Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:1996:AA1941

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
24-04-1996
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
31143
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1996:AA1941
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1996/279 met annotatie van G. Slot
FED 1996/386
FED 1996/422
WFR 1996/648, 1
V-N 1996/1825, 10
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 31.143 Mr Van Soest

Derde Kamer A Conclusie inzake:

Vennootschapsbelasting 1988 de staatssecretaris van Financiën

Parket, oktober 1995 tegen

X N.V.

Edelhoogachtbaar College,

1 . Korte beschrijving van de zaak.

1.1 . Het beroep in cassatie is gericht tegen de schriftelijke uitspraak van het gerechtshof te Amsterdam (hierna te noemen het Hof) van 28 februari 1995, nr. P 94/1691, FED 1995/280 . Het is ingesteld door de staatssecretaris van Financiën. Van het beroep in cassatie is melding gemaakt in Infobulletin 1995, blz. 419, punt 95/456 .

1.2 . De Vereniging A (hierna te noemen A) heeft in mei 1988 een renteloze premie-obligatielening, nominaal groot

ƒ 275.000.000,-, uitgegeven in stukken van ƒ 1.000,- tegen een koers van 100 % met een looptijd van 10 jaar. Gedurende de looptijd, te beginnen in juni 1988, zou maandelijks één obligatie uitgeloot worden waarop een bedrag van ƒ 1.000.000,- zou worden uitbetaald. De obligaties werden ter beurze van Amsterdam genoteerd.

1.3 . De uitgifte van de lening werd gegarandeerd door een aantal banken, waaronder de belanghebbende, thans genaamd X N.V. Het aandeel van de belanghebbende in de emissie was 18.198 obligaties à ƒ 1.000,-, waarvan zij er aanvankelijk 15.102 heeft overgehouden.

1.4 . Op 31 december 1988 behoorden de belanghebbende nog 14.130 obligaties toe. De beurskoers was toen 93,5 %.

1.5 . Het pakket is vervolgens geleidelijk in gedeelten ter beurze verkocht, het laatste gedeelte begin 1993.

1.6 . Het Hof heeft overwogen (FED, blz. 933):

"(...) 5.1.2. Belanghebbende heeft onweersproken gesteld dat de obligaties in eerste instantie voor de particuliere belegger bestemd waren, voor belanghebbende als bezitting niet interessant waren en dat zij er daarom naar streefde de obligaties van de hand te doen, mits tegen een redelijke prijs. (...) 5.2.2. (...) Obligaties als deze onderscheiden zich (...) van de renteloze vordering doordat zij de voor ieder individueel stuk - in handen van welke bezitter dan ook - gelijke kans bieden op een aanzienlijk uitlotingsbedrag. (...) Goed koopmansgebruik laat naar het oordeel van het hof niet toe de zich in de beurskoers weerspiegelende, niet geringe waarde van die kans te verwaarlozen. (...) 5.3.3. Het hof is echter van oordeel dat onder de gegeven omstandigheden goed koopmansgebruik uit een oogpunt van voorzichtigheid toelaat de obligaties enigszins beneden de beurskoers te waarderen nu uit het verschil tussen de theoretische koers en de beurskoers volgt dat het rendement op de onderwerpelijke obligaties relatief laag is en onmiddellijke verkoop van het gehele pakket (...) een aanmerkelijk koersdrukkend effect zou hebben. 5.3.4. Het hof stelt de correctie op de beurskoers per 31 december 1988 (...) in goede justitie op 5%. Aannemelijk is dat particulieren per de balansdatum in voldoende mate obligaties met een zodanige korting op de beurskoers zouden willen verwerven. (...)"

1.7 . Het beroep in cassatie is in overeenstemming met de voorschriften ingesteld. Het steunt op een middel van cassatie.

1.8 . De belanghebbende heeft bij vertoogschrift in cassatie het middel bestreden.

1.9 . Een verwante problematiek is aan de orde in de bij Uw Raad aanhangige zaken nrs. 30.798, 30.801 en 30.802. In de zaak nr. 30.801 neem ik heden eveneens conclusie.

2 . Goed koopmansgebruik ten aanzien van de waardering van obligaties.

Gegevens over de waardering van obligaties naar goed koopmansgebruik zijn vervat in de bijlage bij deze conclusie.

3 . Het middel.

Het middel houdt in:

"(blz. 1) (...) Het Hof grondt [zijn] oordeel op een tweetal omstandigheden: (a) uit het verschil tussen de theoretische koers en de beurskoers volgt dat het rendement op de onderwerpelijke obligaties relatief laag is, en (b) onmiddellijke verkoop van het gehele pakket zou (...) een aanmerkelijk koersdrukkend effect hebben. Dienaangaande merk ik op (ad a) dat het niet aangaat alsnog rekening te houden met een relatief laag rendement, waar eerder is geoordeeld dat de beurskoers door de werking van vraag en aanbod per 31 december een reële marktprijs weerspiegelt en (ad b) dat een aanmerkelijk koersdrukkend effect bij onmiddellijke verkoop van het gehele pakket te dezen feitelijke betekenis ontbeert in het licht van 's Hofs eerdere vaststelling dat belanghebbende op balansdatum kennelijk van plan (blz. 2) was het (resterende) pakket geleidelijk en tegen prijzen die de beurskoers benaderen te verkopen. (...)"

4 . Het verweer.

De belanghebbende betoogt (vertoogschrift in cassatie),

"(blz. 1) (...) dat de obligaties voor belanghebbende als bezitting niet interessant waren (en wel vanwege het voor institutionele beleggers veel te lage rendement). (...) (blz. 2) Per ultimo 1988 was de verwachting dat belanghebbende gedurende een zeer lange periode met een fors pakket obligaties zou blijven zitten waarop een rendement werd behaald dat royaal lag beneden het normaal te achten rendement. (...) De door de staatssecretaris voorgestane waarderingsmethode zou tot het gevolg leiden, dat het verlies uit hoofde van de emissie-activiteit in 1988 betreffende de A-obligaties niet tot uitdrukking zou worden gebracht in 1988. Dat zou onjuist en zeer onredelijk zijn. (...)"

5 . Beoordeling van het middel.

5.1 . Er bestaat klaarblijkelijk geen twijfel aan dat A haar verplichtingen nakomt en zal blijven nakomen.

5.2 . Derhalve moet de beurskoers bepaald zijn door de renteloosheid, de kans op uitloting met een bedrag dat ver boven de nominale waarde ligt, en de uiteindelijke aflossing van het nominale bedrag.

5.3 . Een veronderstelde koper verwerft voor ƒ 935,- een vordering op termijn van ƒ 1.000,- en een kans op de premie. En een verkoper staat een en ander voor ƒ 935,- af.

5.4 . Het rendement van het bedrag van ƒ 935,- is dus de som van de uitkering op termijn van ƒ (1.000 - 935 =) 65,- en de kans op de premie.

5.5 . Voor de belanghebbende, wier beleid het is de aflossing niet af te wachten, is het rendement lager: het bestaat alleen uit de kans op de premie.

5.6 . Daar staat tegenover dat zij ten gevolge van de omvang van haar pakket verkoop tegen de beurskoers niet zonder (gedeeltelijk) uitstel kan verwerkelijken.

5.7 . Zij moet dus het uitstel van de verkoop van gedeelten afwegen tegen het daardoor veroorzaakte gemis van een normaal rendement op het in het pakket geïnvesteerde vermogen.

5.8 . Derhalve is de bedrijfswaarde van het pakket voor de belanghebbende enigszins lager dan de beurskoers.

5.9 . Naar het mij voorkomt, is het vorenstaande een parafrase van hetgeen het Hof beslist heeft.

5.10 . Ik meen daarom dat het Hof op goede gronden heeft beslist dat goed koopmansgebruik een waardering onder beurskoers rechtvaardigt.

5.11 . Hoe veel lager dan de beurskoers de waardering mag zijn, is vervolgens een oordeel van feitelijke aard dat in cassatie niet getoetst kan worden.

5.12 . Ik meen daarom dat het middel faalt.

6 . Conclusie.

Het middel ongegrond bevindende, concludeer ik tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,