweede mondelinge behandeling, niet van belang werd geoordeeld

dat de tweede rechter de eerste mondelinge behandeling niet had

bijgewoond en evenmin van belang werd geacht dat van die

mondelinge behandeling geen proces-verbaal is opgemaakt. Welnu, in

een geval waarin wel een tweede mondelinge behandeling plaatsvond,

moet a fortiori hetzelfde gelden.

6. Beoordeling van de klachten

6.1. Na een inleiding verwoordt belanghebbende op de voorlaatste

bladzijde van zijn (aanvullende) beroepschrift in cassatie twee

klachten. De klacht onder 1 betreft de kennisoverdracht van de

eerste op de tweede rechter. De klacht onder 2 gaat over de

"weging van de argumenten" door het

6.2. De klacht onder 2 is gericht tegen de oordelen van het Hof

inzake de door de gemeente en belanghebbende overgelegde

taxatierapporten. Deze oordelen berusten op de aan het Hof

voorbehouden keuze en waardering van de bewijsmiddelen en kunnen

als zijnde niet onbegrijpelijk in cassatie niet met vrucht worden

bestreden. Deze klacht wordt derhalve tevergeefs voorgesteld.

6.3. De klacht onder 1 valt uiteen in een algemeen deel (i) en

twee specifieke onderdelen (ii en iii); zij luidt als volgt<(24) Ter wille van de leesbaarheid bracht ik een subnummering en enkele

witregels aan.

>:

"(i) Door mij niet in kennis te brengen van de vervanging van

rechter, ben ik niet in staat geweest te kontroleren of alle

argumenten die in de eerste zitting zijn aangevoerd ook zijn

meegewogen. M.a.w. of er een overdracht van kennis heeft

plaatsgevonden tussen de eerste en de tweede rechter.

(ii) Dit uit zich o.a. in de vermelding in de schriftelijke

uitspraak dat ik het taxatie rapport van de Gemeente niet heb

aangevochten. Dat heb ik uitdrukkelijk wel gedaan, maar in de

mondelinge eerste zitting.

(iii) Bovendien zijn door de uitspraak van de eerste rechter dat

er alleen sprake zou zijn van de afgeleide waarde van het huis

genoemd in het AEGON rapport naar peildatum 1 jan. 1993,

verwachtingen gewekt die door de tweede rechter volkomen terzijde

zijn geschoven. Hierdoor is de rechtsgang ernstig verstoord."

6.4. Subklacht (i) heb ik in feite al behandeld in § 5.1 tot en

met § 5.8; ik verwijs daarnaar. Te dezen is de kennisoverdracht

van de eerste op de tweede rechter gewaarborgd door de fictieve

insertie van belanghebbendes pleitnota in 's Hofs uitspraak. Naar

komend recht zou de pleitnota aan het proces-verbaal van de

terechtzitting worden gehecht; het resultaat is hetzelfde. Waar

het Hof niet gehouden is van de vervanging van de ene rechter door

de andere rekenschap te geven, is het - a fortiori - evenmin

gehouden van die vervanging mededeling te doen aan de

procespartijen. Subklacht (i) faalt dus.

6.5. Helemaal lekker zit mij dat laatste echter niet. Ik zou menen

dat een klantgerichte houding<(25) Dat klinkt wellicht wat modieus, maar zo langzamerhand begint bij het

meer verlichte deel van de rechterlijke macht de gedachte post te vatten

dat de naar binnen gekeerde blik wat meer naar buiten moet worden

gericht: op de rechtzoekenden dus. Ik besef dat de term "klant" ware te

vermijden, maar weet zo gauw in dit verband geen betere.

> van de hoven meebrengt dat in de

oproeping voor de mondelinge behandeling de namen van de zitting

hebbende rechters worden meegedeeld. Immers, dan pas zijn partijen

in staat na te gaan of er wellicht gronden voor wraking zijn. Nu

zal men mij wellicht willen tegenwerpen dat daarmee

wrakingsverzoeken worden uitgelokt en dat dit toch niet de

bedoeling kan zijn. Maar die critici wijs ik erop dat als partijen

niet weten wie er zitting heeft - naambordjes zijn ook al niet

gebruikelijk - het wrakingsartikel in feite een dode letter is, en

dat kan evenmin de bedoeling zijn. Maar afgezien daarvan is het

toch eigenlijk wel gek dat partijen tijdens het hele proces worden

bediend door een anonymus in een toga, van wie de identiteit pas

met de uitspraak wordt onthuld. Namen noemen dus.

6.6. Misschien moet daarom wel worden aangenomen dat het tot de

regels van een goede procesorde behoort dat een verwijzing van een

zaak naar een andere kamer of - zoals te dezen - een vervanging

van de zetel, ook al is sprake van een nadere mondelinge

behandeling, aan de betrokken partijen van te voren wordt

medegedeeld<(26) Belanghebbende had op grond van de oproepingen kunnen weten dat sprake

was van een verwijzing van zijn zaak of van een vervanging van de rechter

nu de tweede mondelinge behandeling zou plaatsvinden voor de tiende

enkelvoudige kamer terwijl de eerste oproep was gedaan voor de zevende

enkelvoudige kamer. Hieruit is weliswaar niet zonder meer duidelijk, maar

wel waarschijnlijk dat een andere rechter de zaak zou behandelen.

