Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:1997:18

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-04-1997
Datum publicatie
20-12-2019
Zaaknummer
104.630
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1997:ZD0783
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 104.630

Zitting 8 april 1997

Mr. Machielse

Conclusie inzake:

[verdachte]

Edelhoogachtbaar college,

1. Bij arrest van 11 december 1995 heeft het gerechtshof te Amsterdam – met vernietiging van een vonnis van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 26 januari 1995 – verzoeker ter zake van 3. ‘’opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder B van de Opiumwet gegeven verbod’’, 4. ‘’handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie’’, 5. ‘’handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een schietwapen in de vorm van een pistool of revolver’’ en ‘’handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie’’ en 6. ‘’opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, eerste lid, onder C van de Opiumwet gegeven verbod’’ bij verstek veroordeeld tot twintig maanden gevangenisstraf, met onttrekking aan het verkeer als in het arrest omschreven. Namens verzoeker heeft mr. G.P. Hamer, advocaat te Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.

2. Middel I houdt de klacht in dat het hof ten onrechte heeft nagelaten te onderzoeken of de raadsman een afschrift van de appeldagvaarding ontvangen had, cq. waarom hij niet ter terechtzitting in hoger beroep verschenen was en het onderzoek niet geschorst heeft ten einde hetzij verzoeker en/of zijn raadsman in de gelegenheid te stellen op een nadere terechtzitting aanwezig te zijn, hetzij een andere raadsman toe te voegen.

3.1. De appeldagvaarding werd op 9 november 1995 cfm art. 588.3.c Sv uitgereikt aan de griffier en door deze als gewone brief verzonden naar het adres waar verzoeker volgens de Gemeentelijke Basisadministratie van de gemeente Amsterdam stond ingeschreven: Paardekraalstraat 5 hs, Amsterdam. Aan de voet van het dubbel waaraan de akte van uitreiking is gehecht is aangetekend dat een afschrift van de appeldagvaarding op 31 oktober 1995 aan de raadsman verstrekt is.

3.2. Ter terechtzitting in hoger beroep is verzoeker niet verschenen. Voorts houdt het proces-verbaal van de terechtzitting in:

'De raadsman van de verdachte, die — naar het hof vaststelt — tijdig in kennis is gesteld van de behandeling van de zaak op deze terechtzitting, is evenmin ter terechtzitting aanwezig.'

4. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd:

( a) dat uit de stukken niet kan blijken dat de raadsman een afschrift van de appeldagvaarding ontvangen heeft;

( b) dat, nu de voorzitter van het hof verzoeker een raadsman had toegevoegd, het hof had moeten onderzoeken waarom de raadsman afwezig was, dan wel het onderzoek had moeten schorsen;

( c) dat daartoe te meer aanleiding bestond nu:

( i) de zaak in hoogste feitelijke instantie behandeld werd, en

(ii) verzoeker na schorsing van zijn voorlopige hechtenis niet was teruggekeerd, zodat onwaarschijnlijk was dat de appeldagvaarding hem bereikt had;

( d) dat het hof ervoor zorg diende te dragen dat verzoekers in art. 6.3.c EVRM gewaarborgde recht — waarvan niet blijkt dat hij er afstand van deed — niet illusoir werd door falen van de raadsman.

5.1. Het middel kan niet tot cassatie leiden. Bij de stukken bevindt zich een last tot toevoeging, die inhoudt dat de voorzitter van het gerechtshof op de voet van art. 41 Sv als raadsman aan verzoeker heeft toegevoegd mr A.R. Haakmat, postbus 53233, 1007 RE Amsterdam. Deze verscheen echter niet ter terechtzitting in hoger beroep, hoewel hem — naar het hof heeft vastgesteld — tijdig een afschrift van de appeldagvaarding was toegezonden. Gezien de aantekening die aan de voet van het dubbel is gesteld is dit oordeel niet onbegrijpelijk. Het hof mocht er daarom van uitgaan dat het afschrift de raadsman ook bereikt heeft. Van bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel nopen — de enkele omstandigheid dat de raadsman niet ter terechtzitting verschijnt kan niet als zodanig gelden — blijkt niet. Vgl. HR DD 96.001. In 's hofs vaststelling dat de raadsman tijdig in kennis is gesteld van de behandeling van verzoekers zaak ter terechtzitting in hoger beroep ligt zijn oordeel besloten dat art. 51 Sv is nageleefd. Daarom behoefde het hof niet te onderzoeken waarom de raadsman afwezig was of het onderzoek te schorsen.

5.2. Daaraan doet niet af dat het hof de zaak in hoogste feitelijke instantie behandelde, noch dat onwaarschijnlijk is dat de appeldagvaarding verzoeker bereikt had. Verzoekers raadsman stelde op 30 januari 1995 hoger beroep in. Aangenomen mag worden dat hij dit niet deed alvorens zich ervan te hebben vergewist dat verzoeker daarmee instemde. Vervolgens is de appeldagvaarding op 9 november 1995 cfm art. 588.3.c Sv uitgereikt aan de griffier en door deze als gewone brief verzonden naar verzoekers GBA-adres. De appeldagvaarding is geldig betekend nu — naar mij vanwege het Ministerie van Justitie is bericht — verzoeker, wiens voorlopige hechtenis in verband met deze zaak was geschorst, op 19 januari 1995 niet was teruggekeerd. Of de appeldagvaarding verzoeker ook bereikt heeft is dus niet boven elke twijfel verheven, maar als dat niet het geval was heeft verzoeker dat aan zichzelf te wijten. Vgl. HR NJ 96.601.

5.3. Daarom verplichtte ook art. 6.3.c EVRM het hof niet te onderzoeken waarom de raadsman afwezig was, of het onderzoek te schorsen. Want het EHRM heeft weliswaar geoordeeld dat het EVRM ertoe strekt effectieve rechten te waarborgen, daaruit volgt niet dat een staat verantwoordelijk is voor elke tekortkoming van een toegevoegd raadsman. Hoe de verdediging gevoerd wordt is immers een kwestie tussen raadsman en verdachte1. Alleen als duidelijk is dat de raadsman er niet in slaagt zijn cliënt effectief te vertegenwoordigen of als dit voldoende duidelijk onder de aandacht van de bevoegde autoriteiten is gebracht kan van hen worden gevergd dat zij maatregelen treffen. Vgl. EHRM NJ 80.586 (Artico), 94.26 (Kamasinski), 94.459 (Imbrioscia). Daarbij dient echter in het oog te worden gehouden dat het recht op rechtsbijstand niet op zichzelf staat maar er juist toe strekt de effectiviteit van de andere door het EVRM gewaarborgde rechten te verzekeren. De verdachte wordt een raadsman toegevoegd om te bewerkstelligen dat hij actief aan het proces kan deelnemen. Maar als de raadsman tekortschiet ligt het op de weg van de verdachte daarop de aandacht te vestigen. Vgl. EHRM NJ 94.484 nt. Kn (Stanford). En dat heeft verzoeker nagelaten.

6. Middel II houdt de klacht in dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat verzoeker omstreeks 22 augustus 1992 [betrokkene 2] cocaïne heeft verkocht.

7.1. Het middel faalt. Uit de bewijsmiddelen 1 t/m 3 blijkt dat bij de aanhouding van [betrokkene 2] op 23 augustus 1992 97,7 gram cocaïne van hoge zuiverheidsgraad in beslag is genomen. Voorts heeft [betrokkene 2] verklaard (bewijsmiddel 4):

‘’[verdachte] gaf me een telefoonnummer met de aanwijzing dat ik daar moest bellen als ik in Amsterdam was. Ik begreep het zo dat ik me zou melden als ik weer stof nodig had.

(….)

Van ([betrokkene 1]) [verdachte] kreeg ik (…) de aanwijzing dat ik de code ‘1-0-0’ telefonisch zou doorbellen als ik cocaïne wilde.

(…)

Op 22 augustus 1992 was ik de laatste keer in de woning van [betrokkene 1].

Voor mijn laatste reis in augustus 1992 werd ik gebeld door ([verdachte]) [verdachte]. Reden voor het opbellen was dat ik nog een resterende schuld van de eerdere koop had. Hij zei dat ik niet moest vergeten het geld mee te brengen als ik volgende keer kwam’’.

7.2. Uit de omstandigheden dat:

( i) verzoeker [betrokkene 2] een telefoonnummer had opgegeven dat deze moest bellen als hij cocaïne nodig had;

(ii) verzoeker de telefoon beantwoordde toen [betrokkene 2] dit nummer belde;

(iii) verzoeker [betrokkene 2] er aan herinnerde dat deze ook een hoeveelheid cocaïne die hij in juli 1992 had gekocht moest betalen als hij weer naar Amsterdam zou komen;

(iv) [betrokkene 2] zich op 22 augustus 1992 in de woning van verzoekers zoon bevond, en

( v) [betrokkene 2] bij zijn aanhouding in het bezit was van 97,7 gram cocaïne heeft het hof kunnen afleiden dat verzoeker hem deze tezamen en in vereniging met een ander verkocht heeft.

8. Middel III houdt de klacht in dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat verzoeker [betrokkene 2] in juni 1992 cocaïne verkocht heeft.

9. Het middel faalt, nu de onder 4 tot het bewijs gebezigde verklaring van [betrokkene 2] onder meer inhoudt:

‘’Mijn volgende bezoek bij de [verdachte] deed ik volgens mij in juni 1992’’.

Het hof heeft daaruit kunnen afleiden dat verzoeker [betrokkene 2] in juni 1992 tezamen en in vereniging met een ander cocaïne heeft verkocht, in aanmerking genomen de wijze waarop [betrokkene 2] zijn bezoeken moest aankondigen en hetgeen hem gebleken was omtrent de samenwerking van verzoeker en zijn zoon. Dat alleen verzoekers zoon aanwezig was toen de koop zijn beslag kreeg doet daar niet aan af.

10. Nu mij ambtshalve niet is gebleken van een reden waarom de bestreden uitspraak niet in stand zou behoren te blijven concludeer ik tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

1 In hoeverre de raadsman zijn afwezigheid ter zitting kan worden aangerekend is in de eerste plaats een tuchtrechtelijke vraag, die ik hier onbesproken laat. Zie daaromtrent mr S. Boekman, Het huidige advocatentuchtrecht, Zwolle 1993, p. 52.