Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:1998:AA2565

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
18-11-1998
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
31757
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1998:AA2565
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Successiewet 1956 1
Successiewet 1956 1
Successiewet 1956 17
Successiewet 1956 21
Successiewet 1956 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FED 1998/772
FED 1999/652
WFR 1998/1705, 1
V-N 1998/56.23
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nrs. 31.757 en 31.758 Mr Moltmaker

Derde kamer B Conclusie inzake:

Schenkingsrecht DE STAATSSECRETARIS VAN FI-NANCIËN

tegen

Parket, 28 november 1996 RABO TRUST COMPANY (JERSEY)

LIMITED in haar hoedanigheid

van trustee van de

BY TRUST

resp. de

AY TRUST

Edelhoogachtbaar College

1 Feiten en geschil

1.1 Voor de feiten verwijs ik in de eerste plaats naar de punten 1.1 tot en met 1.8 van de als bijlage 1 hierbij gevoegde conclusie in de zaak nr. 31.756.

1.2 De inspecteur heeft wegens de vermogensoverdracht in 1992 door JX aan BY Trust van ? 6.416 een aanslag in het schenkings-recht aan BY Trust, c/o Rabo Trust Company Limi-ted, opgelegd van ? 1.663. Op deze aanslag heeft de zaak nr. 31.757 betrek-king alsmede de uitspraak van het hof van 30 november 1995, nr. 93/4514.

1.3 De inspecteur heeft wegens de vermogensoverdrachten in 1992 door JX aan AY Trust van ? 6.416 + ? 1.500.000 + 38.414.000 of in totaal ? 39.920.416 een aanslag in het schen-kingsrecht aan AY Trust, c/o Rabo Trust Company Limited, opge-legd ten bedra-ge van ? 27.028.995. Op deze aan-slag heeft de zaak nr. 31.758 betrek-king, alsmede de uitspraak van het hof van 30 november 1995, nr. 93/4513.

1.4 Het hof overweegt (rov. 6.3):

"Naar 's Hofs oordeel biedt de Wet evenwel geen of onvol-doende aanknopingspunten om de trust in dit geval als belastingplichtige in de zin van de Successiewet 1956 (hierna: de Wet) te kunnen aanmerken en de afzondering van het trustvermogen als een verkrijging te kunnen aanmerken en belasten. Allereerst geldt dat de trust geen rechts-persoon is, niet naar Nederlands recht en evenmin naar Anglo-Amerikaans recht; van een verkrijging van het onder het verband van een trust gebrachte vermogen is derhal-ve geen sprake. Dit vermogen komt toe aan de trus-tee (doch ten aanzien van deze ontbreekt het motief van vrijgevigheid, zodat geen schenking aanwezig is). De Wet biedt geen aanknopingspunt om een doelvermogen of enti-teit sui generis, zonder rechtspersoonlijkheid, als belasting-plichtige aan te merken of met schenkingsrecht te belas-ten. Artikel 17 van de Wet ziet naar de duidelij-ke tekst ervan niet op een trust, en uit de geschiedenis van dit artikel blijkt niet dat de wetgever zulks mede heeft beoogd."

1.5 In rov. 6.4 verwerpt het hof de stelling van de inspecteur, dat de trusts ter ontduiking van de wet zijn ingesteld.

1.6 De staatssecretaris heeft tegen de uitspraken van het hof beroep in cassatie ingesteld.

In cassatiemiddel I betoogt de staatssecretaris, dat in de visie van het hof een zwevend vermogen ontstaat, dat buiten bereik blijft van zowel het schenkingsrecht als het successie-recht, hetgeen in strijd met doel en strekking van de wet is. In die situatie ligt het in de rede, aldus de staatssecreta-ris, om op basis van een teleo-logische interpretatie van de wet de trust als entiteit sui generis te belasten wegens het in trust brengen van vermogen.

Cassatiemiddel II acht het oordeel van het hof dat de trust niet ter ontduiking van de wet is ingesteld, onjuist dan wel onvoldoende gemotiveerd.

1.7 Namens de belanghebbenden is een vertoogschrift in cassatie ingediend.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

2.1 Voor beschouwingen over de trust in het fiscale recht in het algemeen verwijs ik naar het bij deze conclusie (en tevens bij de conclusies in de zaken nrs. 31.756 en 31.759) beho-rende, als bijlage 2 hierbij gevoegde, algemene gedeelte.

2.2 In punt 2.2 van mijn conclusie in de zaak nr. 31.756 (zie bijlage 1) heb ik verdedigd, dat in het onderhavige geval de trust fiscaal niet moet worden erkend bij gebreke van voldoen-de aanknopingspunten met het gekozen rechtsstelsel. De moge-lijke consequenties daarvan beschreef ik in de punten 2.3 tot en met 2.5 van die conclusie. Mijn voorkeur ging uit naar de in punt 2.5 van die conclusie beschreven oplossing: de trust behandelen als ware deze een niet-transparante familiestich-ting, d.w.z. de in het onderhavige geval ook door de staatsse-cretaris verdedigde oplossing.

2.3 Indien de trust wèl moet worden erkend, is het oordeel van het hof dat in het onderhavige geval onvoldoende aanknopingspunten in het Nederlandse fiscale recht bestaan om tot heffing van schenkingsrecht te komen in beginsel juist, behoudens toepas-sing van fraus legis.

2.4 In punt 2.6.5 van de conclusie in de zaak nr. 31.756 heb ik verdedigd, dat het oordeel van het hof met betrekking tot de toepassing van fraus legis onvoldoende is gemotiveerd.

2.5 Is van fraus legis sprake, dan staan de keuzemogelijkheden van de punten 2.3 tot en met 2.5 van mijn conclusie in de zaak nr. 31.756 weer geheel open (zie punt 2.6.3 van die conclusie). Alsdan zou ik er weer (met de staatsse-cretaris) voor kiezen de trust voor de toepassing van de fiscale wetgeving te behande-len als een niet-transparante familiestichting.

2.6 Als Uw Raad zou oordelen, dat de trust fiscaalrechte-lijk niet moet worden erkend en als Uw Raad vervolgens de door mij voorgestane oplossing (de trust als familiestichting) zou aanvaarden, slaagt cassatie-middel I en behoeft cassatiemiddel II niet meer aan de orde te komen. De uitspraken van het hof dienen alsdan te worden vernietigd en de oplegde aanslagen gehandhaafd.

2.7 Als Uw Raad ervan zou uitgaan, dat de trust fiscaal moet worden erkend, komt naar mijn mening cassatiemiddel II aan de orde. Indien dit middel slaagt en Uw Raad vervolgens de door mij voorgestane oplossing zou aanvaarden, dienen de uitspraken van het hof te worden vernietigd en de opgelegde aanslagen te worden gehandhaafd.

2.8 Als Uw Raad ervan zou uitgaan, dat de trust fiscaal moet worden erkend en Uw Raad voorts cassatiemiddel II ongegrond acht, kan het beroep van de staatssecretaris niet tot cassatie leiden.

3 Conclusie

Cassatiemiddel I gegrond bevindend - en voor zoveel nodig cassatiemiddel II eveneens - concludeer ik tot vernietiging van de uitspraken van het hof en tot handhaving van de opge-legde aanslagen.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden