Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:1993:21

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
05-02-1993
Datum publicatie
26-11-2020
Zaaknummer
14.951
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1993:ZC0937
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

DA/KV

Nr. 14.951

Zitting 5 februari 1993

bij vervroeging

Mr. Asser

Conclusie inzake:

1. [eiser 1]

2. [eiseres 2]

3. [eiseres 3]

tegen:

[verweerder]

Edelhoogachtbaar College,

1. Inleiding

1.1. In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.

1.1.1. Eiseres tot cassatie sub 3 — [eiseres 3] — is de sedert 28 oktober 1983 gescheiden echtgenote van verweerder in cassatie — [verweerder] — met wie zij in algehele gemeenschap van goederen was gehuwd.

Verweerster in cassatie sub 2 — [eiseres 2] — is de moeder van [eiseres 3] en verweerder in cassatie sub 1 — [eiser 1] — haar oom.

1.1.2. Bij vonnis van de Rechtbank te Arnhem van 13 juni 1985, gewezen tussen partijen [eisers] als eisers en [eiseres 3] als gedaagde, werd laatstgenoemde bij verstek veroordeeld om aan partijen [eisers] te betalen ƒ 36.669,82 met rente en kosten zijnde — naar in de desbetreffende procedure door partijen [eisers] was gesteld — het restant van een schuld van ƒ 60.000,- waarvoor [eiseres 3] een op 24 februari 1982 gedateerde schuldbekentenis aan partijen [eisers] had afgegeven.

1.1.3. Dit vonnis is in kracht van gewijsde gegaan.

1.1.4. Tot de door de echtscheiding ontbonden maar nog niet verdeelde huwelijksgemeenschap van [verweerder] en [eiseres 3] behoort een perceel met opstallen aan de [a-straat 1] te [plaats], waarop door partijen [eisers] uit hoofde van het vonnis, waartegen derdenverzet, executoriaal beslag is gelegd. De executie is in een door [verweerder] ge-entameerd kort geding verboden zolang niet op een door [verweerder] op korte termijn tegen het verstekvonnis in te stellen derdenverzet zal zijn beslist.

1.2. Vervolgens heeft [verweerder] tegen het verstekvonnis bij de Arnhemse Rechtbank derdenverzet ingesteld — de onderhavige procedure — waarbij hij de partijen [eisers] en [eiseres 3] als gedaagden heeft betrokken. Hij stelde bij inleidende dagvaarding — kort gezegd — dat uit een inmiddels gehouden voorlopig getuigenverhoor kon worden afgeleid dat van een geldlening geen sprake was waarbij de huwelijksgemeenschap was betrokken en dat hij door het verstekvonnis in zijn rechten was benadeeld, reden waarom hij vorderde dat zou worden verklaard dat hij terecht tegen het verstekvonnis in verzet was gekomen en dat dit vonnis zou worden vernietigd.

1.3. Bij tussenvonnis van 21 april 1988 heeft de rechtbank [verweerder] toegelaten tot het bewijs dat [eiseres 3], toen zij de schuldbekentenis ondertekende, in werkelijkheid niet ƒ 60.000 aan partijen [eisers] schuldig was. De rechtbank ging daarbij uit van de dwingende bewijskracht — ook ten opzichte van [verweerder] — van de schuldbekentenis van [eiseres 3].

1.4. Na bewijslevering achtte de rechtbank bij eindvonnis van 20 april 1989 het bewijs niet geleverd en verklaarde zij het derdenverzet ongegrond.

1.5. [verweerder] ging in appel bij het Arnhemse Hof en met succes want na bij tussenarrest van 30 oktober 1990 geoordeeld te hebben dat de schuldbekentenis geen dwingend bewijs opleverde tegen [verweerder] en dat de bewijslast ‘’terzake van het bestaan van een schuld van ƒ 60.000,-- uit hoofde van geldlening op 24 februari 1982’’ rustte op [eisers] heeft het hof, na een bij dat tussenarrest bevolen comparitie te hebben gehouden, bij eindarrest van 12 november 1991 de vonnissen van de rechtbank vernietigd en alsnog [verweerder] tot goed opposant tegen het verstekvonnis verklaard en bepaald

‘’dat dat vonnis de rechten van [verweerder] en de huwelijksgoederengemeenschap tussen [verweerder] en (lees:) [eiseres 3] niet mag benadelen’’

en dat vonnis ‘’in zoverre zonder effect’’ verklaard.

1.6. Tegen deze beide arresten zijn [eisers] tijdig in cassatie gekomen met een uit vijf romeins genummerde onderdelen opgebouwd middel dat door [verweerder] is bestreden.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1. [eisers] hebben in eerste aanleg weliswaar betoogd dat [verweerder] in zijn derdenverzet (zie art. 376 e.v. Rv)1 niet-ontvankelijk was omdat hij geen derde zou zijn, maar de rechtbank heeft in haar tussenvonnis dat verweer verworpen en daarop zijn [eisers] verder niet meer teruggekomen. Dat de in algehele gemeenschap gehuwde (ex-)echtgenoot het middel van derdenverzet heeft tegen een tussen een crediteur en de andere echtgenoot gewezen vonnis blijkt overigens uit HR 8 december 1989, NJ 1990, 1922.

2.2. Middelonderdeel I, dat als ik het wel heb steunt op de opvatting dat de schuldbekentenis wel degelijk dwingende bewijskracht heeft tegenover [verweerder], faalt in beide subonderdelen.

2.3. [verweerder] was geen partij bij de akte van 24 februari 1982, want het betrof een door [eiseres 3] ten behoeve van partijen [eisers] — haar moeder en oom — opgemaakte schuldbetekenis. De akte heeft wat betreft de door [eiseres 3] daarin ten behoeve van partijen [eisers] afgelegde verklaring slechts dwingende bewijskracht tussen [eiseres 3] enerzijds en partijen [eisers] anderzijds.

2.4. Gesteld wordt ook niet — en het hof heeft ook niet vastgesteld — dat [verweerder] met betrekking tot het onderwerp van de akte (de schuld aan partijen [eisers]) de rechtsopvolger van [eiseres 3] is, als bedoeld aan het slot van art. 184 lid 2 Rv.

2.5. Aan een en ander doet niet af dat [verweerder] en [eiseres 3] op het tijdstip dat de akte werd opgemaakt in algehele gemeenschap van goederen waren gehuwd, want die omstandigheid noch de (mede)aansprakelijkheid van [verweerder] voor voormalige gemeenschapsschulden bracht op zichzelf mee dat [eiseres 3] geacht moest worden in de akte mede namens [verweerder] te verklaren met als gevolg dat [verweerder] op die wijze, dus langs de weg van vertegenwoordiging bij het opmaken van de akte, daarbij mede partij zou zijn geweest3. Echtgenoten die in algehele gemeenschap van goederen zijn gehuwd bezitten niet reeds uit dien hoofde de bevoegdheid elkaar te vertegenwoordigen. Het feit dat de één een schuld aangaat betekent ook niet dat de ander medeschuldenaar wordt4 en zo bindt een handeling van de een met betrekking tot een tot de gemeenschap behorend vermogensbestanddeel, zoals het afgeven van een schuldbekentenis, ook niet de ander als had deze zelf die handeling verricht5.

2.6. De omstandigheid dat na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap als gevolg van de echtscheiding tussen [eiseres 3] en [verweerder] deze laatste ingevolge art. 1:102 BW aansprakelijk is geworden voor de helft van de door [eiseres 3] aangegane gemeenschapsschulden, doet het voorgaande niet anders zijn. [verweerder] volgt krachtens het beginsel van art. 1:100 BW onder algemene titel immers de gemeenschap op6 en niet [eiseres 3] die partij was bij de akte.

2.7. De door subonderdeel Ib aangehaalde art. 1:91 en 92 BW zien op andere gevallen dan thans aan de orde.

2.8. Onderdeel IIa bouwt naar ik meen voort op onderdeel I en moet het lot daarvan delen.

2.9. Onderdeel IIb faalt omdat niet onbegrijpelijk is dat het hof de in r.o. 5 onder a, b, e en f van het tussenarrest genoemde omstandigheden heeft laten meewegen bij zijn antwoord op de vraag wie van partijen de bewijslast en daarmee het bewijsrisico diende te dragen ten aanzien van het bestaan van de schuld ten tijde van het opmaken van de schuldbekentenis. Bovendien begrijp ik niet waarom de hier bedoelde omstandigheden de verhouding tussen [verweerder] en [eiseres 3] raken waar het toch duidelijk gaat om omstandigheden die de schuldbekentenis zelf betreffen alsmede handelingen die tussen [eiseres 3] en de partijen [eisers] hebben plaatsgevonden. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.

2.10. Onderdeel IIc Ad c 1 stuit wat betreft de klacht over het overwogene in r.o. 5 onder c met betrekking tot het door [verweerder] aan de bouw van de bungalow bestede bedrag van ƒ 80.000, af op het overwogene in het eindarrest in r.o. 3 sub e, f en i, waarin het hof op zelfstandig dragende gronden tot het oordeel komt dat [verweerder] dit bedrag uit de hypothecaire geldlening heeft verkregen. Het daar overwogene, waarmee het hof klaarblijkelijk het verweer van [eisers] dat [verweerder] de gelden uit de verhoging van de hypotheek niet voor de bouw heeft aangewend7 verwerpt, is niet onbegrijpelijk en valt voor het overige in cassatie niet te toetsen. Daarop lopen ook de op deze overwegingen betrekking hebbende klachten van onderdeel III en IV vast.

2.11. De klacht in onderdeel IIc Ad c 2 betreffende het oordeel van het hof in r.o. 5 onder c van het tussenarrest dat niet duidelijk is wat [eisers] bedoelen met de stelling dat partijen [eisers] ƒ 15.000 hebben besteed aan de afbouw van de bungalow, faalt eveneens.

2.12. Het hof brengt met deze overweging kennelijk tot uitdrukking dat de relevantie van de betrokken stelling8 voor de vraag waar het in dit geding om gaat, niet duidelijk is. Onbegrijpelijk is dat oordeel niet, ook niet in het licht van de latere stukken van de kant van [eisers] Het hof behoefde reeds daarom gaan nader onderzoek in te stellen naar de juistheid van deze stelling.

2.13. Onderdeel IIc Ad d betreft de kwestie van de waarde van de grond waarop de bungalow is gebouwd. [eisers] hebben aangevoerd9 dat de grond is verkregen door toewijzing uit de nalatenschap van de ouders van partijen [eisers] tegen een zeer lage prijs, dat zij er in geslaagd zijn voor dit stuk grond, met agrarische bestemming, een bouwvergunning te verkrijgen en dat deze ‘’waardevermeerderende factor’’ hun toekwam. Bij repliek10 heeft [verweerder] betoogd dat het perceel bouwterrein en tuin niet voor een zeer lage prijs door hem en [eiseres 3] is verkregen doch voor de vrije economische verkoopwaarde, dat er geen sprake was van waardevermeerdering door de bouwvergunning ‘’omdat B&W reeds op 12–11–1981 aan [eiser 1] kenbaar maakten, dat de caravan mocht worden vervangen door een nieuwe woning’’ en dat ‘’een en ander (…) dan ook (is) 'meegenomen' in de (…) taxatie’’. Daartegenover hebben [eisers] bij dupliek11 gesteld dat zij ‘’voor de bouwvergunning (hebben) gestreden’’, dat zonder hen de bouwvergunning niet was verkregen en dat zij eraan hebben medegewerkt dat [eiseres 3] het stuk grond onder de prijs verkreeg. Ter comparitie voor het hof wordt ook door [eiseres 3] verklaard12 dat haar moeder en oom om de bouwvergunning hebben ‘’gevochten’’, doch dit wordt bestreden door [verweerder] bij conclusie na comparitie13 , waarop [eisers] bij hun conclusie na comparitie het ‘’gevecht’’ nader uiteenzet.

2.14. Nu het hof in zijn tussenarrest de kwestie slechts als een van de ‘’onduidelijkheden en tegenstrijdigheden’’ in de stellingen van [eisers] bij zijn oordeel over de bewijslast heeft betrokken maar daarop bij zijn eindarrest niet meer is teruggekomen, moet worden aangenomen dat het vond dat de kwestie niet van belang was voor zijn uiteindelijke beslissing. [eisers] hebben daarom geen belang bij de klacht.

2.15. Onderdeel III faalt voorzover het betoogt dat de door het hof in zijn eindarrest in r.o. 3 sub a tot en met i genoemde omstandigheden niet ‘’kunnen gelden jegens’’ [eisers] Dit betoog, wat daarmee ook bedoeld moge zijn, faalt omdat het hof, gelijk het heeft gedaan, de genoemde omstandigheden heel wel heeft kunnen beschouwen als ondersteuning voor het standpunt van [verweerder].

2.16. Voor het overige heb ik dit onderdeel reeds hierboven onder 1.9 besproken en te licht bevonden.

2.17. Onderdeel IV mist feitelijke grondslag omdat het hof klaarblijkelijk een bewijslevering ten aanzien van de in r.o. 3 van het eindarrest genoemde feiten en omstandigheden niet meer ter zake dienend oordeelde omdat het aangaande die feiten en omstandigheden reeds feitelijke eindoordelen had bereikt op grond van het over en weer gestelde en het in het geding aanwezige bewijsmateriaal. De passering van het bewijsaanbod in r.o. 10 heeft slechts betrekking op de aan het slot van r.o. 8 gestelde vraag.

2.18. Onderdeel V faalt omdat het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk in de vordering van [verweerder] die tot vernietiging van het met het verzet bestreden verstekvonnis strekte, heeft gelezen de vordering dat dit vonnis niet alleen ten aanzien van hem maar ook ten aanzien van de ontbonden huwelijksgemeenschap ‘’buiten effect’’ zou worden gesteld14, met als kennelijk door het hof beoogd gevolg dat partijen [eisers] hun vordering op [eiseres 3] niet meer kunnen verhalen op de huwelijksgemeenschap15.

2.19. Geen rechtsregel verbood het hof de vordering in zoverre toe te wijzen en niet gezegd kan worden dat het hof, buiten de rechtsstrijd in dit geding, is getreden ‘’in de scheiding en deling der nog niet gescheiden huwelijksgemeenschap’’, gelijk het onderdeel betoogt. Het hof heeft immers beslist ten aanzien van de rechtsverhouding tussen partijen [eisers] enerzijds en de huwelijksgemeenschap anderzijds, en die rechtsverhouding was nu juist wel de inzet van dit derdenverzet.

2.20. Op grond van al het voorgaande meen ik dat het middel niet kan slagen. Mocht Uw Raad dat ook van oordeel zijn dan geef ik toepassing van art. 101a RO in overweging.

3. Conclusie

Deze strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

1 Zie over het derdenverzet naast het hierna te noemen commentaar van Jansen in losbl. Burg. Rechtsvordering, de dissertatie van K. Wiersma, Het rechtsmiddel van verzet van derden, Leiden, 1952.

2 Anders nog Wiersma, diss., p. 198; zie daarover ook de conclusie van de A-G Franx. Zie voorts losbl. Burg. Rechtsvordering (Jansen), art. 376, aant. 1, met verdere literatuur.

3 Zie over de ‘’partijen’’ bij de onderhandse akte Asser/Anema/Verdam, Van bewijs, 1953, p. 169 e.v.; Veegens/Wiersma/Wiersma, Het nieuwe bewijsrecht in burgerlijke zaken, 2 Bewijs door geschriften, 1988, nrs. 35 e.v.

4 HR 12 april 1985, NJ 1985, 662 (m.nt. E.A.A. Luijten); zie ook Asser/De Ruiter/Moltmaker 1992, nr. 322.

5 Vgl. Asser/De Ruiter/Moltmaker, nr. 349.

6 Vgl. Asser/De Ruiter/Moltmaker, nr. 364.

7 Zie de conclusie na comparitie in appel, p. 2 ad 4.

8 Zie conclusie van dupliek in eerste aanleg, p. 2, tweede alinea, waar wordt betoogd dat partijen [eisers] na het transport van de bungalow (aan hen)nog ƒ 15.000 hebben moeten uitgeven aan diverse, daar genoemde, voorzieningen in de bungalow.

9 Conclusie van antwoord sub 3.

10 Zie onder ‘’Ad 3 t/m 5’’.

11 Zie p. 2 onder ‘’Ad 3–5’’.

12 P–v. van comparitie, p. 3 onderaan.

13 Zie p. 3 onder 3.

14 Het hof ‘’verbetert’’ dus in zoverre het verstekvonnis, art. 380 Rv. Zie daarover losbl. Burg. Rechtsvordering (Jansen), art. 380; Wiersma, diss., p. 222 e.v.

15 Vgl. in dit verband het eerder genoemde arrest HR 8 december 1989, NJ 1990, 192, sub 4.1, laatste alinea, laatste volzin.