Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:1998:15

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
15-05-1998
Datum publicatie
03-04-2020
Zaaknummer
16.595
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1998:ZC2712
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnummer 16.595

Zitting 15 mei 1998

(bij vervroeging)

Mr. Bakels

Conclusie inzake

[eiser]

t e g e n

DE STAAT DER NEDERLANDEN

Edelhoogachtbaar college,

1. Feiten en procesverloop

1.1 Het gaat in deze zaak kort gezegd om de vraag of de Staat jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld door abrupt terug te komen op zijn beleid dat erop gericht was in samenwerking met [eiser] een grootschalig, nationaal hippisch centrum in Limburg tot stand te brengen.

1.2 In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.

(a) Mr. A.P.J.M. van der Stee (hierna: Van der Stee) is van november 1973 tot maart 1980 minister van landbouw geweest. Op 3 maart 1980 is hij opgevolgd door ir. G.J.M. Braks (hierna: Braks).

(b) Op 19 september 1977 heeft Van der Stee, vergezeld van enkele hoge ambtenaren, [eiser] stoeterij [A] te [plaats] bezocht. Die stoeterij bestond toen uit ongeveer 400 paarden. De minister en de plaatsvervangend directeur-generaal landbouw en voedselvoorziening Vos, zagen in het bedrijf van [eiser] het ideaal zoals dat hun destijds voor ogen stond.

(c) Na het bezoek van Van der Stee aan [A] is tussen het Ministerie van Landbouw en Visserij (hierna: het ministerie) en [eiser] overleg tot stand gekomen over de mogelijkheid van onderlinge samenwerking in het kader van een voorgenomen beleid, gericht op het stimuleren van de paardenfokkerij en -houderij in Nederland.

(d) In november 1979 heeft de regering besloten tot de vestiging van een hippisch centrum in Limburg, dat naar de voorstelling van Van der Stee zou zijn: een grootschalig centrum, en daarmee een centrum waarin [eiser] (en/of de intussen door [eiser] opgerichte vennootschap [B]) een groot aantal fokmerries, een aantal hengsten en deskundigheid zou(den) inbrengen.

(e) Na 29 november 1979 is er intensief overlegd tussen ambtenaren van de provincie, functionarissen van de Limburgse industriebank LIOF, ambtenaren van het ministerie en [eiser] over het op te richten hippisch centrum. Daarbij hebben het ministerie en de provincie medio februari 1980 overeenstemming bereikt over de rechtsvorm waarin het centrum zou worden gegoten. Medio april 1980 heeft de inmiddels aangetreden minister Braks erin toegestemd dat de Stichting Beheer Landbouwgronden de benodigde gronden pachtvrij zou maken. Voorts heeft minister Braks zich tegenover de toenmalige Commissaris van de Koningin Kremers akkoord verklaard met financiële participatie van het ministerie via het Veefonds, zij het dat de investeringen pas zouden worden gedaan nadat minister Braks in juni 1980 met de Commissie voor Landbouw en Visserij van de Tweede Kamer (hierna: de Commissie) zou hebben overlegd.

(f) Op 21 juni 1980 heeft minister Braks evenwel voor de radio verklaard, zakelijk samengevat, dat zijn ministerie niet bereid is in enig paardencentrum ook maar ''een cent'' te steken, dat de initiatieven die er op dat moment in diverse regio's waren ontwikkeld, ''particuliere'' initiatieven zijn en dat hij ten aanzien van de plaats van vestiging van een of meer paardencentra geen voorkeur heeft.

(g) Op 25 juni 1980 heeft de Commissie overleg gevoerd met de minister. In dat overleg werd door diverse politieke partijen kritiek geuit op het beleid van Van der Stee. Minister Braks noemde het onderhavige project wederom een 'particulier initiatief' waarin de stal- [eiser] zou participeren. In het overleg werd geen beslissing genomen.

(h) Daags na dit overleg heeft [eiser] een perscommuniqué uitgegeven waarin hij stelde dat hem is gebleken dat er op korte termijn ''geen realisatie mogelijk blijkt van'' het in Limburg in het vooruitzicht gestelde paardencentrum en dat hij daarom heeft besloten tot verkoop over te gaan van het paardenbestand op [A].

(i) Tussen eind 1977 en juni 1980 is het paardenbestand op [A] opgelopen tot 800 paarden, hoofdzakelijk langs natuurlijke weg. Het ministerie was van deze uitbreiding op de hoogte. Op 27 en 29 juni 1980 heeft [eiser] uit dat bestand 593 paarden verkocht.

1.3 Tegen deze achtergrond heeft eiser tot cassatie, [eiser] , verweerder in cassatie, de Staat, gedagvaard voor de rechtbank te 's-Gravenhage. [eiser] heeft zakelijk gevorderd (zoals gepreciseerd in hoger beroep):

(a) ontbinding van de overeenkomst uit hoofde waarvan [eiser] , tegen een vergoeding van ƒ 300.000,-- door de Staat, een marktonderzoek heeft uitgevoerd en vergoeding van de ter zake door hem geleden schade, vermeerderd met wettelijke rente;

(b) primair: ontbinding van de overeenkomst tot samenwerking tussen [eiser] en de Staat, gericht op de totstandkoming van een nationaal hippisch centrum, en

vergoeding van de door [eiser] geleden schade ten gevolge van de ontbinding van vorenbedoelde overeenkomst, volgens de staatprocedure.

subsidiair (voor het geval geen overeenkomst als vorenbedoeld is tot stand gekomen): vergoeding van de door [eiser] geleden schade wegens eenzijdig afbreken van onderhandelingen en/of niet gestand doen van toezeggingen en/of schending van gewekt vertrouwen.

De vorderingen onder (a) en onder (b) primair, spelen in cassatie geen rol meer.

1.4 [eiser] heeft deze vorderingen (samengevat) erop gebaseerd dat de Staat zijn verplichtingen uit de totstandgekomen overeenkomsten niet is nagekomen, althans dat de onderhandelingen omtrent genoemde overeenkomsten in een stadium gekomen zijn waarin het afbreken daarvan de Staat niet meer vrijstond zonder de door [eiser] gemaakte kosten voor zijn rekening te nemen.

1.5 De Staat voerde gemotiveerd verweer. Hij betwistte met name, voor zover in cassatie nog van belang, dat er met [eiser] een overeenkomst tot stand was gekomen en dat de uitbreiding van het paardenbestand, alsmede de research en de investeringen die [eiser] vooruitlopend op het totstandkomen van de samenwerkingsovereenkomst heeft gedaan, hebben plaatsgevonden met instemming van of na overleg met hem, de Staat.

1.6 De rechtbank heeft bij haar eerste tussenvonnis van 15 februari 1985

- de vordering onder 1.3(a) toegewezen onder een thans niet meer ter zake dienende voorwaarde;

- met betrekking tot de vorderingen onder 1.3(b) aan [eiser] bewijs opgedragen van zijn stellingen.

1.7 Nadat getuigenverhoren hadden plaatsgevonden en partijen over en weer hadden geconcludeerd, heeft de rechtbank in haar tweede tussenvonnis van 18 januari 1989 geoordeeld dat op grond van hetgeen uit de verklaringen van de getuigen en de door [eiser] overgelegde stukken is komen vast te staan, weliswaar niet kan worden gezegd dat [eiser] erop heeft mogen rekenen dat er een samenwerkingsovereenkomst zou worden gesloten waarin ook de Staat zou participeren (rov. 4), maar dat [eiser] wel ervan mocht uitgaan dat een dergelijk centrum in enigerlei vorm zou worden gevestigd alsmede dat de Staat zou bevorderen dat hij, [eiser] , in dat centrum uit zijn stoeterij een substantieel aantal paarden en een aanzienlijke hoeveelheid fokmateriaal alsmede deskundigheid zou inbrengen (rov. 5).

Om [eiser] de gelegenheid te bieden nader aan te geven waaruit zijn schade op deze twee punten precies bestond, heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast. De rechtbank heeft voorts bepaald dat hoger beroep slechts tegelijk met het eindvonnis kon worden ingesteld.

1.8 Nadat de comparitie had plaatsgehad en partijen over en weer conclusies hadden genomen waarbij producties zijn overgelegd, heeft de rechtbank op 11 maart 1992 een derde tussenvonnis gewezen. Daarin heeft zij [eiser] bewijs opgedragen van de marktwaarde van de 593 paarden die hij heeft moeten verkopen. De rechtbank heeft voorts opnieuw bepaald dat hoger beroep slechts tegelijk met het eindvonnis kon worden ingesteld.

1.9 Bij eindvonnis van 4 mei 1994 heeft de rechtbank de vordering afgewezen, met veroordeling van [eiser] in de na 15 februari 1985 gemaakte proceskosten.

De rechtbank heeft daartoe zakelijk weergegeven als volgt overwogen. De door de getuigen afgelegde verklaringen rechtvaardigen het vermoeden dat ten tijde van de verkoop van de paarden de besmettelijke ziekten CEM en Rhinopneumanitis heersten op de stoeterij [A] (rov. 4). Uit enkele getuigenverklaringen valt af te leiden dat de waarde van paarden uit een stoeterij waarin de ziekte CEM heerst, ver beneden de marktwaarde ligt (rov. 6). Dat niet is gebleken dat de verkochte paarden die ziekte daadwerkelijk hadden, doet daaraan niet af. Aldus is er geen zekerheid omtrent de waarde van de paarden en komt de rechtbank tot de conclusie dat [eiser] niet in het hem opgedragen bewijs is geslaagd (rov. 9). Wat de vergeefse investering in fokmateriaal en deskundigheid betreft heeft de rechtbank in haar derde tussenvonnis al geoordeeld dat die niet van de waarde van de algehele opbouw van het paardenbestand kan worden geïsoleerd. [eiser] heeft zich tevergeefs nader op het standpunt gesteld dat toch sprake is van aantoonbare schade. Er is geen aanleiding tot een nadere bewijsopdracht (rov. 11).

1.10 Tegen deze vonnissen is [eiser] in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. De Staat heeft incidenteel geappelleerd. Na memoriewisseling heeft het hof bij arrest van 28 november 1996 de vonnissen van de rechtbank met wijziging van gronden bekrachtigd, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

Het hof heeft daartoe eerst de feiten vastgesteld en vervolgens in het principaal appèl de grief verworpen, die was gericht tegen afwijzing van het onder (b) primair gevorderde. Hiertegen is in cassatie niet opgekomen.

1.11 Het cassatieberoep richt zich tegen de overwegingen die het hof ten grondslag heeft gelegd aan zijn verwerping van [eiser] vordering onder (b), subsidiair. Deze overwegingen komen erop neer dat het hof eerst de grief in het incidenteel appèl heeft behandeld, waarmee de Staat opkwam tegen de beslissing van de rechtbank dat de Staat in beginsel aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden schade. Het hof heeft deze grief gegrond geacht. Bij die stand van zaken had de Staat geen belang bij de bespreking van zijn andere grieven en [eiser] niet bij verdere beoordeling van het principaal appèl.

1.12 Het hof heeft dit oordeel als volgt gemotiveerd.

Gelet op de onder 5e) en f) vermelde feiten1 heeft minister Braks abrupt gebroken met het tot dan toe door zijn voorganger en hem gevoerde beleid (rov. 15). Dit leidt evenwel niet tot toewijzing van de vordering. Het ministerie was weliswaar op de hoogte van de uitbreiding van het paardenbestand van 400 naar 800, maar het hof acht niet bewezen dat deze uitbreiding met de instemming van het ministerie heeft plaatsgevonden. Evenmin acht het hof bewezen dat die uitbreiding heeft plaatsgevonden met het oog op de vestiging van het hippisch centrum (rov. 16). Van de investeringen in deskundigheid, die het hof veronderstellenderwijs aanneemt, is evenmin gebleken dat die met instemming van het ministerie zijn verricht (rov. 17). Tevenover de stelling van [eiser] dat hij, nadat het regeringsstandpunt van november 1979 bekend was geworden, erop vertrouwde en mocht vertrouwen dat het nationaal hippisch centrum zou worden gerealiseerd en dat hij daarin o.m. een omvangrijk paardenbestand en deskundigheid zou mogen inbrengen, stelde de Staat dat [eiser] zich in alle fasen bewust is geweest van de politieke randvoorwaarden waarmee de pogingen om tot een grootschalig hippisch centrum te komen, omgeven zijn geweest (rov. 18). Op grond van de in rov. 19 opgesomde omstandigheden oordeelt het hof dat dit bewustzijn inderdaad bij [eiser] aanwezig is geweest.

1.13 Deze omstandigheden zijn, kort weergegeven:

(a) Bij brief van 20 februari 1979 schreef de toenmalige minister aan [eiser] dat ''het veld'' beducht bleek te zijn voor een grootschalige benadering van de paardenhouderij. [eiser] op zijn beurt schreef bij brief van 7 maart 1979 zich ervan bewust te zijn dat tegen zijn persoon bij sommigen bedenkingen bestonden en bij brief van 30 maart 1979 dat de plannen mogelijk niet ten uitvoer konden worden gebracht.

