Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:1995:AA3052

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-01-1995
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
29078
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1995:AA3052
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Successiewet 1956 9, geldigheid: 1995-01-11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1995/75
FED 1995/73
WFR 1995/134
V-N 1995/517, 23

Conclusie

Nr. 29.078 Mr. Moltmaker

Successierecht 1989 Conclusie inzake

Parket, 30 juni 1994 X

tegen

DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIEN

Edelhoogachtbaar College

1 Feiten en geschil

1.1 Belanghebbende is enig erfgename van Y, overleden op 5 juli 1990.

Aan Y is een aanslag in het successierecht opgelegd wegens een verkrijging krachtens een fictief legaat ex art. 9 Successiewet 1956 (Sw. 1956) uit de nalatenschap van A overleden op 23 juli 1989 (hierna: de erflater).

Voor de feiten en achtergronden van deze aanslag verwijs ik naar de uitspraak van het hof.

1.2 Bij de voorlopige koopovereenkomst van 5 maart 1949, waarbij B een woning c.a. aan de erflater verkocht, bedong de verkoper een terugkooprecht ten behoeve van zichzelf of "zijn zoon Y".

In de notariële akte van 7 mei 1949, waarbij de woning c.a. aan de erflater werd geleverd, werd dit terugkooprecht bedongen ten behoeve van B en diens "vrouw en kinderen".

1.3 B overleed op 15 oktober 1980. Enig erfgenaam was zijn zoon Y.

1.4 Bij notariële akte van 23 mei 1984 droeg Y zijn uit het terugkooprecht voortvloeiende recht op levering over aan C B.V.

1.5 Het geschil betreft primair de vraag of het terugkooprecht is bedongen ten behoeve van Y persoonlijk, dan wel ten behoeve van Y als rechtverkrijgende onder algemene titel van B. Subsidiaire vragen zijn, wie de fictief legataris is en wat de waarde is van het fictief legaat.

1.6 Het hof heeft ten nadele van belanghebbende beslist. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het hof vier cassatiemiddelen aangevoerd.

1.7 Cassatiemiddel I bestaat uit twee onderdelen a en b.

Onderdeel a betoogt, dat B mede heeft bedongen voor zijn erfgenamen en rechtverkrijgenden (art. 1354 oud BW) en dat het tegendeel i.c. niet uitdrukkelijk is gebleken of uit de aard van de overeenkomst voortvloeit.

In onderdeel b wordt de door het hof aan de woorden "vrouw en kinderen" gegeven uitleg betwist, o.m. op de grond dat voor A de uitdrukking "rechtsopvolgers onder algemene titel" is gebruikt omdat het echtpaar A kinderloos was, wat niet gold voor B, en het onaannemelijk is, dat te diens opzichte iets anders zou zijn bedoeld te gelden dan voor A.

1.8 Cassatiemiddel II bestrijdt het oordeel van het hof, dat niet C B.V. als verkrijgster uit de nalatenschap moet worden aangemerkt, maar Y zelf.

1.9 Cassatiemiddel III is het niet eens met de beslissing van het hof, dat de waarde van het fictief legaat moet worden bepaald op de waarde in het economische verkeer van de woning c.a. op het moment van het overlijden van de erflater. Gesteld wordt, dat in het kader van de cessie, bedoeld in punt 1.4, Y geen enkel voordeel verkreeg.

1.10 Cassatiemiddel IV verwijt het hof, dat het geen aandacht heeft besteed aan hetgeen in het beroepschrift en bij pleidooi als verweer is aangevoerd, in het bijzonder dat het beding eerder onder de art. 10 en 11 Sw. 1956 valt (welke artikelen bij gebreke van verwantschap tussen erflater en verkrijger niet van toepassing zouden zijn) dan onder art. 9.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

2.1 Cassatiemiddel I

2.1.1 Art. 9 Sw. 1956 belast met successierecht hetgeen wordt verkregen als gevolg van een schuldigerkenning door de erflater onder de voorwaarde dat degene aan wie schuldig wordt erkend de erflater overleeft.

