Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:1999:AA1482

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
29-10-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
R99/009HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1999:AA1482
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wijzigingswet Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (limitering van alimentatie na scheiding) II
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 1999, 98
NJ 2000, 62
RvdW 1999, 161
EB 2000, 2
FJR 2000, 4
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rek.nr. R99/009HR Mr Strikwerda

Parket, 10 sept. 1999 conclusie inzake

C.M.A. Kruitwagen

tegen

H.E.B. Zuiverloon

Edelhoogachtbaar College,

1. De partijen in dit geding zijn op 25 oktober 1957 met

elkaar gehuwd. Hun huwelijk is op 22 juli 1982 ontbonden door

inschrijving van het echtscheidingsvonnis van de Rechtbank te

Haarlem van 16 maart 1982 in de registers van de burgerlijke

stand. In genoemd echtscheidingsvonnis is de man (thans ver

weerder in cassatie) veroordeeld om aan de vrouw (thans ver

zoekster van cassatie) een bijdrage in de kosten van haar

levensonderhoud te betalen van f 2.000,- per maand. Bij be

schikking van de Rechtbank te Haarlem van 18 december 1992 is

de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de

vrouw nader vastgesteld op een bedrag van f 2.200,-.

2. Op 15 augustus 1997 heeft de man bij de Rechtbank te 's-

Hertogenbosch een verzoekschrift ingediend strekkende tot

wijziging van de zojuist genoemde beschikking van de Rechtbank

te Haarlem in die zin dat hij primair heeft verzocht zijn

onderhoudsverplichting jegens de vrouw per 22 juli 1997 te

beëindigen en subsidiair de onderhoudsbijdrage te verminderen en

vast te stellen op zodanig bedrag als de rechtbank juist acht.

In cassatie gaat het nog slechts om het primaire verzoek. De

man heeft dit verzoek, kennelijk met een beroep op art. II lid

2 van de Wet van 28 april 1994, Stb. 1994, 324, zoals

gewijzigd bij wet van gelijke datum, Stb. 1994, 325 (hierna:

Wet limitering na scheiding), gegrond op het feit dat op 22

juli 1997 zijn onderhoudsverplichting 15 jaar heeft geduurd.

3. De vrouw heeft het verzoek van de man bestreden. Zij

heeft, wat het primair verzochte betreft, gesteld dat beëindi

ging van de alimentatieverplichting voor haar te ingrijpend

zal zijn. De vrouw heeft in dat verband aangevoerd dat zij dan

genoodzaakt zal zijn een uitkering ingevolge de Algemene

Bijstandswet aan te vragen hetgeen een aanzienlijke inkomenda

ling tot gevolg zal hebben.

4. Bij beschikking van 3 maart 1998 heeft de Rechtbank zowel

het primaire als het subsidiaire verzoek van de man afgewezen.

Ten aanzien van het primaire verzoek was de Rechtbank van

oordeel dat in deze zaak beëindiging van de alimentatie met

ingang van 22 juli 1997 van zo ingrijpende aard is, dat deze

naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de

vrouw kan worden gevergd. Daarbij hechtte de Rechtbank belang

het feit dat (a) het huwelijk van partijen de verdiencapaci

teit van de vrouw negatief heeft beïnvloed, (b) beëindiging

van de alimentatie leidt tot een aanmerkelijke inkomensdaling

bij de vrouw, en (c) de vrouw tot op heden geen recht op

pensioenverrekening heeft.

5. Op het hoger beroep van de man heeft het Gerechtshof te

's-Hertogenbosch bij beschikking van 18 november 1998 de

beschikking van de Rechtbank evenwel vernietigd en de alimen

tatieverplichting van de man met ingang van 1 juli 1999 beëin

digd. Het Hof is bij zijn beslissing (kennelijk) uitgegaan van

de volgende feiten en omstandigheden (r.o. 4.5):

(i) De vrouw heeft tijdens het huwelijk ongeveer 20 jaar, tot

1980, gewerkt. Zij verrichtte werkzaamheden als medewerkster

bij het post sorteren en als gediplomeerd kinderverzorgster in

de peuteropvang, voor 3 à 4 uur per dag, gedurende 5 dagen per

week.

(ii) Op het moment van de echtscheiding was de vrouw 44 jaar

oud en had zij niet meer de dagelijkse zorg over de inmiddels

meerderjarige kinderen van partijen.

(iii) Bij toewijzing van het limiteringsverzoek zal de vrouw

in netto-inkomen teruggaan van ca. f 1.800,- à f 1.900,- naar

het bijstandsniveau voor een alleenstaande.

(iv) Aan de vrouw is in 1989 een bedrag van f 65.000,- uitge

keerd.

(v) De vrouw - die in februari 1999 62 jaar is geworden -

heeft een beperkt eigen ouderdomspensioen opgebouwd van f

3.314,- bruto per jaar. Zij heeft bij de echtscheiding geen

rechten op het pensioen van de man verkregen. Op 14 augustus

1997 is de vrouw een procedure jegens de man gestart waarin

zij onder meer vordert de man te veroordelen tot medewerking

aan verdeling van de pensioenrechten zoals opgebouwd tot einde

huwelijk.

(vi) De vrouw heeft verklaard een huurlast van f 1.185,- per

maand te hebben.

Gelet op deze feiten en omstandigheden is het Hof tot het

oordeel gekomen dat beëindiging van de alimentatieverplichting

van de man weliswaar ingrijpend is, maar niet van zo ingrij

pende aard, dat deze naar maatstaven van redelijkheid en

billijkheid niet van de vrouw gevergd kan worden (r.o. 4.6).

Daarbij heeft het Hof in aanmerking genomen

"dat de verdiencapaciteit van de vrouw slechts in beperk

te mate nadelig beïnvloed is geweest. Zij heeft tijdens

huwelijk een langdurig arbeidspatroon gekend dat aansloot

bij haar opleiding. Ten tijde van de huwelijksontbinding

was er slechts een relatief korte arbeidsloze periode en

had zij geen minderjarige kinderen meer te verzorgen.

Weliswaar bestaat er thans nog geen duidelijkheid over de

kwestie van de pensioenverevening maar de vrouw heeft

voldoende gelegenheid gehad om gelet op de uitkering in

1989 aanvullende voorzieningen te treffen naast haar

beperkt ouderdomspensioen."

6. De vrouw is tegen de beschikking van het Hof (tijdig) in

cassatie gekomen met één middel. De man heeft een verweer

schrift ingediend en daarbij verzocht het beroep te verwerpen.

7. Het middel richt zich tegen het in r.o. 4.6 van 's Hof

beschikking neergelegde oordeel dat, gelet op de in r.o. 4.5

van die beschikking opgesomde feiten en omstandigheden, beëin

diging van de alimentatieverplichting van de man weliswaar

ingrijpend is, maar niet van zo ingrijpende aard, dat deze

naar maatstaven van redelijkheid niet van de vrouw kan worden

gevergd. Het middel klaagt dat dit oordeel blijk geeft van een

onjuiste rechtsopvatting en/of onvoldoende begrijpelijk is

gemotiveerd. Het Hof zou een onjuiste afweging van belangen

hebben gemaakt en niet hebben voldaan aan de zware motive

ringseisen die moeten worden gesteld aan een beslissing als de

onderhavige.

8. De Hoge Raad heeft in een drietal beschikkingen, alle van

26 maart 1999, RvdW 1999, 52C, 53C en 54C, aanwijzingen gege

ven voor de toepassing van de in het tweede lid van art. II

van de Wet limitering na scheiding vervatte uitzonderingsre

gel. Als uitgangspunt stelt de Hoge Raad in die beschikkingen

voorop dat aan beslissingen waarin het beroep van de alimenta

tiegerechtigde op de uitzondering aanstonds wordt verworpen

dan wel slechts voor een beperkte termijn en met de uitslui

ting van de mogelijkheid van verlenging van de termijn in

verband met hun ingrijpend karakter hoge motiveringseisen

moeten worden gesteld. De Hoge Raad vervolgt (ik citeer uit HR

26 maart 1999, RvdW 54C, r.o. 3.3):

"Ter beantwoording van de voor het beroep op voormelde

uitzondering beslissende vraag of de beëindiging van de

uitkering van zo ingrijpende aard is dat deze naar maat

staven van redelijkheid en billijkheid niet van degene

die tot de uitkering is gerechtigd, kan worden gevergd,

dienen - teneinde te beoordelen of toepassing van de

hoofdregel in dit individuele geval hoogst onrechtvaardig

zou zijn - alle relevante omstandigheden van het geval,

zowel die aan de zijde van de tot alimentatie gerechtigde

als die aan de zijde van de alimentatieplichtige in

aanmerking te worden genomen en in onderling verband te

worden gewogen. (...).

