Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:1995:AA3093

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
15-02-1995
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
29508
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1995:AA3093
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 29.508 Mr. Van den Berge

Derde Kamer BConclusie in de zaak van:

Inkomstenbelasting 1990 de staatssecretaris

Parket, 18 maart 1994 van Financiën

tegen: X

Edelhoogachtbaar College,

1.Korte beschrijving van de zaak

1.1.Het beroep in cassatie is gericht tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem (hierna: het Hof) van 23 februari 1993 nr.920613. en is ingesteld door de staatssecretaris van Financiën (hierna: de Staatssecretaris).

1.2.De belanghebbende was in 1990 werkzaam als rechercheur bij de Rijkspolitie, met als standplaats R. Hij was lid van een aanhoudingseenheid. Het Hof heeft vastgesteld (blz. 2, ad 1.2. en 1.3.) dat de belanghebbende zich als zodanig in aan de situatie aangepaste kleding mengde onder menigten bestaande uit bij voorbeeld punkers, krakers of voetbalsupporters, om eventuele plegers van misdrijven en ordeverstoorders aan te houden. Die kleding, inclusief schoenen en attributen als kettingen, kocht hij op rommelmarkten en bij dumphandels. Met verf uit spuitbussen bracht hij op die kleding leuzen en tekens aan. Ter zitting (uitspraak blz. 4, ad 2.1.) heeft de belanghebbende gesteld dat hij soms, om niet op te vallen in een menigte, om de een à twee uur van kleding moest wisselen; hij had dus meerdere sets kleding met bijpassende attributen nodig. Voor het aanschaffen van deze goederen ontving de belanghebbende van zijn werkgever geen vergoeding.

1.3. In zijn aangifte inkomstenbelasting 1990 heeft de belang hebbende onder verwijzing naar een in 1988 gemaakte afspraak ter zake van het aanschaffen van de kleding e.d. f 750,- opgevoerd als aftrekbare kosten. Hij voerde daartoe verder aan, dat de kleding in de vrije tijd niet te gebruiken was, omdat zij veelal oud was, vies of bewerkt met verf, een argument dat hij in zijn bezwaar- en beroepschrift heeft herhaald.

1.4. De inspecteur Belastingdienst Particulieren te P (nader: de Inspecteur) heeft dat bedrag niet in aftrek toegelaten. In zijn uitspraak op het bezwaarschrift motiveerde hij deze weigering met een verwijzing naar art. 36 Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB 1964); het zou gaan om normale kleding. In zijn vertoogschrift aan het Hof voerde de Inspecteur aan dat de aangeschafte kleding niet aftrekbaar is omdat geen sprake is van werkkleding als bedoeld in art. 36 Wet IB 1964, omdat het in dit geval zou gaan om vrijetijdskleding.

1.5.Het Hof heeft overwogen (r.o. 6.1. e.v.):

"Belanghebbende heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij in verband met de behoorlijke uitvoering van zijn taak als rechercheur der rijkspolitie, deel uitmakend van een aanhoudingseenheid, aan de situatie aangepaste kleding met toebehoren dient te dragen. Belanghebbende heeft voorts gemotiveerd en niet, dan wel onvoldoende door de inspecteur weersproken

gesteld, dat de desbetreffende kleding door hem in redelijkheid (naar het hof begrijpt: objectief beschouwd) niet buiten verband met zijn werkzaamheden kan worden gedragen. Het hof heeft (...) geen reden om aan de juistheid van deze stelling van belanghebbende te twijfelen. Aldus beschouwd is er sprake voor belanghebbende van werkkleding als bedoeld in artikel 36, lid 1, aanhef en letter f, juncto artikel 35, lid 1, der Wet (IB 1964). (...) dat (...) vergelijkbare kleding (...) door sommige personen (...) wel - buiten verband met werkzaamheden in het economische verkeer - (...) wordt gedragen, leidt niet tot een andere conclusie."

en rekende het bedrag van f 750,- tot de aftrekbare kosten.

1.6.Het beroep van de Staatssecretaris steunt op één middel, waarin het hiervoor weergegeven oordeel van het Hof met twee rechtsklachten wordt bestreden.

1.7.De belanghebbende heeft geen vertoogschrift in cassatie ingediend.

2.Werkkleding.

2.1.et bij Wet van 27 april 1989, Stb. 123 gewijzigde art. 36, Wet IB 1964 bepaalt in lid 1, aanhef en onder f:

"Tot de aftrekbare kosten behoren niet kosten die verband houden met (...) kleding, met uitzondering van werkkeding."

2.2. In de onderdelen 5.1 t/m 5.3. van mijn conclusie in de bij Uw Raad onder nr. 29.406 aanhangige zaak gaf ik weer wat ter toelichting van het begrip "werkkleding" werd opgemerkt. Uit deze toelichting maak ik op dat de wetgever heeft gedacht aan, zoals Uw Raad dat in HR 2 juni 1976, BNB 1976/167 omschrijft,

"speciale kleding, (waarvan) het gebruik door de aard van het beroep wordt geboden".

Als voorbeeld van werkkleding werd in de Memorie van Toelichting (M.v.T.) onder andere genoemd het rokkostuum van de kelner of musicus; kleding die niet voor kelners of musici is ontworpen en die ook door anderen wordt gedragen. Dit voorbeeld geeft ook aan dat niet van belang is dat de speciale kleding ook in privé kan worden gebruikt.

3. Beoordeling van het middel.

3.1.Het middel berust in de eerste plaats op de stelling dat tot werkkleding als bedoeld in art. 36, lid 1 onder f Wet IB 1964 slechts kan worden gerekend, kleding die door objectieve, bij de vervaardiging verkregen eigenschappen (nagenoeg) uitsluitend geschikt is om tijdens de uitoefening van de dienstbetrekking te worden gedragen. In de toelichting op het middel wordt daarbij gewezen op de in de M.v.T. genoemde uniformen, vakkleding en overalls.

3.2. Anders dan de Staatssecretaris leid ik uit die voorbeelden niet af, dat de wetgever het begrip werkkleding tot dergelijke kledij heeft willen beperken; beslissend is de specifieke geschiktheid van de kleding voor het uitoefenen van de werkzaamheden. Die geschiktheid kan de kleding ook na de vervaardiging hebben verkregen.

3.3. Ook in dit geval eiste de aard van het werk het dragen van speciale, "aan de situatie aangepaste kleding". Deze kleding was derhalve voor de belanghebbende werkkleding. Dat anderen die kleding eveneens dragen is - zie 2.2. -niet van belang.

3.4. In zijn toelichting op het middel uit de Staatssecretaris de vrees voor een verruiming van het begrip werkkleding ten opzichte van hetgeen werd beoogd in die zin dat daaronder ook zou worden begrepen "kleding die netter is dan normaal". Aangezien uit de parlementaire stukken is af te leiden (zie onderdeel 5.4. van mijn conclusie in de zaak nr. 29.406) dat de wetgever uitgaven voor representatieve kleding van aftrek heeft willen uitsluiten, ligt een dergelijke verruiming niet voor de hand.

3.5. Uit een en ander volgt dat het middel faalt.

4.Conclusie

Het middel ongegrond bevindend, concludeer ik tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,