(b) Tijdens een bespreking op 16 januari 1980 tussen het ministerie, de verenigde kleine paardenfokkers en [eiser] bleken de kleine fokkers het voorgestelde selectiesysteem van [A] niet te aanvaarden.

(c) Als kamerlid heeft Braks met name voor de belangen van de kleine fokkers geijverd. De Tweede Kamer heeft mede op zijn initiatief een motie in die zin aangenomen. Nadat Braks op 3 maart 1980 Van der Stee als minister was opgevolgd, schreef [eiser] op 28 maart 1980 aan Van der Stee in te zien dat Braks zeer moeilijk het beleid van zijn voorganger kon vervolgen met voorbijgaan van de Kamer. Op 31 maart 1980 liet hij zich in soortgelijke zin uit tegenover de CdK te Limburg.

(d) (…)

1.14 ‘’Onder die omstandigheden (en in aanmerking genomen dat gesteld noch gebleken is dat de onderhandelingen over [eiser] inbreng, op ondergeschikte details na, waren afgerond) heeft minister Braks (tegen de achtergrond van de beperkingen die de parlementaire democratie stelt aan de bewegingsruimte en -vrijheid van een bewindspersoon, en gelet op de hiervoor, onder 16 en 17, vermelde gegevens) tegenover [eiser] niet onrechtmatig en/of in strijd met de goede trouw gehandeld’’

door het tot dan toe gevoerde beleid abrupt op te geven. Grief II in het incidenteel appèl is dan ook gegrond, zo oordeelde het hof (rov. 20).2

1.15 [eiser] heeft vervolgens tijdig beroep in cassatie ingesteld tegen dit arrest. Hij heeft daartoe een uit drie onderdelen bestaand middel aangevoerd. De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Beide partijen hebben hun onderscheiden standpunten schriftelijk doen toelichten. [eiser] heeft nog gerepliceerd.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

Onderdeel 1

2.1 Onderdeel 1 klaagt dat de beslissing van het hof dat de uitbreiding van het paardenbestand niet heeft plaatsgevonden met het oog op de realisering van het hippisch centrum (rov. 16), onbegrijpelijk is omdat

- sommige getuigen hebben verklaard dat dit wel het geval was (subonderdeel 1.2.1);

- deze beslissing onverenigbaar is met 's hofs overwegingen onder 5(e) en 18;

- ook de Staat steeds heeft gesteld dat [eiser] als een echte koopman paarden fokte om die te zijner tijd aan het hippisch centrum te kunnen verkopen (subonderdeel 1.2.2).

2.2 [eiser] streeft met dit onderdeel twee doelstellingen na. 3

In de eerste plaats is het daardoor aangevallen oordeel van het hof mede genoemd onder de omstandigheden (''gelet op de hiervoor onder 16 (…) vermelde gegevens'') die hebben meegewogen tot het oordeel in rov. 20, dat de Staat tegenover [eiser] niet onrechtmatig en/of in strijd met de goede trouw heeft gehandeld. Het is met name tegen dit laatste oordeel, dat het cassatiemiddel - in onderdeel 2- is gericht. In dat kader vervult onderdeel 1 een dienende rol.

In de tweede plaats dient dit in rov. 16 uitgesproken oordeel van tafel te verdwijnen, wil vernietiging en verwijzing echt zin hebben voor [eiser] . De stelling dat de verkoop van 593 paarden (rov. 1.2(i)) werd veroorzaakt door het beweerde onrechtmatig handelen van de Staat en tot grote schade heeft geleid, is immers de hoeksteen onder zijn schadeclaim. Wil die stelling hout kunnen snijden, dan is het mede noodzakelijk dat in rechte wordt aangenomen dat hij zijn paardenbestand aanzienlijk heeft uitgebreid van 400 tot 800 in het door de Staat gewekte en gerechtvaardigde vertrouwen, dat enigerlei samenwerking tussen partijen tot stand zou komen.

2.3 [eiser] heeft echter zowel in het cassatie-exploit4 als in zijn repliek5 gesteld, dat de desbetreffende overweging niet onbegrijpelijk is als zij aldus mag/moet worden uitgelegd dat niet de gehele uitbreiding geschiedde met het oog op het te stichten hippisch centrum.

