Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:1996:24

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
12-04-1996
Datum publicatie
08-10-2020
Zaaknummer
15.948
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1996:ZC2077
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Appelgrens (art. 38 (oud) RO). Ambtshalve beoordeling vraag of in eerste aanleg gewezen vonnis vatbaar is voor hoger beroep; regel van openbare orde? Analoge toepassing art. 340 Rv?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnummer 15.948

Zitting 12 april 1996

Mr. Vranken

Conclusie inzake

Zonweg Holding B.V.

tegen

Staat der Nederlanden

Edelhoogachtbaar College,

1. In deze zaak kan ik met een korte conclusie volstaan. In eerste aanleg heeft de Staat de kantonrechter verzocht een rechterlijk bevel tot betaling uit te vaardigen tegen Zonweg voor een bedrag van ƒ 1.226,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en de proceskosten. Het verzoek is ingediend op 7 oktober 1991. Op 30 december 1991 is de wet van 31 januari 1991, Stb. 50 tot wijziging van de civiele kantongerechtsprocedure in werking getreden, waarbij de regeling van de betalingsbevelprocedure van art. 125k e.v. Rv is vervallen. Ingevolge art. XIII van de wet blijven echter de oude bepalingen van toepassing, indien het inleidend verzoekschrift dateert van vóór de inwerkingtreding van het nieuwe recht.

2. Zonweg heeft zich tegen de vordering verweerd. Tevergeefs echter. De kantonrechter heeft haar veroordeeld tot betaling aan de Staat van ƒ 1.226,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 oktober 1991 en met de proceskosten ad ƒ 178,40. Zonweg heeft van dit vonnis geappelleerd, maar de rechtbank heeft het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd. Daarop is Zonweg (tijdig) in cassatie gekomen. De Staat heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld en betoogd dat de rechtbank Zonweg ambtshalve niet-ontvankelijk had behoren te verklaren, omdat het beloop van de vordering waarover de kantonrechter uitspraak heeft gedaan, beneden de in art. 38 RO bepaalde appelgrens van ƒ 2.500,- lag.

3. Het incidenteel cassatieberoep slaagt. Anders dan Zonweg stelt, doet hieraan niet af dat de Staat niet reeds in appel de niet-ontvankelijkheid van Zonweg heeft ingeroepen. Evenmin doet hieraan af dat de rechtbank niet zelf, ambtshalve, de niet-ontvankelijkheid heeft uitgesproken. De kwestie van de appelgrens is van openbare orde en dient door de appelrechter ambtshalve beoordeeld te worden. Doet deze dat niet, dan kan daarover in cassatie geklaagd worden. Zie o.m. HR 22 mei 1987, NJ 1988, 291 (WHH), alsook reeds de noot van Heemskerk onder HR 24 juni 1977, NJ 1979, 49; Veegens-Korthals Altes-Groen, Cassatie, 1989, nr. 130; Snijders-Wendels, Civiel appel, 1992, 3.3.1 en 3.3.2.

4. Het vonnis van de rechtbank zal derhalve vernietigd moeten worden en Zonweg zal alsnog niet-ontvankelijk behoren te worden verklaard in haar appel. Het principale cassatieberoep behoeft daarmee bij gebrek aan belang geen behandeling meer.

5. Voor het geval de Hoge Raad aldus beslist, heeft Zonweg zich beroepen op analoge toepassing van art. 340 Rv teneinde te bewerkstelligen dat zij alsnog binnen drie maanden na de uitspraak van de Hoge Raad cassatieberoep tegen het vonnis van de kantonrechter kan instellen. Dit beroep vindt evenwel geen steun in het recht. Zie o.m. Veegens-Korthals Altes-Groen, Cassatie, 1989, 69 en Snijders-Wendels, Civiel appel, 1992, nr. 3.9.3 sub b, alsmede de noot van Ras sub nr. 7 onder HR 31 maart 1995, NJ 1995, 597. De door Zonweg genoemde beschikking van HR 29 oktober 1982, NJ 1983, 196, waarin analoog aan het beginsel van art. 340 Rv in een faillissementsprocedure na een niet-ontvankelijkverklaring in cassatie alsnog de mogelijkheid werd geboden om in verzet te gaan, mist toepassing. In de eerste plaats omdat daarin, anders dan in casu, sprake was van een wijziging van rechtspraak en de betrokkene er op grond van de tot dan toe gewezen rechtspraak van uit had mogen gaan dat verzet niet open stond. In de tweede plaats omdat in 1982, net als is voorzien in art. 340 Rv, de niet-ontvankelijkheid in cassatie aan de orde was omdat een ander rechtsmiddel openstond, terwijl in het onderhavige geval Zonweg in haar cassatieberoep wél ontvankelijk is, maar niet in haar eerder aangewend ander rechtsmiddel.

6. Alleen indien men art. 340 Rv oprekt en het artikel beschouwt als de (onvolledige) uitdrukking van een algemene regel dat na een niet-ontvankelijkheid wegens het instellen van het verkeerde rechtsmiddel altijd een nieuwe termijn begint te lopen voor het alsnog instellen van het juiste rechtsmiddel (mits bij het verkeerde rechtsmiddel de termijn van het juiste rechtsmiddel in acht is genomen — zie art. 340 Rv), zou in casu het verzoek van Zonweg gehonoreerd kunnen worden. Een dergelijke algemene regel zou dan echter niet alleen betrekking moeten hebben op de verhouding van appel en cassatie, maar ook op die van verzet en appel en van verzet en cassatie, alsmede — misschien — op de verhouding van de gewone tot de buitengewone rechtsmiddelen. Daarvan is echter geen sprake. Zie over de verhouding van verzet en hoger beroep onder meer HR 18 december 1992, NJ 1993, 177: degene die verzet instelt waar appel geboden is, wordt niet-ontvankelijk verklaard zonder dat alsnog een nieuwe termijn voor het appel begint te lopen. Ook in HR 17 januari 1992, NJ 1992, 263, waarin aan de orde was de (verboden) conversie van een verzet in een appel, is dit niet gebeurd. Zie over de verhouding van verzet en cassatie HR 7 juni 1991, NJ 1991, 526: cassatieberoep tegen een verstekvonnis waarvan verzet openstaat, stuit af op art. 399 Rv. Er wordt geen nieuwe termijn voor het verzet bepaald. Hetzelfde geldt in de verhouding van cassatie en request-civiel: HR 5 november 1982, NJ 1984, 125; HR 13 december 1985, NJ 1986, 180; HR 17 mei 1991, NJ 1991, 645 en HR 10 juni 1994, NJ 1994, 654, alsmede Ten Kate, Het requestciviel, 1962, p. 306 e.v.; Veegens-Korthals Altes-Groen, Cassatie, 1989, nr. 52.

7. Kortom, de huidige rechtspraak biedt geen steun aan een algemene regel als onder 6 genoemd. Ook in de literatuur heb ik een pleidooi in deze zin niet aangetroffen. Ik zou zo'n regel, behoudens uitzonderingen zoals in het geval van 1982 aan de orde was, ook niet nodig achten, ook al omdat (vrijwel) altijd bij het instellen van rechtsmiddelen een advocaat moet worden ingeschakeld. Van hem of haar mag men verwachten dat hij of zij weet wat gedaan moet worden, althans dat hij of zij bij (de weinige gevallen van) onduidelijkheid zekerheidshalve voor twee ankers gaat liggen.

De conclusie strekt op het incidentele cassatieberoep tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank en tot het alsnog niet-ontvankelijk verklaren van Zonweg in haar hoger beroep, alsmede tot verwerping van het principale cassatieberoep wegens gebrek aan belang.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,