Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:1994:17

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
10-06-1994
Datum publicatie
16-01-2020
Zaaknummer
8488
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1994:ZC1450
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Nationaliteitsrecht. Verzoek tot vaststelling Nederlanderschap. De wijzen waarop het Nederlanderschap wordt verkregen zijn limitatief voorzien in de Wet op het Nederlanderschap en de Toescheidingsovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rek. nr. 8488

(Nationaliteit)

Parket, 10 juni 1994

Mr. Mok

Conclusie inzake

[verzoekster]

tegen

DE STAAT (Ministerie van Justitie)

Edelhoogachtbaar college,

1. Korte beschrijving van de zaak

1.1. [verzoekster], verzoekster van cassatie, is in 1926 in Suriname geboren. Bij haar geboorte heeft zij de Nederlandse nationaliteit verkregen. Van 1974 tot 1983 woonde zij in Nederland, zodat zij op het moment waarop Suriname onafhankelijk werd (25 november 1975) het Nederlanderschap heeft behouden.

1.2. Van 1983 tot 1987 had [verzoekster] haar vaste woon- en verblijfplaats in Suriname.

Bij besluit van de Nederlandse tijdelijk zaakgelastigde te Paramaribo van 22 januari 1987 is verzoeksters Nederlandse paspoort ingetrokken, op grond van het feit dat zij sedert 12 november 1983 woonplaats of werkelijk verblijf in Suriname had gehad (art. 5, lid 2, van de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten Nederland-Suriname).

1.3. Op 21 september 1988 stond [verzoekster] ingeschreven in het persoonsregister van de gemeente Amsterdam, zoals uit een overgelegd uittreksel blijkt. Twee dagen later is haar een Nederlands paspoort met een geldigheidsduur van vijf jaar verstrekt. Dit is op 2 maart 1993 ingetrokken in verband met haar Surinaamse nationaliteit (waaruit verlies van het Nederlanderschap voortvloeit).

1.4. Overeenkomstig art. 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap heeft [verzoekster] zich tot de rechtbank in Den Haag gewend met het verzoek vast te stellen dat zij het Nederlanderschap had behouden en nog bezat.

Bij beschikking van 9 maart 1994 heeft de rechtbank, conform de conclusie van de o.v.j., het verzoek afgewezen.

1.5. Tegen die beschikking heeft [verzoekster] (tijdig) beroep in cassatie ingesteld. Het beroep steunt op een middel, waarin twee klachten herkend kunnen worden.

De Staat heeft geen verweerschrift ingediend.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1. De eerste klacht houdt in dat de rechtbank het door [verzoekster] gedane beroep op bij haar opgewekte verwachtingen (doordat haar in 1988 een Nederlands paspoort is uitgereikt) niet zonder meer heeft kunnen verwerpen.

Volgens de tweede klacht heeft de rechtbank over het hoofd gezien dat de opgewekte verwachtingen zich pas achteraf hebben gemanifesteerd.

2.2.1. De rechtbank heeft vooropgesteld dat [verzoekster] enkel en alleen op grond van bij haar opgewekte verwachtingen geen aanspraak kan maken op de Nederlandse nationaliteit.

2.2.2. De Rijkswet op het Nederlanderschap en de genoemde Toescheidingsovereenkomst regelen limitatief de wijzen waarop men het Nederlanderschap verkrijgt en verliest. Daartoe behoren verkrijging en behoud op grond van het vertrouwensbeginsel niet.

Contra legem toepassing van het vertrouwensbeginsel komt hier niet in aanmerking. Dit zou ten eerste in zaken van verkrijging en verlies van nationaliteit in strijd zijn met de algemene rechtszekerheid. Daartegen weegt de bijzondere rechtszekerheid, bestaande in honorering van opgewekte verwachtingen niet op1. In de tweede plaats zou dit niet passen in de regeling van de Toescheidingsovereenkomst, inhoudend dat verkrijging, ingevolge deze overeenkomst, van de ene nationaliteit het verlies van de andere meebrengt. [verzoekster] heeft de Surinaamse nationaliteit op grond van die overeenkomst verkregen en dientengevolge (art. 2, lid 1) de Nederlandse nationaliteit verloren. Die verdragsbepaling prevaleert zo nodig boven nationaal recht, met inbegrip van beginselen van behoorlijk bestuur.

2.2.3. Uit het voorgaande volgt dat het in § 2.2.1. genoemde uitgangspunt van de rechtbank juist is.

De consequentie daarvan is dat het middel niet kan slagen. Op de daarin naar voren gebrachte klachten ga ik hierna ten overvloede in.

2.3.1. De feiten waarmee de rechtbank volgens de eerste klacht rekening had moeten houden waren:

a. dat [verzoekster] bij aanmelding in 1988 bij de afdeling Bevolking van Amsterdam daar ingeschreven bleek als Nederlandse;

b. dat haar een Nederlands paspoort is uitgereikt dat zij vijf jaar heeft mogen houden.

De omstandigheden dat [verzoekster] in 1987 op de Nederlandse ambassade in Paramaribo was medegedeeld dat zij, door een verblijf in Suriname van meer dan twee jaar de Surinaamse nationaliteit had verworven en dus het Nederlanderschap had verloren en dat zij vervolgens een Surinaams paspoort had aangevraagd en verworven zouden daar niet aan afdoen, omdat

c. [verzoekster] niet in de gelegenheid is gesteld rechtsmiddelen aan te wenden tegen de intrekking van haar Nederlandse paspoort. Daarmee wordt klaarblijkelijk bedoeld dat verzoekster, bij de intrekking van haar paspoort in 1987 (door de Nederlandse ambassade te Paramaribo) niet gewezen is op de mogelijkheid van het aanwenden van rechtsmiddelen. Voorts zou het, gezien [verzoekster]'s leeftijd aannemelijk zijn dat het openstaan van rechtsmiddelen haar niet bekend was.

d. Het aanvragen van een Surinaams paspoort kan [verzoekster] niet tegengeworpen worden, omdat dit voor haar de enige manier was om Nederland binnen te reizen.

2.3.2. Ad a. De rechtbank heeft deze omstandigheid in ro. 6.3. genoemd, maar daaraan — m.i. terecht — geen consequenties verbonden, alleen al omdat het ingeschreven staan (mede) veroorzaakt was doordat [verzoekster] zich bij haar vertrek naar Suriname niet had laten uitschrijven.

Ik voeg hieraan toe dat de omstandigheid dat iemand is ingeschreven in een Nederlands bevolkingsregister niet in de weg kan staan aan het van rechtswege verkrijgen van de Surinaamse nationaliteit op grond van art. 5, lid 2, van de Toescheidingsovereenkomst.

2.3.3. Ad b. Uit de uitreiking van een Nederlands paspoort vloeit niet voort dat degene aan wie dit paspoort is uitgereikt de Nederlandse nationaliteit bezit2.

2.3.4. Ad c. In 1987 bestond geen verplichting voor het bestuur tot het attenderen op rechtsmiddelen3. Dat verzoekster hier niet op zou zijn geattendeerd is overigens een in cassatie niet geoorloofd feitelijk novum.

2.3.5. Ad d. De rechtbank heeft uit het feit dat [verzoekster] een Surinaams paspoort had aangevraagd en verkregen slechts afgeleid dat zij (al zou de beschikking van de Nederlandse ambassade te Paramaribo haar destijds niet ter hand zijn gesteld) toen begreep of had kunnen begrijpen dat zij Surinaamse was geworden. Het tegendeel van dit laatste heeft [verzoekster] in de procedure (ook in cassatie) niet gesteld. Zij heeft zich slechts beroepen op de later (in 1988) bij haar opgewekte verwachting dat zij de Nederlandse nationaliteit toch zou hebben behouden.

2.4.1. Volgens de tweede klacht zou de rechtbank over het hoofd hebben gezien dat de opgewekte verwachtingen zich pas achteraf hebben gemanifesteerd, nl. doordat [verzoekster] in 1988 in Amsterdam een Nederlands paspoort is verstrekt, dat zij bijna vijf jaar heeft mogen behouden.

2.4.2. Deze klacht mist feitelijke grondslag. Uit de derde alinea van ro. 6.3. blijkt dat de rechtbank dit heeft onderkend. Zij heeft echter geoordeeld dat deze omstandigheden niet afdeden aan de verkrijging van de Surinaamse nationaliteit (met als rechtsgevolg — voeg ik hieraan toe — het verlies van het Nederlanderschap), terwijl [verzoekster] hieraan ook geen verwachting van behoud van het Nederlanderschap kon ontlenen, omdat zij reeds eerder op de hoogte kon zijn van het verlies daarvan.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

1 Vgl. Van Wijk/Konijnenbelt/Van Male, Hoofdstukken van administratief recht, 1993, hfdst. 7, § 26, p. 348.

2 HR 29 sept 1989, NJ 1989, 877.

3 Sinds 1 januari 1994 berust een dergelijke verplichting op de Algemene wet bestuursrecht.