2.4 Hiervan uitgaande mist [eiser] belang bij bespreking van het onderdeel als het oordeel van het hof over de gestelde onrechtmatigheid óók stand houdt bij deze uitleg van rov. 16, in het midden latend of zij juist is.

Zoals hierna zal blijken meen ik dat dit oordeel in die veronderstelling inderdaad stand houdt, zodat onderdeel 1 bij gebrek aan belang buiten bespreking kan blijven.

2.5 Het is daarom ten overvloede dat ik het onderdeel toch naloop, ervan uitgaande dat het hof heeft bedoeld dat de uitbreiding in zijn geheel niet is geschied met het oog op het nieuw te stichten centrum.

Het is inderdaad waar dat met name de verklaring van de getuige Van der Stee en de aanvankelijke verklaring van de getuige Vos, steun geven aan [eiser] stelling dat de uitbreiding van zijn paardenbestand wel degelijk heeft plaatsgevonden met het oog op de realisering van het hippisch centrum. Maar daarmee is het oordeel van het hof in rov. 16 nog niet onbegrijpelijk. De desbetreffende passage moet zo worden uitgelegd, dat de juistheid van die stelling niet is komen vast te staan nu dit uit het geheel van de getuigenverklaringen niet blijkt en er bovendien een niet-opgeheven spanning is met [eiser] eigen verklaring bij pleidooi in hoger beroep, dat hij 400 paarden aan het nieuw op te richten centrum wilde verkopen en er zelf 35 wilde overhouden. Inderdaad zijn in deze lezing ca. 365 paarden 'zoek', waarvoor misschien een uitleg is te geven, maar die is ten processe niet op tafel gekomen.

2.6 Eveneens tot mislukken gedoemd acht ik de klacht, dat de aangevallen beslissing onverenigbaar is met 's hofs overwegingen onder 5(e) en 18. Het in rov. 5(e) aangehaalde, door de toenmalige minister van EZ kenbaar gemaakte, voornemen een hippisch centrum op te richten in Limburg, bewijst niet dat de uitbreiding van [eiser] paardenbestand met het oog daarop plaatsvond, laat staan dat op die enkele grond het oordeel onbegrijpelijk zou zijn, dat dit niet is bewezen. En wat de betekenis van rov. 18 aangaat is, naar ik vrees, van een misverstand bij [eiser] sprake, waarvoor ik naar de bespreking van onderdeel 2 verwijs.

2.7 Terecht aangevoerd lijkt mij evenwel de klacht dat het hof buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden. De Staat heeft immers zelf gesteld dat [eiser] paarden fokte om die te zijner tijd aan het hippisch centrum te kunnen verkopen.6 De Staat heeft evenwel betoogd dat die uitbreiding op eigen risico van [eiser] geschiedde omdat hij er op geen moment op heeft mogen vertrouwen dat het centrum daadwerkelijk tot stand zou komen. Het gewraakte oordeel van het hof treedt dus buiten het kader van het partijdebat. In zoverre is het onderdeel gegrond.

Onderdeel 2

2.8 Zoals eerder opgemerkt is het zwaartepunt van het cassatiemiddel gelegen in onderdeel 2. Onder 2.1 wordt aanstonds gesteld dat, gezien hetgeen het hof in rov. 18 tot uitgangspunt neemt,

''althans in cassatie, (er)van uit (moet) worden gegaan, dat [eiser] de gerechtvaardigde verwachting koesterde (''vertrouwde en mocht vertrouwen'') dat het ten processe bedoelde hippisch centrum zou worden gerealiseerd en dat hij daarin een omvangrijk paardenbestand en deskundigheid zou inbrengen.''

Op deze interpretatie van het bestreden arrest wordt vervolgens voortgebouwd in alle (als ik het goed tel: 21) subonderdelen waaruit dit onderdeel bestaat, op één na (waarover meer in nr. 2.12 e.v.).

2.9 Met de schroom die gepast is wanneer men denkt de spreekwoordelijke onderste steen weg te trekken, moet ik toch zeggen dat de basis van deze klachten m.i. ondeugdelijk is. Het hof heeft in rov. 18 immers geen uitgangspunt geformuleerd, maar [eiser] desbetreffende stelling weergegeven (alsook het verweer daartegen van de Staat). In rov. 19 vermeldt het hof vervolgens een viertal omstandigheden die het in dat verband van belang acht, waarna het in rov. 20 tot een beoordeling daarvan komt. Deze mondt uit (rov. 20, slot) in de beslissing dat de Staat tegenover [eiser] ''niet onrechtmatig en/of in strijd met de goede trouw (heeft) gehandeld''.

