Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:1995:AA1661

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
24-08-1995
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
30500
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1995:AA1661
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1996/125 met annotatie van E. Aardema
FED 1995/639
FED 1996/34
WFR 1995/1233
V-N 1995/2964, 6

Conclusie

Nr. 30.500 Mr Van Soest

Derde Kamer A Conclusie inzake:

Motorrijtuigenbelasting 1988/1989 de staatssecretaris van Financiën

Parket, januari 1995 tegen X

Edelhoogachtbaar College,

1. Korte beschrijving van de zaak.

1.1. Het beroep in cassatie is gericht tegen de schriftelijke uitspraak van het gerechtshof te Arnhem (hierna te noemen het Hof) van 21 juli 1994, nr. M 902946. Het is ingesteld door de staatssecretaris van Financiën.

1.2. Het tijdig en op juiste wijze ingestelde beroep in cassatie steunt op een middel van cassatie, waarvan de grond wordt aangeduid als (beroepschrift in cassatie, blz. 1)

"(...) toelichting (...)"

1.3. De belanghebbende, X, heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een vertoogschrift in cassatie in te dienen.

2. De aangevallen uitspraak.

De uitspraak houdt in (ik geef nadere vindplaatsen tussen haakjes aan):

"(blz. 1) (...) Het gerechtshof (...); Gezien het beroepschrift (...), ingekomen op 27 december 1990 en gericht tegen de uitspraak d.d. 26 maart 1990 van de inspecteur (...); Gezien (...) een briefwisseling met partijen naar aanleiding van door het hof bij belanghebbende ingewonnen schriftelijke inlichtingen (...); Overwegende (...): 1.2. Bij ambtelijke controle is geconstateerd, dat op 22 september 1989 (...) de weg (...) is gebruikt (...) (blz. 3) (...) 4.8. In het tijdsverloop sedert de controledatum, bezien in samenhang met de verschillende sedertdien doorlopen fasen van de procesgang afzonderlijk en met de procesgang in haar geheel, vindt het hof aanleiding de verhoging geheel kwijt te schelden. (...) Recht doende: Vernietigt de uitspraak waarvan beroep voor zover de inspecteur daarbij het besluit heeft genomen geen kwijtschelding van de verhoging te verlenen; besluit de verhoging geheel kwijt te schelden; bevestigt de uitspraak waarvan beroep voor het overige; veroordeelt de Staat der Nederlanden aan de griffier ƒ 887,50 aan proceskosten te vergoeden (...); gelast de inspecteur aan belanghebbende het door haar gestorte griffierecht van ƒ 75,-- te vergoeden."

3. Het middel.

Het middel houdt in (ik vermeld tussen haakjes de vindplaatsen in het beroepschrift in cassatie),

"(blz. 2) (...) dat de wijziging van de tekst restrictief dient te worden uitgelegd. Derhalve kan (...) in het geval dat het bestuursorgaan in het gelijk wordt gesteld, de rechter het bestuursorgaan alleen in de in de toelichting genoemde gevallen in de kosten veroordelen. Uit de uitspraak maak ik op dat het Hof de veroordeling in de proceskosten heeft gebaseerd op zijn kwijtschelding van de verhoging. De reden hiervan is dat de mondelinge (blz. 3) behandeling op 5 maart 1992 heeft plaatsgevonden en de schriftelijke uitspraak (...) pas op 21 juli 1994 is gedaan. Gelet op de stukken van het geding, kan niet worden gesteld dat de vertraging is te wijten aan de Inspecteur (...) Als het Hof met de kwijtschelding van de verhoging in casu wil zeggen dat belanghebbende deels in het gelijk is gesteld, ben ik van mening dat dit (...) ten onrechte is. (...)"

4. Beoordeling van het middel.

4.1. In de bijlage bij deze conclusie zijn gegevens en beschouwingen opgenomen over de veroordeling van een partij in de proceskosten van haar wederpartij, in het bijzonder voor geval de wederpartij in het ongelijk is gesteld.

4.2. Ik geef daar aan dat en waarom naar mijn oordeel het middel in zijn primaire stellingname niet opgaat.

4.3. Naar het mij voorkomt, komt men evenwel in het onderhavige geval in het geheel niet toe aan de beoordeling, volgens welke criteria een in het gelijk gestelde partij in de proceskosten van de wederpartij veroordeeld kan worden.

4.4. Nu het Hof de door de inspecteur van de Belastingdienst/Centraal bureau motorrijtuigenbelasting (hierna te noemen de Inspecteur) gehandhaafde verhoging heeft kwijtgescholden, is immers het beroep van de belanghebbende gedeeltelijk gegrond verklaard en daarmee de Inspecteur - in zoverre - in het ongelijk gesteld.

4.5. Daarvoor is van geen belang of de Inspecteur van zijn in zoverre vernietigde beslissing een verwijt kan worden gemaakt. Anders gezegd: een inspecteur die een verhoging niet kwijtgescholden heeft, geldt als de in het ongelijk gestelde partij als de verhoging op grond van "undue delay" moet vervallen, ook al heeft de inspecteur zelf de uiterste spoed betracht. Daar zit geen wijsheid achter, afgezien daarvan dat het de consequentie is van een stelsel van geperfectioneerde rechtsbescherming.

4.6. Ik meen dat het middel faalt.

5. Conclusie.

Het middel ongegrond bevindende, concludeer ik tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden