Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:1995:19

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
30-08-1995
Datum publicatie
07-12-2020
Zaaknummer
3384 B.
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1995:ZD0305
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Tegen verzoeker is een strafrechtelijk financieel onderzoek aanhangig. Verzet het Wetboek van Strafvordering zich tegen teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 3384 Besch.

Parket, 30 augustus 1995

Mr Van Dorst

Conclusie inzake:

[klager]

Edelhoogachtbaar College,

1. De rechtbank te Amsterdam heeft bij beschikking van 7 juli 1995 verzoekers klaagschrift, strekkende tot opheffing van de onder hem gelegde strafvorderlijke conservatoire beslagen en tot teruggave van de betreffende goederen, ongegrond verklaard.

2. Namens verzoeker heeft mr C.J. van Bavel, advocaat te Utrecht, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Aan de bespreking der middelen dient een onderzoek naar de bevoegdheid van de rechtbank tot kennisneming van het klaagschrift vooraf te gaan. Art. 552a lid 2 Sv bepaalt immers dat een klaagschrift inzake inbeslagneming etc. moet worden ingediend ‘’ter griffie van het gerecht in feitelijke aanleg, waarvoor de zaak wordt vervolgd of het laatst werd vervolgd’’. Op grond van de stukken staat vast dat ten tijde van de indiening van het klaagschrift op 27 maart 1995 de (hoofd)zaak reeds was beslist door het gerechtshof te Amsterdam en wel bij arrest van 10 januari 1995. Tegen dit arrest (waarbij aan verzoeker een gevangenisstraf van vijf jaar doch geen vermogensstraf of -maatregel is opgelegd) is beroep in cassatie ingesteld waarop nog beslist moet worden (zaak nr. 101.269; de conclusie is bepaald op 17 oktober a.s.). Vaststaat tevens dat ten tijde van de indiening van het klaagschrift het tegen verzoeker geopende strafrechtelijk financieel onderzoek nog liep en dat het de rechtbank is die bevoegd is om kennis te nemen van een eventuele, op de resultaten van dat onderzoek te baseren vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

4. Terecht is de rechtbank van oordeel dat strikte toepassing van art. 552a Sv leidt tot de proces-economisch ongewenste uitkomst dat het hof zou moeten beslissen over een klaagschrift dat betrekking heeft op een beslaglegging in het kader van een onderzoek waarmee het verder geen enkele bemoeienis heeft, zolang niet tegen de eventuele ontnemingsbeslissing hoger beroep is ingesteld. Het is onder meer om deze reden dat de rechtbank oordeelde

‘’dat onder 'vervolging' in de zin van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering mede dient te worden verstaan het feit dat tegen een bepaalde persoon een strafrechtelijk financieel onderzoek aanhangig is. Indien binnen het raam van het strafrechtelijk financieel onderzoek inbeslagneming heeft plaatsgevonden waartegen op grond van art. 552a van het Wetboek van Strafvordering wordt geklaagd, is de rechtbank van oordeel dat zij bevoegd is van een dergelijk beklag kennis te nemen, zolang het strafrechtelijk financieel onderzoek niet is geëindigd en op een vordering tot ontneming door de rechtbank niet is beslist. Zulks geldt evenzeer, indien in de strafzaak reeds in hoger beroep is beslist, nu de inbeslagneming en het daartegen gerichte beklag zozeer met het strafrechtelijk financieel onderzoek verband houden’’.

5. Als ik het goed zie, strookt het oordeel van de rechtbank met de bedoeling van de wetgever. Verwezen zij naar de MvT bij de Wet van 10 december 1992 Stb. 1993, 11 (Hand. II 1989–1990 21504 nr. 3 blz. 44–45) die o.m. inhoudt:

‘’De ondergetekende heeft van de gelegenheid gebruik gemaakt een wijziging voor te stellen van de termijn waarbinnen een beklag op grond van artikel 552a Sv kan worden ingesteld. Thans is bepaald, dat het beklag binnen drie jaren na de inbeslagneming moet zijn ingediend. Dat kan tot gevolg hebben dat wanneer de vervolging zich over een langere periode uitstrekt — hetgeen wanneer hoger beroep en cassatieberoep wordt ingesteld gemakkelijk het geval kan zijn — een tardief ingesteld beklag niet meer door de strafrechter kan worden behandeld, ook al is de vervolging nog gaande. Dan blijft echter de gang naar de burgerlijke rechter open, met als consequentie dat het dossier tussen het strafrechtelijk en civielrechtelijk circuit zal gaan circuleren. Zulks is niet doelmatig. De kans daarop wordt als gevolg van het instellen van s.f.o.'s en de afsplitsing van ontnemingsprocedures van de hoofdzaak alleen maar groter. Vandaar dat wordt voorgesteld dat beklag op grond van artikel 552a Sv in beginsel ontvankelijk is zolang de vervolging, waaronder mede begrepen is een s.f.o. en een ontnemingsprocedure nog loopt (mijn cursivering, vD). De uiterste termijn daarbij is gelegd bij drie maanden nadat de vervolging der zaak tot een einde is gekomen’’.

Aangenomen moet derhalve worden dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om dàt gerecht tot kennisneming van een beklag dat betrekking heeft op de beslaglegging in het kader van een nog niet-geëindigd strafrechtelijk financieel onderzoek, bevoegd te doen zijn bij hetwelk dat onderzoek loopt. Die competentietoedeling is ook praktisch, omdat zij het beste aansluit bij de dwingend voorgeschreven gescheiden behandeling van de hoofdzaak en de ontnemingsvordering; aldus wordt voorkomen dat rechters die de hoofdzaak berechten, zouden moeten oordelen over kwesties die van belang zijn voor de separate ontnemingsprocedure, terwijl zij vooralsnog geen enkele bemoeienis hebben met dit deel van de zaak. In deze zin ook Mevis, T&C Strafvordering, aant. 11 bij art. 552a.

Een voordeel van de uitleg in de MvT is dat zij ook past in het klassieke begrip vervolging dat stoelt op art. 136 ORO-Sv:

‘’Tot de strafvervolging behooren alle handelingen, waardoor de met de vervolging belaste ambtenaren eenige vordering bij de rechter wordt gedaan of op eenige andere wijze de zaak aan diens kennisneming wordt onderworpen’’.

Voor wat betreft het instellen van een strafrechtelijk financieel onderzoek kan in dit verband worden gewezen op de door art. 126 lid 3 Sv verlangde machtiging van de rechter-commissaris.

Gelet op de wetsgeschiedenis is het overigens voor betwisting vatbaar of het inderdaad zo is als de rechtbank overwoog

‘’dat de wetgever op dit punt een lacune heeft doen ontstaan, in welke lacune de rechter behoort te voorzien’’.

Wel merk ik op dat van ‘’vervolging’’ in de ruime zin van art. 552a lid 2 Sv slechts sprake zal kunnen zijn bij beslag in het kader van een procedure die kan leiden tot een ontnemingsvordering als bedoeld in art. 36e Sr. Indien echter na de behandeling van de hoofdzaak het beslag gehandhaafd blijft met het oog op een in te dienen vordering tot onttrekking aan het verkeer (art. 36b Sr jo art. 552f Sv) of met het oog op de bewaring van het recht van verhaal voor de opgelegde geldboete (art. 94a lid 1 Sv), brengt de ratio van art. 552a lid 2 Sv mijns inziens mee dat het beklag de hoofdzaak volgt. De rechter die de hoofdzaak moet beslissen of reeds heeft beslist, moet immers geacht worden de noodzaak van de voortduring van een dergelijk beslag het best te kunnen beoordelen.

6. Het eerste middel betreft kwesties die door de rechtbank zijn besproken in een separate beschikking waarbij het verzoek van requirant tot beëindiging van het strafrechtelijk financieel onderzoek ex art. 126e lid 2 Sv is afgewezen (verder: beschikking A). Tegen een dergelijke beschikking staat geen rechtsmiddel open.

In de onderhavige zaak heeft de rechtbank het klaagschrift tegen (de voortduring van) de inbeslagneming ongegrond verklaard omdat het belang der strafvordering zich tegen teruggave verzet, daar — als consequentie van de weigering van de rechtbank tot beëindiging van het strafrechtelijk financieel onderzoek — dat onderzoek nog steeds gaande is en de inbeslaggenomen goederen kunnen dienen tot bewaring van het recht van verhaal voor een op te leggen verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (verder: beschikking B).

Thans stelt verzoeker via de band van het cassatieberoep tegen beschikking B, dezelfde onderwerpen aan de orde die de rechtbank in beschikking A heeft behandeld. In wezen is het beroep dan ook gericht tegen beschikking A, ook al staat de wet een dergelijk beroep niet toe.

Dat doet de vraag rijzen of een dergelijke manoeuvre toelaatbaar is.

Verdedigbaar is dat een dergelijke handelwijze niet kan, omdat de door de raadsman opgeworpen vragen vooralsnog bindend zijn beslist in beschikking A; uitgaande van die onaantastbare beschikking kon de rechtbank in beschikking B beslissen als zij heeft gedaan; zie in zijdelings verband HR NJ 1957, 456, 1975, 241 nt ThWvV en NJ 1989, 510 nt C tav de rechtskracht van een eventueel defectueus bevel tot bewaring. In die visie kan verzoeker diezelfde punten natuurlijk wel opnieuw aan de orde stellen bij de behandeling van een eventuele ontnemingsvordering teneinde alsdan via het instellen van hoger beroep en cassatieberoep het oordeel van de Hoge Raad te verkrijgen. In deze opvatting zou er sprake zijn van een oneigenlijk gebruik van rechtsmiddelen omdat beoogd wordt via een cassatieberoep ex art. 552d Sv een beschikking aan te vechten waartegen de wetgever geen voorziening heeft opengesteld. Een bijkomend praktisch bezwaar is dat de feitelijke vaststellingen aan de hand waarvan de middelen moeten worden beoordeeld, en de gronden waarop de rechtbank verzoekers bezwaren tegen het beslag heeft doen sneuvelen, zijn opgenomen in de niet aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen beschikking A.

Verdedigbaar is echter ook dat waar de rechtbank in de aangevallen beschikking B verwijst naar haar beschikking A tot afwijzing van het verzoek tot beëindiging van het strafrechtelijk financieel onderzoek, zij bedoeld heeft daarop voort te bouwen en dat de inhoud van beschikking A daarom geacht moet worden overgenomen te zijn in beschikking B ter zake van het klaagschrift. In die visie maakt beschikking A deel uit van de beschikking B waarvan beroep.

Omdat de belangen van verzoeker daarmee het meest gediend zijn, volg ik deze laatste lijn. Een bijkomstig argument is dat aangenomen moet worden dat de rechtbank de argumentatie van beschikking A zou hebben neergelegd in beschikking B, indien verzoeker volstaan zou hebben met het indienen van een klaagschrift ex art. 552a Sv. Dat hij ook nog een verzoek ex art. 126e lid 2 Sv heeft gedaan en dat de rechtbank daarop afzonderlijk heeft beslist, moet naar mijn mening niet tegen hem werken. Als enig, door de wetgever kennelijk niet voorzien en mijns inziens van onvoldoende zwaarwegend bezwaar kan hiertegen worden aangevoerd, dat de Hoge Raad aldus geroepen wordt (indirecte) oordelen te vellen over de rechtmatigheid van (de voortzetting van) het strafrechtelijk financieel onderzoek, terwijl de wet zelf daarin niet voorziet.

7. Het middel strekt ten betoge dat het beslag elke grond en belang mist, nu reeds thans vaststaat dat een eventuele ontnemingsvordering kansloos is. Daartoe wordt allereerst aangevoerd dat alle door het hof ten laste van verzoeker bewezenverklaarde feiten zijn begaan vóór de inwerkingtreding op 1 maart 1993 van de zgn. Plukze-wet, terwijl op grond van de wetsgeschiedenis als geciteerd in HR NJ 1995, 156 en op grond van de beslissing van het EHRM van 9 februari 1995 (Welch) moet worden aangenomen dat de toen ingevoerde ontnemingsbepalingen geen terugwerkende kracht hebben.

8. Dit standpunt is juist voor zover het gaat om de per 1 maart 1993 ingevoerde formeelrechtelijke bepalingen. Nu blijkens beschikking A de inleidende dagvaarding is uitgebracht op 2 december 1993, zijn in casu de nieuwe procedureregels voor de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, waaronder die betreffende het strafrechtelijk financieel onderzoek, van toepassing.

De stelling dat de formeelrechtelijke bepalingen nimmer met terugwerkende kracht mogen worden toegepast als het gaat om feiten die dateren van vóór 1 maart 1993 (en dat in die situatie derhalve geen strafrechtelijk financieel onderzoek geopend en geen conservatoir beslag gelegd mag worden) is onjuist; zie HR DD 95.300, DD 95.368 alsmede DD 95.331.

De eventueel op te leggen maatregel zal echter moeten zijn afgestemd op de materieelrechtelijke bepalingen zoals die golden ten tijde van de bewezenverklaarde feiten; vgl. de reeds vermelde wetsgeschiedenis in HR NJ 1995, 156. In die sleutel past ook de genoemde uitspraak van het EHRM. Bij toepassing van het oude materiële recht is immers geen sprake van ‘’retrospective imposition’’ en wordt verzoeker ook niet geconfronteerd met een ‘’more farreaching detriment as a result of the order (i.c. ontnemingsmaatregel) than that to which he was exposed at the time of the commission of the offences for which he was convicted’’. Bij toewijzing van de ontnemingsvordering zullen dus de grenzen van art. 36e (oud) Sr in acht genomen moeten worden. Die grenzen waren ook voor verzoeker ten tijde van het (vermoedelijk) begaan der feiten voorzienbaar.

9. In deze, m.i. juiste, zin heeft ook de rechtbank geoordeeld, zodat het middel in zoverre faalt.

10. Betoogd wordt voorts dat een eventuele ontnemingsvordering niet zal kunnen worden toegewezen omdat zulks in strijd zou zijn met het recht van verzoeker om verschoond te blijven van een dubbele vervolging. Daartoe wordt aangevoerd dat de procedure die voorafgaat aan een ontnemingsvordering moet worden aangemerkt als ‘’vervolging’’. Blijkbaar wordt hier bedoeld voort te bouwen op het in eerste aanleg gevoerde verweer dat die tweede (ontnemings)vervolging in strijd is met art. 14 lid 7 IVBPR en art. 68 Sr.

11. Deze klacht is reeds daarom ongegrond omdat bedoelde bepalingen slechts het verbod behelzen om een verdachte opnieuw te vervolgen indien over het feit reeds ‘’finally’’ respectievelijk ‘’bij gewijsde’’ is beslist. Aan deze voorwaarde is in casu niet voldaan (in de hoofdzaak is immers nog geen definitieve beslissing gevallen). Bij deze stand van zaken kan worden voorbijgegaan aan hetgeen de rechtbank ter verwerping van dit verweer heeft verworpen.

12. Maar ook indien de veroordeling in de hoofdzaak inmiddels onherroepelijk zou zijn geworden, is te dezen geen sprake van een verboden dubbele vervolging.

Art. 68 Sr verbiedt dit niet, omdat de vervolging in het kader van de ontneming uiterlijk een aanvang heeft genomen bij de berechting van de hoofdzaak in eerste aanleg (art. 311 lid 1 Sv); een ‘’andermaal’’ vervolgen nadat reeds bij gewijsde over het feit is beslist, kan zich dus niet voordoen. Het betreft hier niet een nieuwe vervolging maar de voortzetting van een eerder aangevangen vervolging (vide NLR aant. 9 bij art. 68 Sr en heel nadrukkelijk de MvT bij de Plukze-wet blz. 39).

Ook art. 14 lid 7 IVBPR kan tegen een dergelijke gang van zaken niet in het geweer worden gebracht, aangezien die bepaling uitdrukkelijk stipuleert dat een tweede vervolging verboden is indien over het feit reeds ‘’in accordance with the law and penal procedure’’ van het land ‘’finally’’ is beslist. Op grond van de MvT blz. 39 en de ratio van de Plukze-wet moet worden aangenomen dat een definitieve beslissing over de hoofdzaak naar nationaal recht (waaraan art. 14 lid 7 IVBPR refereert) niet in de weg staat aan de voortzetting van de procedure die kan leiden tot de indiening van een ontnemingsvordering. Belangrijker is echter dat de Nederlandse regering bij die verdragsbepaling het voorbehoud heeft gemaakt dat zij slechts wordt aanvaard voor zover daaruit geen verdere verplichtingen voortvloeien dan zijn neergelegd in art. 68 Sr. En art. 68 Sr is, gelijk gezegd, niet toepasselijk.

Ook het verschil in doel dat met beide vervolgingen wordt nagestreefd, rechtvaardigt mijns inziens niet dat ze voor de toepassing van het ne bis in idem-beginsel op gelijke voet worden behandeld. Het oogmerk van de vervolging in de hoofdzaak is immers in de regel overwegend punitief van aard; die in de ontnemingsprocedure reparatief. Voor de toepassing van art. 7 EVRM moge dat onderscheid niet doorslaggevend zijn, zoals het EHRM in de zaak-Welch overwoog, voor de gelding van het ne bis in idem-beginsel lijkt het mij niet zonder betekenis. In verwijderd verband kan worden gewezen op bijvoorbeeld de civiele schadestaatprocedure, die ook niet afgeweerd kan worden met een beroep op de exceptio rei iudicatae ten aanzien van het grondgeschil.

In het voorbijgaan merk ik op dat het EVRM het ne bis in idem-beginsel niet noemt en dat de verdediging terecht geen beroep heeft gedaan op art. 4 van het Zevende Protocol bij dit verdrag, aangezien Nederland dit nog niet heeft geratificeerd; zie voor de bezwaren tegen dat Protocol het advies van mr Dubbink in NJCM-bulletin 1995, ihb blz. 455, die uitlegt dat genoemd voorschrift een uitgebreidere versie behelst van art. 14 lid 7 IVBPR maar dat het niets toevoegt aan de regel van art. 68 lid 1 Sr. Hij wijst er voorts op dat art. 4 slechts ziet op ‘’de klassieke strafprocedure’’ en dat ‘’niets belet, dat een strafrechtelijk veroordeelde alsnog aan een andersoortige sanctie’’ wordt onderworpen.

13. In de pleitnota waarvan de raadsman zich in eerste aanleg heeft bediend, valt te lezen dat ook daarom van een dubbele vervolging sprake is omdat het hof in zijn veroordeling van verzoeker tot een gevangenisstraf van vijf jaar de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel reeds heeft verdisconteerd. Het hof overwoog bij de strafoplegging namelijk dat

‘’verdachte uit de bezigheden van de organisatie grote, crimineel verkregen geldbedragen heeft verworven, die hij onder andere 'wit waste' door middel van handel in auto's, waaronder zeer dure, in het aan hem toebehorende bedrijf Investment Cars B.V. (…) Het 'wit wassen' van crimineel vermogen vormt een aantasting van de legale economie en, mede vanwege de corrumperende invloed ervan op het reguliere bedrijfsleven, een bedreiging van de samenleving’’.

14. Van de gestelde verdiscontering is echter geen sprake omdat het hof verzoeker alleen het ‘’witwassen’’ als zodanig heeft aangerekend, terwijl het de resultaten van die operatie — waarop het ingestelde strafrechtelijk financieel onderzoek mede betrekking heeft — uitdrukkelijk buiten beschouwing heeft gelaten. Het hof overwoog immers ook dat het in de aangekondigde ontnemingsvordering aanleiding zag om, gelet op het bepaalde in art. 36e (oud) Sr, de op te leggen gevangenisstraf enigszins te matigen.

15. Ook dit onderdeel van het middel faalt derhalve.

16. Het tweede middel raakt de gang van zaken bij de behandeling van het onderhavige klaagschrift. Gesteld wordt dat de rechtbank ten onrechte heeft verzuimd (andere) belanghebbenden te informeren omtrent het door verzoeker ingediende klaagschrift.