2.10 Met die overweging heeft het hof te kennen gegeven dat [eiser] juist niet het vertrouwen heeft mogen koesteren zoals door hem, [eiser] , is gesteld. Het hof heeft [eiser] stelling die in rov. 18 is weergegeven, dus verworpen.7

Dit betekent dat onderdeel 2 nagenoeg in zijn geheel een deugdelijke grondslag mist (dat wil zeggen: voorzover het op voormelde uitleg van 's hofs arrest is gebaseerd). Ik zal dan ook op geen van die onderdelen ingaan.

2.11 Voor het (onaannemelijke) geval dat mr. Van Staden ten Brink zijn onder 2.8 aangehaalde stelling aldus heeft bedoeld, dat in cassatie van de gerechtvaardigdheid van [eiser] vertrouwen dient te worden uitgegaan als hypothetische feitelijke grondslag, kan hij daarin niet worden gevolg omdat het hier niet gaat om een feitelijke, maar om een juridische grondslag voor de vordering, die door het hof is verworpen.

2.12 Zoals gezegd bouwt (slechts) één van de subonderdelen niet op deze ondeugdelijke basis voort. Onder 2.1 wordt als zelfstandig bezwaar tegen het bestreden arrest aangevoerd dat, voor het geval het hof zou hebben bedoeld dat het bij [eiser] gewekte vertrouwen niet gerechtvaardigd was — welk geval zich m.i. inderdaad voordoet — zulks zonder nadere motivering onbegrijpelijk is in het licht van rov. 5(e). In laatstgenoemde overweging heeft het hof immers feitelijk vastgesteld dat in de brief van 29 november 1979 van de toenmalige minister van EZ aan de Tweede Kamer als regeringsstandpunt staat vermeld dat er een grootschalig hippisch centrum zal worden gevestigd in Zuid-Limburg.

2.13 Bij de beoordeling of het vertrouwen dat [eiser] zegt in de totstandkoming van enigerlei overeenkomst te hebben gesteld, in de omstandigheden van het geval gerechtvaardigd was, gaat het om een waardering van feitelijke aard, zodat 's hofs oordeel zich slechts in zeer beperkte mate leent voor toetsing in cassatie.8

2.14 Met het aanhalen van de onder 1.13(a)-(c) van deze conclusie samengevatte omstandigheden heeft het hof kennelijk bedoeld dat [eiser] niet alleen vóór 29 november 1979 niet erop mocht vertrouwen dat enigerlei overeenkomst tussen hem en de Staat zou worden gesloten, maar — zo begrijp ik het arrest — ook daarna (nog) niet.

Dit oordeel draagt een feitelijk karakter. Het is niet onbegrijpelijk, gezien enerzijds het ontbreken van een specificatie van het ministeriële besluit en anderzijds de twijfels die [eiser] zelf voor én na9 dat besluit over die oprichting bleek te hebben en de redenen die daarvoor aanwezig waren. Het bestreden oordeel behoefde geen verdere motivering, ook niet in het licht van hetgeen het onderdeel aandraagt. Daarom kan deze motiveringsklacht niet slagen, naar ik meen.

2.15 Ten overvloede teken ik aan dat het onder 1.14 van deze conclusie aangehaalde oordeel van het hof, dat minister Braks tegenover [eiser] niet onrechtmatig en/of in strijd met de goede trouw heeft gehandeld, in de kern alleen op deze omstandigheden is gebaseerd. Dit blijkt reeds uit het feit dat hetgeen het hof verder in zijn oordeel betrekt, tussen haken is geplaatst. Datzelfde blijkt uit de wijze waarop het hof zijn bestreden beslissing heeft geformuleerd, nu het in aanmerking neemt dat ''gesteld noch gebleken is'' dat de onderhandelingen over [eiser] inbreng, op ondergeschikte details na, waren afgerond. Door die negatieve formuliering geeft het hof aan dat zijn beoordeling van de situatie op de vooropgestelde omstandigheden berust en dat [eiser] onvoldoende tegengas heeft gegeven door niet, bijvoorbeeld, te stellen dat de onderhandelingen op een oor na waren gevild.

De (wederom tussen haken geplaatste) verwijzing naar ''de beperkingen die de parlementaire democratie stelt aan de bewegingsruimte en -vrijheid van een bewindspersoon'', hangt nauw samen met de onder 1.13(c) van deze conclusie aangehaalde omstandigheden en mag overigens als van algemene bekendheid worden aangemerkt.

Over de (ook al tussen haken geplaatste) verwijzing naar de in de rov. 16 en 17 van het bestreden arrest vermelde gegevens, maak ik geen opmerkingen, nu dit onderdeel daartoe niet noopt.

2.16 Onder deze omstandigheden doet het er niet toe of de uitbreiding van [eiser] paardenbestand wel of niet heeft plaatsgevonden met het oog op de realisering van het hippisch centrum, op welke kwestie onderdeel 1 betrekking had. Het gaat hier immers om een omstandigheid die geen dragende rol speelt in de motivering van 's hofs in rov 20 gegeven oordeel. Zou het hof in rov. 16 immers hebben aangenomen dat [eiser] zijn paardenbestand wél heeft vermeerderd met het oog op de door hem verwachte oprichting van het hippisch centrum, dan zou dit de beslissing niet anders hebben gemaakt — gezien de motivering daarvan — over de cruciale vraag of [eiser] in de gegeven omstandigheden erop mocht vertrouwen dat het inderdaad tot die oprichting zou komen.

2.17 Samenvattend meen ik dat ook het verwijt van onbegrijpelijkheid, zoals door het onderdeel gemotiveerd, geen stand kan houden. Daarmee is onderdeel 2 in zijn geheel gedoemd te mislukken, ontvalt ook aan onderdeel 1 zijn belang en gaat de cassatie als een nachtkaars uit.

Onderdeel 3

2.18 In rov. 21 heeft het hof geoordeeld dat de stellingen die [eiser] in de nrs. 31–41 van zijn MvA in het incidenteel appèl alsnog aan zijn vordering onder (b) subsidiair ten grondslag legt, in zijn MvG (in het principaal appèl, naar ik begrijp) naar voren hadden moeten worden gebracht. Tegen dit oordeel richt zich onderdeel 3 met de stelling dat [eiser] in zijn MvA in het incidenteel appèl zijn eis heeft vermeerderd, hetgeen in elke stand van het geding kan geschieden.

2.19 Bij de beoordeling van dit onderdeel draait het om de volgende regels.

(i) Grieven mogen in beginsel niet later worden aangevoerd dan in de MvG.10

(ii) Een vermeerdering van eis is echter tot de afloop van het geding mogelijk (art. 134 lid 1 Rv, dat ingevolge art. 347 lid 1 Rv ook van toepassing is in hoger beroep). Deze bevoegdheid prevaleert boven de in beginsel strakke regel, weergegeven onder (i).11

(iii) Als vermeerdering van eis in vorenbedoelde zin heeft mede te gelden een vermeerdering van de feitelijke grondslag van de eis.12

(iv) De vraag of een bepaalde stelling heeft te gelden als vermeerdering van eis, is een vraag van uitleg van het desbetreffende processtuk. In cassatie wordt dit beschouwd als een in beginsel aan de feitenrechter voorbehouden kwestie. Zijn uitleg van dat stuk is niet op juistheid te toetsen, maar slechts op begrijpelijkheid. De daarbij aan te leggen maatstaf is, hoe de wederpartij van eiser de betrokken stelling heeft moeten opvatten.13

2.20 Enerzijds meen ik tegen deze achtergrond dat [eiser] inderdaad de bedoeling heeft gehad zijn eis te vermeerderen. In de bedoelde passages van zijn MvA doet hij een beroep op de onderhandelingen met het ministerie na de gedwongen verkoop van een groot deel van zijn paardenbestand. Het ministerie heeft bij telexbericht van 26 januari 1981 te kennen gegeven een nader te bepalen aantal onderdelen van [A] over te nemen voor een in Limburg op te richten dek- annex k.i.-station. Over de prijs was blijkens dit telexbericht nog geen overeenstemming bereikt. [eiser] heeft gesteld dat de Staat zelfs is tekortgeschoten in de nakoming van dit meer beperkte deel van de oorspronkelijke afspraken. Hij besluit deze uiteenzettingen met de volgende passage:

‘’De vorderingen van [eiser] in het onderhavige geding strekken er mede toe — onder handhaving van [eiser] aanspraken op volledige schadevergoeding — om voor de hiervoor bedoelde overdracht van goederen en know-how (mede in de vorm van overgenomen deskundig personeel) alsnog een redelijke vergoeding te ontvangen, die mede blijkens de rapportage van Klynveld Kraayenhof & Co. vele malen hoger is dan het betaalde bedrag van ƒ 80.000,--.

Zie in dit verband in het bijzonder grief V in het principale appèl en de daarbij behorende toelichting.’’

2.21 Anderzijds kan niet worden ontkend dat [eiser] zijn bedoeling onhelder heeft verwoord. Grief V in het principaal appèl, waarnaar ter toelichting van de zojuist geciteerde passage wordt verwezen, was namelijk gericht tegen de afwijzing door de rechtbank van [eiser] vordering tot vergoeding van geleden schade ter zake van vergeefse investeringen in fokmateriaal en deskundigheid. In dat kader heeft [eiser] mede gesteld dat ''de inventarissen en resultaten van de research-afdeling, evenals van het laboratorium, de voorzieningen voor KI en embryotransplantatie'' niet voor [A] behouden zijn gebleven. [eiser] betoog mondde erin uit dat de Staat

''(…) opnieuw toerekenbaar tekort is geschoten, althans opnieuw vergevorderde onderhandelingen tussen partijen op onrechtmatige wijze en eenzijdig heeft afgebroken, gemaakte afspraken c.q. gedane toezeggingen niet is nagekomen en/of bij [eiser] gewekt vertrouwen heeft geschonden.’’14

2.22 Deze vermeerdering van eis is dus naar voren gebracht ter bestrijding van het incidenteel appèl, dat ertoe strekte het oordeel van de rechtbank over een andere kwestie ter discussie te stellen (de in beginsel door de rechtbank aangenomen aansprakelijkheid van de Staat wegens afgebroken onderhandelingen). Zij is mede toegelicht door verwijzing naar een eigen grief die een weer ander onderwerp betreft (de mogelijkheid of onmogelijkheid de geleden schade vast te stellen). Zij is voorts niet in de kop of het petitum van de memorie vermeld, hetgeen weliswaar niet nodig is voor de kenbaarheid daarvan, maar daartoe wel kan bijdragen. Zij heeft ten slotte geen aanleiding gegeven tot aanvulling van het petitum, dat ongewijzigd bleef.

Dat deze vermeerdering van eis naar het klaarblijkelijk oordeel van het hof door de wederpartij niet als zodanig hoefde te worden herkend, moet onder de voormelde omstandigheden verre van onbegrijpelijk worden genoemd.

Ook onderdeel 3 mislukt daarom, naar ik meen.

Terzijde merk ik nog op dat het de vraag is of [eiser] uiteindelijk belang zou hebben bij deze klacht, nu de Staat in zijn s.t.15 erop wijst dat hij een zodanige vordering met een beroep op verjaring zou kunnen begroeten, hetgeen hem ook na een eventuele vernietiging en verwijzing vrijstaat. Op het eerste gezicht (maar [eiser] heeft hierop niet gereageerd) lijkt dit verweer moeilijk voor tegenspraak vatbaar.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

1 In deze conclusie verkort aangehaald onder 1.2(d) en (e).

2 Grief II was echter gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de beleidswijziging abrupt was, welk oordeel het hof blijkens rov. 15 onderschrijft. Het hof bedoelt waarschijnlijk grief I.

3 Zie [eiser] s.t. nr. 5.3.

4 Nr. 1.1 (impliciet).

5 Nr. 1, eerste alinea (expliciet).

6 Zie de vindplaatsen, aangehaald in de repliek van [eiser] blz. 2.

7 In zijn s.t. onder 3.10 zet [eiser] uiteen hoe hij erbij komt dat het hof zijn door het onderdeel aangedragen uitgangspunt heeft aanvaard. Deze uiteenzetting berust m.i. op een onjuiste lezing van het bestreden arrest.

8 Aldus o.m. HR 26 februari 1993, NJ 1993, 289, rov. 3.1 (slot).

9 Zie 1.13(c).

10 HR 11 november 1983, NJ 1984, 298.

11 In deze zin o.m. Ras, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken, 1992, nr. 38.

12 Losbl. Rv (Wesseling-Van Gent), aant. 2 en 5 bij art. 134 Rv.

13 Losbl. Rv (Korthals Altes), aant. 11 bij art. 99 RO, slotzin, onder aanhaling van rechtspraak.

14 MvG nr. 58.

15 Blz. 13-14.