>. Wat daarvan zij, het enkele nalaten hiervan heeft

echter geen gevolgen want, zo dit verzuim al zou kunnen worden

aangemerkt als een vormverzuim, dan is het toch niet van dien aard

dat daaruit de nietigheid van 's Hofs uitspraak als bedoeld in

art. 99, eerste lid, aanhef en ten 1°, Wet RO voortvloeit, zeker

nu belanghebbende door dat verzuim niet is benadeeld<(27) Vgl. art. 6:22 Awb.

>.

6.7. Ten slotte kan de vraag worden gesteld of de impliciete

stelling van belanghebbende dat hij door de vervanging van de

rechter is benadeeld, wel voor het eerst in cassatie naar voren

kan worden gebracht. Het ligt dunkt mij meer voor de hand dat die

stelling al eerder en wel tijdens de nadere mondelinge behandeling

voor het Hof wordt aangevoerd. Of sprake is van benadeling vergt

immers een onderzoek van feitelijke aard.

6.8. Subklacht (ii) mist feitelijke grondslag. In de uitspraak van

het Hof is niet overwogen dat belanghebbende het door het College

overgelegde taxatierapport<(28) Dit taxatierapport is als bijlage gevoegd bij het voor het Hof

ingediende vertoogschrift.

> niet heeft betwist, maar dat hij het

rapport onvoldoende heeft betwist. Immers het Hof overwoog:

"6.1. Gelet op de onderbouwing van de waarde zoals vermeld in het

door de inspecteur overgelegde taxatierapport, welke door

belanghebbende onvoldoende is betwist, acht het Hof aannemelijk

dat de waarde van het pand niet te hoog is vastgesteld."

6.9. Bovendien stelt belanghebbende in de inleiding van zijn

(aanvullende) beroepschrift in cassatie op de tweede pagina over

de gang van zaken op de eerste zitting:

"Tijdens of na mijn betoog vroeg de griffier mij: "heeft U dit zo

allemaal opgeschreven, (wat inderdaad met de hand zo was), dan

hoef ik dat niet allemaal op te schrijven.""

6.10. Subklacht (iii) begrijp ik aldus. Belanghebbende stelt dat

door de rechter op de eerste zitting een toezegging is gedaan, die

door de tweede rechter niet is nagekomen. Uit de stukken van het

geding is af te leiden dat belanghebbende tijdens de eerste

mondelinge behandeling een taxatierapport van zijn woonhuis heeft

overgelegd. Aangezien in dit rapport een waarde wordt aangegeven

per de datum van opneming, 7 maart 1995, is belanghebbende op de

eerste zitting in de gelegenheid gesteld gegevens aan te dragen

inzake de waarde voor de hier geldende waardepeildatum van 1

januari 1993. De toezegging zou hieruit hebben bestaan dat, indien

een (nader) taxatierapport door belanghebbende ten aanzien van de

juiste peildatum zou zijn overgelegd, de door belanghebbende

voorgestane waarde als juist zou worden aangemerkt.

6.11. Dit onderdeel van de klacht faalt naar mijn mening evenzeer.

Zij mist feitelijke grondslag omdat in 's Hofs uitspraak noch in

de stukken van het geding - de enige kenbronnen voor Uw Raad -

steun voor de subklacht valt te vinden.

6.12. Hoewel juist is die afdoening niet echt bevredigend nu het

belanghebbende vooral dwars zit dat - volgens hem - de tweede

rechter niet wist wat de eerste rechter had gedaan. Laat ik daarom

veronderstellenderwijs ervan uitgaan dat de eerste rechter

inderdaad een toezegging<(29) In feite ging het, zoals ik in § 5.4 betoogde, om een bewijsopdracht.

> heeft gedaan. Dan zou ervan kunnen worden

uitgegaan dat door hem een (mondelinge) tussenuitspraak is gedaan.

Een tussenuitspraak is in het belastingprocesrecht niet

gebruikelijk maar behoort wel tot de mogelijkheden. Maar deze

vergaande veronderstelling zou belanghebbende nog niets opleveren

omdat een tussenuitspraak, zelfs als deze schriftelijk is gedaan,

voor het hof en partijen niet bindend kan worden geacht. Op in een

tussenuitspraak genomen beslissingen kan het Hof immers altijd

terugkomen<(30) Zie Meyjes/Van Soest/Van den Berge/Van Gelderen, a.w., blz. 189.

>.

7. Conclusie

De klachten ongegrond bevindend concludeer ik tot verwerping van

het beroep in cassatie.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G