De hoge motiveringseisen brengen daarom mee dat de rech

ter, indien de alimentatiegerechtigde voldoende gemoti

veerd stelt dat voor toepassing van de uitzondering grond

is en de feiten waarop deze stelling steunt bij betwis

ting, althans voor zover het gaat om omstandigheden van

de alimentatiegerechtigde, aannemelijk maakt, bij het

nemen van de beslissing als hiervoor bedoeld moet doen

uitkomen welke omstandigheden hij in aanmerking heeft

genomen en hoe hij deze in zijn afweging heeft betrokken.

Terwille van de hanteerbaarheid van het systeem dient

daarbij evenwel als vuistregel te worden aanvaard dat

ingeval de beëindiging van de uitkering voor de alimenta

tiegerchtigde geen of slechts een relatief onbetekenende

terugval in inkomen ten gevolge heeft, de rechter in

beginsel zonder meer, en met name zonder in zijn motive

ring de verdere omstandigheden van het geval te hoeven

betrekken, mag aannemen dat het beroep op de uitzondering

faalt. In uitzonderlijke gevallen zal voor toepassing van

deze vuistregel echter geen plaats zijn. Dat zal zo zijn

indien de verdere omstandigheden van het geval onmisken

baar zó zwaarwegende billijkheidsargumenten tegen afwij

zing van het beroep op de uitzondering opleveren, dat de

rechter daaraan in zijn motivering niet voorbij kán gaan

en moet laten uitkomen dat en hoe hij ook die verdere

omstandigheden in zijn afweging heeft betrokken."

9. Waar het Hof ervan is uitgegaan dat de vrouw bij toewij

zing van het limiteringsverzoek in netto-inkomen zal teruggaan

van ca. f 1.800,- à f 1.900,- naar het bijstandsniveau voor

een alleenstaande, kan niet gezegd worden dat in het onder

havige geval de beëindiging van de uitkering voor de vrouw

geen of slechts een relatief onbetekenende terugval in inkomen

ten gevolge heeft. Voor toepassing van de door de Hoge Raad be

doelde vuistregel is dus geen plaats. Het Hof had dan ook alle

relevante omstandigheden van het geval, zowel die aan de zijde

van de vrouw als die aan de zijde van de man, in aanmerking

moeten nemen en in onderling verband moeten wegen en het Hof

had in zijn beschikking moeten doen uitkomen welke omstan

digheden hij in aanmerking heeft genomen en hoe hij deze in

zijn afweging heeft betrokken.

10. Aan deze hoge motiveringseisen voldoet 's Hof beslissing

naar mijn oordeel niet. Het Hof heeft onvoldoende duidelijk

gemaakt waarom beëindiging van de alimentatieverplichting van

de man per 1 juli 1999 naar maatstaven van redelijkheid en

billijkheid van de vrouw kan worden gevergd. Met name blijkt

niet of en, zo ja, hoe het Hof omstandigheden aan de zijde van

de man, met name diens financiële omstandigheden, in zijn

afweging heeft betrokken. Aldus heeft het Hof miskend dat alle

relevante omstandigheden van het geval in aanmerking dienen te

worden genomen en dat de financiële omstandigheden van de

alimentatieplichtige in beginsel niet zonder belang zijn voor

het antwoord op de vraag wat naar maatstaven van redelijkheid

en billijkheid van ieder van partijen kan worden gevergd. De

daarop gerichte klacht van het middel treft dan ook naar mijn

oordeel doel.

11. Bovendien is zonder nadere motivering - welke ontbreekt -

niet begrijpelijk hoe het Hof heeft kunnen oordelen dat de

vrouw, al aangenomen dat haar financiële omstandigheden in

1989 haar voldoende ruimte lieten om de toen ontvangen uitke

ring geheel of ten dele aan te wenden om een aanvullende

pensioenvoorziening te treffen (de vrouw heeft dat gemotiveerd

ontkend), een zodanige voorziening had kunnen treffen dat zij

de terugval in inkomen juist per 1 juli 1999 (de vrouw is in

februari 1999 62 jaar oud geworden) had kunnen opvangen. Ook

de daarop gerichte klacht van het middel komt mij derhalve

gegrond voor.

12. Op grond van dit een en ander meen ik dat het middel doel

treft en dat de bestreden beschikking niet in stand kan blij

ven. Na verwijzing zullen ter beantwoording van de vraag of de

beëindiging van de uitkering van zo ingrijpende aard is dat

deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van

de vrouw kan worden gevergd alsnog alle relevante omstandighe

den van het geval, ook die aan de zijde van de man, in aanmer

king dienen te worden genomen en in onderling verband dienen

te worden gewogen.

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschik

king van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch en tot verwijzing

van de zaak ter verdere behandeling en beslissing naar een

ander gerechtshof.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,