2.1.2 Van een overlevingsvoorwaarde is geen sprake, indien bij vooroverlijden van degene aan wie is schuldig erkend, diens recht overgaat op zijn erfgenamen (art. 4:880 BW). De schuldigerkenning vindt dan niet plaats onder een voorwaarde maar onder een onzekere tijdsbepaling. In deze zin reeds PW 14 512 (1940) en A.-G. Bakhoven in zijn conclusie voor HR 20 februari 1963, NJ 1963, 345, BNB 1963/137 m.nt. Schuttevâer, PW 17 530 (na verwijzing Hof 's-Gravenhage 5 december 1963, NJ 1965,432, ook opgenomen in PW 17 530). Zie over dit arrest A. C. Gorren, WFR 4700/1964 en de Vakstudie Successiewet 1956, art. 9 aant. 3.

2.1.3 In voormeld arrest BNB 1963/137 was aan de verkrijger een recht van koop toegekend, dat bij vooroverlijden overging op diens erfgenamen in de rechte neerdalende lijn. De HR oordeelde (anders dan het hof en de rechtbank) art. 9 van toepassing, omdat aan de nakoming door de erflater de voorwaarde was verbonden dat de verkrijger, ingeval van zijn vooroverlijden, erfgenamen in de rechte neerdalende lijn zou nalaten en dat deze bij het overlijden van de erflater in leven waren. De HR oordeelde dus niet, dat de uitleg van de clausule van feitelijke aard was en derhalve aan het hof voorbehouden, maar stelde zijn eigen uitleg voor die van het hof in de plaats. Kennelijk achtte de HR de bewoordingen van de clausule (waarin niet de erfgenamen in het algemeen, maar een speciale groep erfgenamen werd genoemd) niet voor tweeërlei uitleg vatbaar.

Vgl. ook PW 13 013 (1930) betreffende een geval waarin was schuldig erkend onder de voorwaarde dat de schuldeiser of zijn echtgenote de schuldenaar zou overleven.

2.1.4 In het licht van dit arrest is de uitspraak van het hof noch onjuist, noch onbegrijpelijk.

In verband met dit laatste merk ik nog op, dat het feit dat in de notariële akte met betrekking tot de erflater zelf gesproken wordt van "rechtsopvolgers onder algemene titel" en meteen daaropvolgend met betrekking tot diens tegenpartij slechts van "vrouw en kinderen", m.i. de opvatting ondersteunt - in tegenstelling tot hetgeen belanghebbende dienaangaande verdedigt - dat ten aanzien van de tegenpartij een beperking is beoogd.

2.1.5 Wat de bewijslast betreft: als de bewoordingen duidelijk wijzen in de richting van een beperking, ligt het m.i. op de weg van belanghebbende om aannemelijk te maken, dat iets anders is bedoeld. Het hof heeft het betoog van belanghebbende kennelijk daartoe niet toereikend geoordeeld. Dit oordeel is van feitelijke aard en in cassatie niet toetsbaar.

2.1.6 Op grond van het vorenstaande falen beide onderdelen van cassatiemiddel I.

2.2 Cassatiemiddel II

2.2.1 De in dit middel verdedigde opvatting is m.i. reeds onhoudbaar op grond van het feit, dat deze zou impliceren, dat - ervan uitgaande dat partijen hebben bedoeld de uitoefening van het terugkooprecht afhankelijk te maken van de voorwaarde, dat de schuldeiser de schuldenaar overleeft - de schuldeiser die voorwaarde illusoir zou kunnen maken door zijn recht te cederen aan een rechtspersoon (met een in beginsel onbeperkte levensduur).

2.2.2 Een ander argument tegen de opvatting van het middel is, dat als de BV fictief legataris zou zijn, de verkrijging naar het tarief geldend voor verkrijgingen door niet-verwanten zou gelden, hoewel de (oorspronkelijke) schuldeiser - of de door hem aangewezen derde - in een zodanige familierelatie zou kunnen staan tot de schuldenaar dat een lager tarief van toepassing zou zijn.

Ook een omgekeerde situatie is denkbaar: stel dat de (voorwaardelijk) schuldeiser, niet-verwant, zijn recht cedeert aan een zoon van de schuldenaar. Zou die zoon bij de uitoefening van het recht aanspraak kunnen maken op toepassing van het tarief geldend voor verkrijgingen door kinderen? Mij dunkt van niet.

2.2.3 Hoewel art. 9 Sw. 1956 niet uitdrukkelijk bepaalt, wie de fictief legataris is, lijkt mij de strekking duidelijk: het is degene aan wie schuldig is erkend, d.w.z. de wederpartij van de erflater bij de overeenkomst, dan wel de rechtsopvolger van die wederpartij ten wiens behoeve de wederpartij het recht had bedongen en van wiens overleven de uitoefening van het recht mede afhankelijk was (zoals i.c. de zoon).

Dit is ook niet onredelijk, want als de cessie op zakelijke basis tot stand is gekomen, is de waarde van het voorwaardelijke recht in het vermogen van de cedent gevloeid en moet de cedent en niet de cessionaris daarvoor worden belast.

Ook middel II faalt derhalve.

2.3 Cassatiemiddel III

2.3.1 Art. 9 berust op een onweerlegbaar wettelijk vermoeden, dat de erflater de schuldeiser heeft willen bevoordelen. De verkrijger kan zich er derhalve niet op beroepen dat hij in feite niet bevoordeeld is. Wel is op grond van de billijkheid toegestaan, dat de fictieve verkrijger zijn tegenprestatie in mindering van zijn verkrijging brengt. Zie Vakstudie Successiewet 1956, art. 9 aant. 2, waarin o.m. verwezen wordt naar HR 4 februari 1925, NJ 1925,447, PW 11 987, Rb. Amsterdam 2 mei 1933, W 12 651, PW 13 411, het in punt 2.1.2 vermelde arrest Hof 's-Gravenhage 5 december 1963, NJ 1965,432, PW 17 530, en Hof 's-Hertogenbosch 8 juli 1992, PW 20 183.

Ook in het onderhavige geval is de tegenprestatie van

ƒ 6.000,-- op de waarde van het verkregene in mindering gebracht.

2.3.2 Naar mijn mening maakt het voor de heffing geen enkel verschil of de cedent zijn voorwaardelijk recht heeft gecedeerd tegen een bepaalde prijs of om niet.

De stelling in het middel, dat Y op geen enkele wijze door de vervreemding van zijn rechten werd gebaat, lijkt mij overigens betwistbaar. Zoals in het middel wordt uiteengezet, was de cessie nodig om het landhuis I te kunnen verkopen. M.a.w. zonder de cessie had Y dat landhuis niet of niet tegen de getaxeerde waarde kunnen verkopen.

2.3.3 In het middel wordt nog subsidiair verdedigd, dat het voordeel zou moeten worden bepaald naar de waarde van de woning c.a. op 23 mei 1984 (de datum van de cessie). Deze opvatting vindt geen enkele steun in het recht. Het gaat hier om een ten tijde van het overlijden uit de boedel verkregen goed. Art. 21, eerste lid, Sw. 1956 bepaalt, dat het verkregene in aanmerking wordt genomen naar de waarde op het tijdstip van de verkrijging. In deze zin reeds PW 15 831 (1952).

2.4 Cassatiemiddel IV

2.4.1 Een terugkooprecht als het onderhavige kan in beginsel ook onder art. 11, tweede lid, Sw. 1956 vallen. Zie bijv. HR 2 december 1959, BNB 1960/20 m.nt. Schuttevâer, PW 17 084, en de noot van Schuttevâer onder het eerder vermelde arrest BNB 1963/137. Hierbij past wel de kanttekening, dat Y geen partij was bij de overeenkomst tussen zijn vader en de erflater en de toepassing van art. 11, tweede lid, Sw. 1956 reeds daarop zou kunnen stranden. Zie het in punt 2.1.2 hiervóór vermelde arrest van Hof 's-Gravenhage NJ 1965,432, PW

17 530.

2.4.2 Ingevolge het derde lid van art. 9 Sw. 1956 is het in dat artikel bepaalde niet van toepassing op overeenkomsten als bedoeld in art. 11, eerste lid, Sw. 1956.

Art. 11, eerste lid, Sw. 1956 betreft de gevallen waarin een verblijvings-, toedelings- of overnemingsbeding is gemaakt met betrekking tot een onverdeeld aandeel van erflater in goederen. Daarvan is i.c. geen sprake. Dus ook al zou in het onderhavige geval art. 10 of art. 11, tweede lid, Sw. 1956 in beginsel toepassing hebben kunnen vinden (welke toepassing dan zou stranden op de in die artikelen geëiste verwantschap enz.), dan zou dit aan de toepassing van art. 9 Sw. 1956 niet in de weg staan.

