Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:1995:3

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
30-05-1995
Datum publicatie
07-05-2019
Zaaknummer
99.446
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1995:ZD0176
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Feitelijke leiding geven aan door rechtspersoon onttrekken aan beslag door als directeur van B.V. grond waarop beslag rust af te graven en te doen vervoeren, art. 198.1 Sr. 1. Beroep op niet-ontvankelijkheid OM i.v.m. overschrijding redelijke termijn. Datum betekening inleidende dagvaarding aan te merken als aanvangsdatum redelijke termijn in e.a.? 2. Is afgegraven grond aan beslag onttrokken in de zin van art. 198.1? 3. Verzuim te beslissen op beroep op ontbreken materiële wederrechtelijkheid.

Ad 1. 's Hofs oordeel dat aangevoerde niet meebrengt dat recht op behandeling van zaak binnen redelijke termijn a.b.i. art. 6.1 EVRM is geschonden, geeft geen blijk van verkeerde rechtsopvatting. Het is niet onbegrijpelijk en kan, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet verder worden getoetst. Klacht dat Hof ten onrechte datum betekening inleidende dagvaarding heeft aangemerkt als moment waarop in art. 6 EVRM bedoelde termijn is aangevangen, stuit af op 's Hofs feitelijke en niet onbegrijpelijke vaststelling dat in toelichting op middel genoemde bemoeienissen van landsadvocaat, lagere overheden en politie geen handelingen van overheid vormen waaraan verdachte verwachting heeft ontleend en ook redelijkerwijs heeft kunnen ontlenen dat OM tegen hem vervolging zou instellen.

Ad 2. Geen rechtsregel brengt mee dat eenmaal afgegraven grond nog valt onder op percelen grond gelegd beslag in geval die grond zich nog in macht van beslagene zou bevinden. Voor vraag of sprake is van onttrekken in de zin van art. 198 Sr is ook niet relevant of beslaglegger door aan beslagene verweten gedraging benadeeld - of bevoordeeld - is, aangezien art. 198 Sr niet beoogt belangen van beslaglegger te beschermen doch strekt tot eerbiediging van daad van openbaar gezag.

Ad 3. Ttz. in h.b. is verweer gevoerd dat feitelijke uitvoering door B.V. van sanering van perceel door afgraven en afvoeren van grond, in belang was van volksgezondheid en derhalve in belang van Staat als beslaglegger. Aldus is verweer m.b.t. strafbaarheid van bewezenverklaard feit gevoerd waarop Hof uitdrukkelijk had moeten beslissen. Aangezien zodanige beslissing in bestreden arrest niet voorkomt, is middel gegrond. Zulks behoeft evenwel niet tot cassatie te leiden, aangezien Hof verweer slechts had kunnen verwerpen, nu belang dat volgens verdachte met bewezenverklaard afvoeren en vervoeren van grond is gediend niet hetzelfde is als belang dat in art. 198 Sr voorziene strafbaarstelling beoogt te beschermen, te weten eerbiediging van daad van openbaar gezag. Ook al zou B.V. i.h.k.v. volksgezondheid hebben gehandeld, dan rechtvaardigt dit nog niet haar eigenmachtig optreden.

Volgt verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

J.M. Mr. Fokkens
Nr. 99.446 Conclusie inzake:
Zitting 11 april 1995 [verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

1. Terzake van "opzettelijk enig goed aan het krachtens de wet daarop gelegd beslag onttrekken, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij tot het feit opdracht heeft gegeven" is de verzoeker van cassatie door het Haagse Gerechtshof bij arrest van 25 februari 1994 veroordeeld tot een geldboete van ƒ 5.000,-, subsidiair 50 dagen hechtenis. Tegen deze veroordeling is namens de verzoeker tijdig en regelmatig beroep in cassatie ingesteld.
Mr A.M.M. Orie, advocaat te 's-Gravenhage, heeft bij schriftuur een drietal middelen voorgesteld.

2. Het eerste middel heeft betrekking op de verwerping door het Hof van het verweer dat de redelijke termijn van art. 6 EVRM in de onderhavige zaak is geschonden. Met name acht de steller van het middel onbegrijpelijk 's Hofs oordeel dat de periode van 21 maanden, verlopen tussen de uitspraak in eerste aanleg en de eerste behandeling in hoger beroep, in het licht van de duur van de gehele procedure niet onredelijk lang is geweest. Voorts heeft het Hof een onjuist tijdstip gekozen als begin van de op zijn redelijkheid te toetsen termijn.

3. Het Hof heeft het bedoelde verweer bij in het proces-verbaal van de zitting aangetekende tussenbeslissing als volgt verworpen:

De raadsman van de verdachte betoogt, op de gronden als vermeld in zijn pleitnota dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn strafvervolging aangezien de voortgang van de strafrechtelijke procedure onredelijk lang heeft geduurd en derhalve de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is overschreden.
De procureur-generaal voert het woord en concludeert tot verwerping van dit verweer.

Het gerechtshof onderbreekt het onderzoek ter terechtzitting voor beraad.

Na de beraadslaging, deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede, dat de redelijke termijn in de zin van artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in deze zaak niet is overschreden. Beslissend hiervoor is of jegens de verdachte op enig moment door de overheid een handeling is verricht waaruit deze heeft opgemaakt en redelijkerwijs mocht opmaken dat het openbaar ministerie het ernstig voornemen had tegen de verdachte een strafvervolging in te stellen.
De verdachte is in deze zaak niet in verzekering of in voorlopige hechtenis gesteld, terwijl geen gerechtelijk vooronderzoek tegen hem is gevorderd of geopend. Het verhoor van de verdachte door de gemeentepolitie te Rotterdam op 5 juli 1990 levert in casu nog niet zodanige handeling op. Evenmin is zodanige handeling gelegen in de faxbrief d.d. 12 april 1989 van de landsadvocaat aan de raadsman van de verdachte, waarin wordt gesteld dat het handelen van [A] / [verdachte] op 8 april 1989 schending van artikel 198 van het Wetboek van Strafrecht oplevert, nu de landsadvocaat -naar de raadsman moet hebben begrepen- bij dat schrijven de verwijziging naar die strafbepaling steeds bezigde ter ondersteuning van zijn stelling dat [A] / [verdachte] jegens de staat onrechtmatig handelde van welk handelen de landsadvocaat beëindiging verlangde, zulks zonder enig strafrechtelijk optreden of zelfs maar aangifte ter zake van enig strafbaar feit aan te kondigen.
De verdachte is op 24 december 1991 – na een eerdere behandeling op tegenspraak op 18 oktober 1991 die tot nietig verklaring van de dagvaarding leidde – gedagvaard voor de terechtzitting van de arrondissementsrechtbank te Middelburg d.d. 24 januari 1992. De verdachte is ter zake van het telastegelegde door voormelde arrondissementsrechtbank veroordeeld bij vonnis van 7 februari 1992.
Op 7 februari 1992 heeft de officier van justitie tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld. De aanzegging hoger beroep is uitgereikt op 24 november 1992.
De eerste behandeling in hoger beroep zou plaatsvinden op 19 november 1993, doch toen is de behandeling op verzoek van de verdediging aangehouden voor onbepaalde tijd.
De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft vervolgens plaatsgevonden op 11 februari 1994.
Uit het voorgaande blijkt dat eerst van een "criminal charge" sprake is bij het betekenen op 26 september 1991 van de dagvaarding om te verschijnen ter terechtzitting van 18 oktober 1991.
Gelet op het vorenstaande -en bij gebreke van enig gesteld of gebleken bijzonder belang dat dit anders zou moeten- kan noch in enige afzonderlijke fase van de procesgang noch bij de procesgang in zijn geheel gesproken worden van overschrijding van de redelijke termijn in de zin voormelde Verdragsbepaling..

4. Het Hof heeft gemotiveerd waarom het heeft gekozen voor 26 september 1991 – de datum van uitreiking in persoon aan de verzoeker van de (eerste; na nietigverklaring volgde een nieuwe) dagvaarding in eerste aanleg – als moment waarop de in art. 6 EVRM bedoelde termijn in deze zaak is aangevangen. Naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad vangt die termijn aan op "het moment dat de Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze de verwachting heeft ontleend – en redelijkerwijs ook de verwachting heeft kunnen ontlenen – dat het openbaar ministerie een vervolging tegen hem zal instellen";
vgl. o.m. HR 17 februari 1987, NJ 1987.951 en Harteveld/Keulen/Krabbe, Het EVRM en het Nederlandse strafproces, pp. 76-79. De vaststelling wanneer zich dat moment voordoet, is een sterk feitelijke kwestie; de Hoge Raad zal een oordeel daarover slechts marginaal kunnen toetsen.

5. De vaststelling in het onderhavige geval dat – hoewel al in 1989 sprake was van betrokkenheid van de politie bij het handelen van de verzoeker en toen door de landsadvocaat van mogelijke overtreding van art. 198 Sr is gesproken en de verzoeker in 1990 door de politie is gehoord – er eerst bij de uitreiking van de eerste dagvaarding sprake was van een handeling als hierboven bedoeld, lijkt mij niet onbegrijpelijk. De bemoeienissen van de politie, de landsadvocaat en lagere overheden met de onderhavige zaak betroffen niet een voornemen om de verzoeker voor zijn handelen strafrechtelijk te vervolgen; die bemoeienissen hadden te maken met de civielrechtelijke verhouding tussen de overheid en verzoeker en de daarop gebaseerde verplichting van de verzoeker om – gelet op het op de grond gelegde beslag – te stoppen met het afgraven en wegvoeren daarvan. Ook de verzoeker heeft toen – kennelijk: blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg heeft de verzoeker aldaar gezegd:
"Met de Staat is nooit gesproken over het feit dat wij goederen aan het beslag zouden
hebben onttrokken. Wij hebben alleen de dagvaarding ontvangen."
– niet aan strafrechtelijke gevolgen van de zaak gedacht.
's Hofs – implicite – oordeel dat de verzoeker uit de handelingen van de autoriteiten voorafgaand aan de eerste dagvaarding in eerste aanleg pas in redelijkheid de verwachting heeft kunnen ontlenen dat een vervolging zou volgen, is niet onbegrijpelijk (vgl. ook HR DD 94.090).

6. Tussen de uitspraak in eerste aanleg – op 7 februari 1992 – en de eerste behandeling in hoger beroep – op 19 november 1993 – zijn ruim 21 maanden verlopen. Het Hof heeft deze periode – bij gebreke aan enig gesteld of gebleken bijzonder belang waarom zulks anders zou moeten zijn – niet onredelijk lang geacht, ook niet in het licht van de totale duur van de procedure tot dan toe, die – aanvangend met de betekening van de dagvaarding in eerste aanleg op 26 september 1991 – 2 jaar en 5 maanden omvatte. Ook dit oordeel komt mij niet onbegrijpelijk voor; vgl. bijv. HR DD 94.219.
Het middel is ongegrond.

7. Het tweede middel verzet zich tegen de bewezenverklaring van het onderdeel dat de [A] een hoeveelheid grond/aarde "aan het beslag heeft onttrokken". Hetgeen [A] heeft gedaan, is over de onder beslag liggende grond beschikken, zonder dat daardoor de verhaalsmogelijkheid of -waarde is verminderd. Dat was een toelaatbare beschikkingshandeling. Het beschermde belang van de beslaglegger (in casu de overheid) als kostenverhaler is derhalve niet geschaad; mogelijk is wel inbreuk gemaakt op de belangen van de overheid als milieubestuurder, maar dat kan in een vervolging op grond van overtreding van art. 198 Sr niet aan de orde komen.

8. De steller van het middel zet nauwgezet uiteen hoe in het (destijds geldende) Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is geregeld welke beschikkingshandelingen met betrekking tot (onroerende) goederen waarop beslag ligt, de beslagene nog mag verrichten, en welke handelingen hem "verboden" zijn. Als maatstaf hanteert hij daarbij de gevolgen van die handelingen voor de verhaalsmogelijkheid op of -waarde van het goed waarop het beslag ligt. Die maatstaf geldt inderdaad in het burgerlijk procesrecht en heeft betrekking op de vraag of bepaalde handelingen door de beslagene wel of niet mogen worden verricht, dat wil zeggen: dat zij – indien toch verricht – zonder werking blijven tegenover de beslaglegger (vgl. Jansen, Executie- en beslagrecht, 3e druk, pp. 415-416). Deze maatstaf heeft betrekking op de mate waarin het de beslagene jegens de beslaglegger is verboden goederen aan het gelegde beslag te "onttrekken". Het gaat hier om een "civielrechtelijke blokkering", zoals Oudelaar (Recht halen, Inleiding in het nieuwe executie- en beslagrecht, 3e druk, p. 63-64) het noemt.

9. De "strafrechtelijke blokkering" (Oudelaar, t.a.p.) van art. 198 Sr is een andere: bij "onttrekken" in de zin van dat artikel gaat het niet om het belang van degene in wiens belang beslag is gelegd. Het in art. 198 Sr beschermde belang is dat van een ongestoord beslag; de strafbepaling strekt tot het afdwingen van eerbiediging van een daad van het openbaar gezag (HR 23 mei 1910, W 9041). Dat de persoon in wiens belang het beslag is gelegd niet is benadeeld doet niet ter zake (HR 8 april 1975, NJ 1975, 297; HR DD 90.310); vgl. T & C Sr (Boek), aant. 5 op art. 198.

10. In casu gaat het om het belang van eerbiediging van een met verlof van de president van de Middelburgse rechtbank gelegd beslag. Niet van belang is of de verhaalsmogelijkheid ( en derhalve ook de waarde van het verhaalsobject) van de beslaglegger wel of niet is aangetast; de omstandigheid dat de beslaglegger de Staat der Nederlanden is maakt dat niet anders. Van belang is slechts of de beslagene het beslag heeft geëerbiedigd, dat wil zeggen dat zij niet op enigerlei wijze eigenmachtig over het goed waarop het beslag rustte, heeft beschikt (vgl. bijv. HR DD 90.310: het eigenmachtig vervangen van inbeslaggenomen goederen door (gelijkwaardige) andere is "onttrekken" aan het beslag in de zin van art. 198 Sr).

11. Het moge zo zijn dat in het onderhavige geval het vooral gaat om de milieu-aspecten van het gedrag van de verzoeker (als bestuurder van [A] ) en daarbinnen vooral om diens eigenmachtig aanvangen van sanering van de grond waarop beslag rustte, op een door de overheid niet juist geachte wijze, dat neemt niet weg dat de B.V. toch ook de grond aan het beslag heeft "onttrokken" in de zin als hiervoor onder 10 uiteengezet
- immers blijkt uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen dat de B.V. de grond
waarop het beslag rustte heeft afgegraven en deels afgevoerd en aldus daarover
eigenmachtig heeft beschikt –
en daarvoor strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gehouden. Het Hof heeft derhalve terecht vastgesteld (wat er zij van de daarvoor gevoerde motivering) dat er gesproken kan worden van "onttrekking aan het beslag".
Het middel is mijns inziens niet gegrond.

12. Het derde middel stelt aan de orde dat het Hof heeft nagelaten uitdrukkelijk te beslissen op het namens de verzoeker gevoerd verweer dat aan zijn handelen de materiële wederrechtelijkheid ontbrak.

13. Het is juist dat ter zitting in hoger beroep namens de verzoeker, onder meer met verwijzing naar de in eerste aanleg gevoerde verweren, een beroep is gedaan op het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid en dat het Hof daarop – ten onrechte – niet expliciet een beslissing heeft gegeven. Zulks behoeft evenwel niet tot cassatie te leiden omdat het Hof het verweer – op de navolgende gronden – slechts had kunnen verwerpen.

14. De stelling dat [A] met het negeren van het beslag een "goed doel" nastreefde, zal haar slechts dan kunnen baten wanneer dat "goede doel" overeenstemt met het door de overtreden strafbepaling beschermde belang. Anders dan de verzoeker suggereert, wordt de B.V. niet verweten ten onrechte te zijn overgegaan tot sanering danwel anderszins de milieuwetgeving te hebben overtreden. Haar wordt verweten een daad van het openbaar gezag – de beslaglegging – niet te hebben geëerbiedigd. Dat beslag was niet gelegd ter beïnvloeding van de wijze waarop en/of de snelheid waarmee de grond zou worden gesaneerd, het was gelegd opdat de overheid (die op grond van de Interimwet Bodemsanering verantwoordelijkheid heeft te nemen voor sanering van verontreinigde gronden) van een verhaalsmogelijkheid voor een uit een sanering mogelijk voortvloeiende vordering (op grond van ongerechtvaardigde verrijking) op de B.V. zou zijn verzekerd. Hetgeen de verzoeker als rechtvaardiging voor het handelen van de B.V. aanvoert zou mogelijk kunnen slagen wanneer het om een overtreding van de milieuwetgeving zou zijn gegaan, maar kan mijns inziens geen invloed hebben op de wederrechtelijkheid van de onttrekking van de grond aan het beslag. Het eigenmachtige karakter van het optreden van de B.V. kan door hetgeen de verzoeker stelt immers niet worden gerechtvaardigd.
Het middel kan derhalve niet slagen.

Nu de middelen falen en er mijns inziens geen gronden aanwezig zijn waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, kom ik tot de conclusie dat het beroep zal moeten worden verworpen.

De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,