17. Naar het mij voorkomt mist dit middel feitelijke grondslag aangezien de rechtbank niets heeft vastgesteld omtrent mogelijke andere belanghebbenden en zij tot een dergelijke vaststelling ook niet gehouden was, nu noch het OM noch verzoeker in feitelijke aanleg iets heeft aangevoerd omtrent hun bestaan terwijl ook de stukken onvoldoende preciese gegevens daaromtrent inhouden.

18. Bovendien mist verzoeker naar mijn mening enig in rechte te respecteren belang bij zijn middel, omdat het niet aan hem is om zich op te werpen als beschermer van de (processuele) rechten van derden, zeker niet nu hij zich bij de behandeling in feitelijke aanleg niet heeft beklaagd over bedoeld verzuim.

19. Overigens brengt een op een doelmatige rechtspleging afgestemde wetsuitleg naar mijn mening mee, dat de informatieplicht van art. 552a lid 4 Sv eerst dan ontstaat indien het ingediende klaagschrift naar het aanvankelijk oordeel van het gerecht gegrond is. Alsdan zullen ter voorkoming van een minder juiste beslissing (in die zin dat het voorwerp teruggaat naar iemand die daarop minder aanspraak heeft dan een derde) andere belanghebbenden in de gelegenheid moeten worden gesteld hun visie te geven en zonodig zelf een klaagschrift in te dienen. Indien echter al meteen duidelijk is dat het belang der strafvordering zich tegen teruggave verzet en dat het beslag deswege gehandhaafd zal blijven, getuigt het niet van efficiency om naar aanleiding van zo'n kansloos klaagschrift alle uit de stukken blijkende belanghebbenden te verwittigen omtrent het klaagschrift en hun eigen rechten te dier zake. Het laatste dat justitie moet doen, is burgers blij maken met een dode mus: als op voorhand al duidelijk is dat het beslag gehandhaafd blijft, moet bij belanghebbenden niet de mogelijke suggestie van het tegendeel worden gewekt. De gemiddelde burger heeft wel wat beters te doen dan zinloos klaagschriften te zitten schrijven of zittingen te bezoeken. Ter illustratie kan het voorbeeld worden gegeven van de 50 auto's waaraan het klaagschrift refereert. Stel dat het beslag inderdaad 50 auto's betreft en dat ten aanzien van iedere auto een andere belanghebbende is aan te wijzen, dan moeten behalve klager nog 50 personen worden gehoord. Dat moet gebeuren — de wet dwingt daartoe — als er geen gronden meer zijn voor continuering van het beslag en dus ten aanzien van elke auto beslist moet worden wie een 'beter recht' heeft. Als echter al direct vaststaat dat het belang der strafvordering vergt dat alle goederen onder beslag blijven, en het ingediende klaagschrift alsmede de 'uitgelokte' klaagschriften deswege ongegrond zullen worden verklaard, hebben de opgeroepenen m.i. alle reden om justitie verwijten te maken. En in elk geval klinkt het excuus dat de wet hun oproeping etc. voorschrijft, ook als zij daarbij in het geheel geen baat hebben, weinig overtuigend.

In deze stellingname past ook, tenzij ik me aan Hineinpretation schuldig maak, HR NJ 1994, 689 nt C luidend voor zover van belang:

Het wettelijk systeem brengt mee dat op het gerecht de plicht rust om na te gaan of anderen dan de klager als belanghebbende moeten worden aangemerkt, in welk geval het gerecht niet de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp aan de beslagene mag gelasten zonder dat die belanghebbenden — bij bekend adres — in de gelegenheid zijn gesteld om te worden gehoord en om desgewenst zelf een klaagschrift in te dienen. Dit voorbehoud kwam overigens nog niet voor in HR NJ 1994, 476 waarin de Hoge Raad ambtshalve viel over de niet-oproeping van de beslagene, hoewel het verzoek om teruggave van de derde-belanghebbende was afgewezen.

Nu de rechtbank het verzoek tot teruggave heeft afgewezen, is niet voldaan aan de voorwaarde waaraan voldaan moet zijn alvorens de informatieplicht van art. 552a lid 4 Sv in werking treedt. Ook daarom faalt het middel.

19. Gronden waarop Uw Raad gebruik zou behoren te maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

20. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,