2.4.3 In verband met het vorenstaande was het niet nodig dat het hof nog nadere beschouwingen wijdde aan het bij pleidooi (in het beroepschrift voor het hof heb ik dienaangaande niets gevonden) gestelde omtrent de toepassing van art. 10 en/of 11 Sw. 1956. Het hof oordeelde art. 9 Sw. 1956 van toepassing en dat rechtsoordeel behoefde geen nadere motivering.

2.4.4 Ook middel IV leidt derhalve niet tot cassatie.

3 Bijkomende voorwaarde

3.1 In het onderhavige geval kon het terugkooprecht worden uitgeoefend niet alleen bij het overlijden van de erflater, maar ook indien deze bij zijn leven de woning c.a. wenste te verkopen. De - ambthalve te beoordelen - vraag is of deze mogelijkheid om het recht reeds eerder uit te oefenen dan bij het overlijden van de erflater de toepassing van art. 9 Sw. 1956 verhindert.

3.2 Naar de heersende leer staat het feit, dat het recht onder bepaalde omstandigheden ook eerder dan bij het overlijden van de erflater had kunnen zijn uitgeoefend, bijv. bij diens faillissement, c.q. dat de uitoefening nog aan andere voorwaarden dan het vooroverlijden van de schuldenaar is onderworpen, aan de toepasselijkheid van art. 9 Sw. 1956 niet in de weg. Zie reeds PW 12 995 (1930) en voormeld arrest BNB 1963/137.

3.3 De vraag rijst of Uw Raad dit standpunt heeft verlaten, gelet op HR 16 maart 1994, BNB 1994/180* m.nt. Laeijendecker, waarin (in rov. 3.5) wordt overwogen dat de verkrijging niet afhankelijk was van een voorwaarde van overleving als bedoeld in art. 9 Sw. 1956,

"nu die uitkering ook tijdens het bestaan van het huwelijk en ook bij beëindiging daarvan anders dan door overlijden kon worden gevorderd."

3.4 Het verschil tussen de gevallen, bedoeld in punt 3.2 en dat van BNB 1994/180 is, dat in de eerstbedoelde gevallen (zoals ook in het onderhavige geval) de mogelijkheid om het recht reeds voor het overlijden van de erflater uit te oefenen afhankelijk was van omstandigheden buiten de wil van de

schuldeiser (zoals het faillissement van de schuldenaar, of zoals i.c. diens wens de woning te verkopen).

In het geval BNB 1994/180 daarentegen kon de schuldeiser op elk moment (d.w.z. na elk jaar en uiterlijk bij het einde van het deelgenootschap) verrekening verlangen. Diens recht was dus niet afhankelijk van de voorwaarde dat hij de schuldenaar overleefde. Gr. van der Burght, WFR 1994/6109, blz. 934, formuleert het aldus:

"Het einde van het regime - waaronder de dood - vormde derhalve geen voorwaarde voor het ontstaan van de schuld maar slechts het tijdstip van afrekening."

3.5 Daar komt nog bij, dat de verrekening ook steeds door de andere echtgenoot kon gevraagd worden, of bij diens vooroverlijden door diens erfgenamen (vgl. de voorlaatste alinea van de noot van Laeijendecker in BNB 1994/180). Dit betekent dat de verrekening zowel voor- als nadelig voor de langstlevende echtgenoot kon uitvallen. Van een schuldigerkenning door de erflater kan dan moeilijk worden gesproken; vgl. in verband met dit laatste ook punt 4.4.4 van mijn conclusie voor HR 28 januari 1987, BNB 1988/246* m.nt. A. Meering, PW 19 495.

3.6 Uit het vorenstaande volgt, dat in het onderhavige geval het feit, dat indien de erflater bij zijn leven tot verkoop van de woning c.a. had willen overgaan, hij verplicht was geweest deze aan B of diens (vrouw en) zoon - voor een prijs van ƒ 6.000,-- - aan te bieden, aan de toepassing van art. 9 Sw. 1956 niet in de weg staat.

4 Conclusie

De cassatiemiddelen ongegrond bevindend, concludeer ik tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden