Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:1992:AD1610

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
18-02-1992
Datum publicatie
18-10-2019
Zaaknummer
90.688
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1992:AD1610
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Moord (art. 289 Sr) en verkrachting, meermalen gepleegd (art. 242 Sr). 1. Eigen waarneming van rechter als b.m., art. 340 Sv. Kon Hof in aansluiting op, voor bewijs van verkrachting gebruikte, bij politie afgelegde verklaring van getuige overwegen dat Hof ttz. heeft waargenomen dat verdachte voldoet aan signalement dat door getuige is opgegeven? 2. Is namens verdachte verzoek strekkende tot doen verrichten van tegenonderzoek gedaan? 3. Gebruik voor bewijs van resultaat van DNA-onderzoek.

Ad 1. Blijkens p-v tz. in h.b. heeft voorzitter Hof korte inhoud medegedeeld van p-v, inhoudende verklaring van getuige. Die verklaring houdt signalement in van man die getuige heeft waargenomen ten tijde waarop en in onmiddellijke omgeving van plaats waar tlgd. feit is begaan. Voor verdediging heeft mogelijkheid opengestaan aan te voeren dat en in hoeverre signalement niet op verdachte van toepassing is. Gelet hierop heeft Hof, zonder gehouden te zijn ttz. mededeling te doen omtrent zijn waarneming dat verdachte aan dat signalement voldoet, die waarneming zonder schending van o.m. art. 340 Sv en art. 6 EVRM tot bewijs kunnen bezigen.

Ad 2. Hof heeft kennelijk namens verdachte aangevoerde niet als zodanig verzoek opgevat en ook niet behoeven op te vatten. Vraag wat rechtens is indien verdachte in enig stadium van opsporing of vervolging wel zodanig verzoek zou hebben gedaan, staat in dit geding niet ter beantwoording. HR merkt op dat financiële omstandigheden van verdachte aan het doen verrichten van tegenonderzoek door buitenlands laboratorium niet in de weg behoeven te staan. Door art. 16.1 en 16.3 Wet tarieven in strafzaken jo. art. 591.2 Sv is mogelijkheid tot verkrijgen van contra-expertise voor onvermogende verdachte voldoende gewaarborgd.

Ad 3. Hof heeft betoog van raadsman kennelijk aldus verstaan, hetgeen het kon doen, dat raadsman - zonder te stellen dat i.c. onderzoek niet op deugdelijke wijze zou zijn verricht - in algemene termen en met beroep op wetenschappelijke literatuur heeft aangevoerd dat bij uitvoering van DNA-onderzoek betrekkelijk grote kans bestaat op maken van fouten die tot onzuiverheid van resultaat leiden en dat deze daaraan conclusie heeft verbonden dat in zaken waarin resultaat van zodanig onderzoek ‘’als enig bewijs voor een telastegelegd feit wordt aangevoerd’’ geen bewezenverklaring kan volgen. In 's Hofs overwegingen, waarin Hof verwijst naar overige gebezigde b.m. t.a.v. verkrachting, ligt besloten 's Hofs feitelijke en niet onbegrijpelijke oordeel dat door raadsman bedoelde situatie zich in deze zaak niet voordeed.

Volgt verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 1993, 28 met annotatie van T.M. Schalken
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 90.688
Zitting 3 december 1991

Mr. Meijers
Conclusie inzake:
[verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

1.Verzoeker is ter zake van moord en twee verkrachtingen bij arrest van het gerechtshof te Arnhem van 3 januari 1991 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 jaren met last tot ter beschikking stelling met verpleging van overheidswege.

2. Op het door verzoeker tijdig ingestelde cassatieberoep heeft Mr. G. Spong, advocaat bij de Hoge Raad, een schriftuur met drie middelen ingediend. Op de zitting van de Hoge Raad van 5 november 1991 heeft mr. Spong deze middelen toegelicht.

3. De middelen hebben achtereenvolgens betrekking op de voor het bewijs van het derde feit gebezigde eigen waarneming van het hof (middel 1) en op het voor het bewijs van dat feit gebruikte resultaat van een DNA-onderzoek door het gerechtelijk laboratorium van het ministerie van justitie (middelen 2 en 3).

Het eerste middel. De eigen waarneming van de rechter (artt. 339, lid 1, 1⁰ en 340 Sv)
4.Het hof heeft voor het bewijs van het onder 3 telastegelegde feit (verkrachting van [slachtoffer 1]) onder meer gebruikt de verklaring door [betrokkene 1] ten overstaan van de politie afgelegd. De verklaring van [betrokkene 1] houdt onder meer in:
"Ik heb het gezicht van de jongen gezien. Hij voldeed aan het volgende signalement: een jongeman met een beetje Turks of Marokkaans uiterlijk, leeftijd 20 tot 25 jaar. 1.70 tot 1.80 lang, normaal postuur, middellang donker krullend haar, waarbij de oren vrij waren (permanent), geen baard, bril of snor".

5. Onmiddellijk in aansluiting op de weergave van de verklaring van [betrokkene 1] onder de bewijsmiddelen heeft het hof overwogen:
"Het hof heeft ter terechtzitting waargenomen, dat verdachte voldoet aan het signalement dat door voormelde getuige aan de politie is opgegeven."

6. De klacht van het middel komt hierop neer dat, nu niet blijkt dat het hof van zijn eigen waarneming mededeling heeft gedaan, verzoeker niet de mogelijkheid heeft gehad dit bewijsmiddel tegen te spreken, zodat in dit opzicht niet van een fair trial sprake is.

7. De eigen waarneming van de rechter is een bewijsmiddel naast de andere in art. 339 opgesomde bewijsmiddelen. Het slokt, zoals Knigge in Leerstukken van strafprocesrecht (p. 115) zegt, de andere niet op: "het bestrijkt het terrein dat door de andere bewijsmiddelen wordt open gelaten". In deze zin ook Borst/Nijboer, Inleiding tot het strafrechtelijk bewijs, p. 88. Voor het bewijsmateriaal dat zijn neerslag vindt in een geschrift (de bewijsmiddelen van art. 344 Sv) geldt wat art. 297 lid 5 Sv in algemene zin zegt: ten bezware van de verdachte mag op stukken geen acht worden geslagen dan voor zover zij zijn voorgelezen of de korte inhoud ervan mondeling is meegedeeld. Een regel als die van art. 297 lid 5 is ten aanzien van de bewijsmiddelen onder 2⁰, 3⁰ en 4⁰ van het eerste lid van art. 339 Sv overbodig: de verdachte kan op de terechtzitting weerwerk geven. De eigen waarneming van de rechter zal, zoals de memorie van toelichting ad art. 333 zegt (zitting 1913-1914, kamerstuk 286, nr. 3, p. 169), "een voorname rol spelen bij het bezichtigen van overtuigingsstukken, de opneming eener bepaalde plaatselijke gesteldheid en de kennisneming van den inhoud van ter terechtzitting geproduceerde geschriften. Van belang is in dit verband ook het voorschrift van artikel 311 (- 318, M.) omtrent de mogelijkheid van tijdelijke verplaatsing der terechtzitting voor het houden eener schouw". Vgl. ook het voorschrift van art. 309 Sv: de voorwerpen die als stukken van overtuiging dienen worden, zo nodig, aan de verdachte getoond.
In het algemeen zal wat de rechter waarneemt ook door de verdachte kunnen waargenomen (Reijntjes, diss. P. 201), maar er doen zich gevallen voor waarin –zoals hier- de eigen waarneming eerst uit het vonnis blijkt (vgl. Melai/Borst, aant. 3 bij art. 340).

8. Over de vraag of ook het bewijsmiddel van de eigen waarneming van de rechter voorwerp van debat op de zitting moet zijn zwijgt de wetgever. Een onderzoek in het rapport van de Staatscommissie Ort (deel II ad artt. 332 en 333, p. 279-282), in de memorie van toelichting op die artikelen (p. 167-169) en het voorlopig verslag, zitting 1917-1918, stuk 77, nr. 1, p. 120-121) levert niets op. Ook bij Blok-Besier II ad art. 339 en 340 wordt het punt niet aan de orde gesteld.

9. In de literatuur wordt vrij algemeen de mening aangehangen dat de eigen waarneming van de rechter zoveel mogelijk ter zitting dient te kunnen worden bediscussieerd. Ik noem Melai/Borst, t.a.p.: "Hier geldt …. de wenselijkheid van explicitering" (zie schriftuur, onder 7); Minkenhof/Reijntjes, p. 237-238; Reijntjes, diss. (eveneens in de schriftuur, t.a.p.); Fokkens, Bewijzen in het strafrecht, p. 39: "Ook hier geldt dat de waarneming van de rechter ter terechtzitting onderwerp van discussie moet kunnen zijn. Het moet aan het Openbaar Ministerie en de verdachte duidelijk zijn, wat de rechter waarneemt", Borst/Nijboer, a.w., p. 89: "Verzuim hiervan (van het ter discussie stellen van de eigen waarneming van de rechter op de zitting, M.) zou onzes inziens –naar analogie van de formele nietigheid van art. 297, vijfde lid- een essentiële nietigheid moeten opleveren indien zij worden gebruikt ten bezware van de verdachte …".

10. De jurisprudentie op dit punt is schaars en van vóór de tijd van een daadwerkelijke invloed van art. 6 EVRM op het strafproces. Zie HR NJ 1929, p. 1414: art. 422 Sv verbiedt niet een door de eerste rechter gedane waarneming in hoger beroep als bewijsmiddel te bezigen. (In dit geval bleek het gebruik van dit bewijsmiddel pas uit het arrest van het hof). Uit HR NJ 1935, 50 en HR NJ 1961, 193, beide met noot WP, volgt dat de Hoge Raad voldoende acht dat uit de bestreden uitspraak blijkt welke waarneming is gedaan en dat die waarneming op de zitting is gedaan. In zijn noot in NJ 1961, 193 schrijft Pompe dat art. 297 Sv hier is uitgeschakeld. Vgl. HR NJ 1927, 464, HR DD 74.029.

11.1 Kan een verdachte aan art. 6 EVRM (en art. 14 IVBPR) het recht ontlenen in de gelegenheid te worden gesteld de voor het bewijs te gebruiken eigen waarneming van de rechter tegen te spreken? Uit de Straatsburgse rechtspraak (Schenk, Unterpertinger, Kostovski en de in het middel genoemde zaken Windisch, Delta, Isgro en Cardot) blijkt dat de vraag zó niet juist is gesteld:
"While Art. 6 Convention guarantees the right to a fair trial, it does not lay down any rules on the admissibility of evidence as such, which is therefore primarily a matter for regulation under national law."

11.2. Naar deze overweging uit de Schenk-uitspraak (§ 46, NJ 1988, 851) wordt onder meer in de Kostovski-beslissing van het Europese hof verwezen (§ 39, NJ 1990, 245).

11.3. Uitgangspunt voor het EHRM is vervolgens (Kostovski, § 41) dat al het bewijs
"must be produced in the presence of the accused at a public hearing with a view to adversarial argument".

11.4. Waar het blijkens het vervolg van de rechtsoverweging van het hof om gaat is of aan de verdachte in de concrete strafzaak een "adequate and proper opportunity" heeft gehad om het bewijsmateriaal te betwisten. Vgl. ook EHRM in de zaak Asch v. Oostenrijk, § 27 (Human Rights Law Journal 1991, p. 204). Mr. Fokkens merkt naar aanleiding van de Kostovski-uitspraak van het EHRM in zijn preadvies voor de Vereniging voor de Vergelijking van het recht van België en Nederland (1990) terecht op dat in de zaak Kostovski door het Hof een schending van het fair trial beginsel is vastgesteld omdat de rechten van de verdediging onaanvaardbaar waren ingeperkt nr. 7.8).

11.5. Waar de verdediging in haar mogelijkheid tot tegenspraak is belemmerd, zal blijkens de beslissingen van het Europese hof in o.m. Unterpertinger en Kostovski door de rechter meer tegenwicht ("counterbalanced" zegt de Kostovski-uitspraak in § 43) moeten worden gegeven, naarmate het aangevochten bewijsmiddel een belangrijkere, meer dragende, plaats in het geheel van de bewijsvoering heeft. Vgl. Fokkens, a.w., nr. 7.7. In zijn door de Hoge Raad (25 juni 1991, nr. 89.255, DD 91.380) overgenomen conclusie gebruikt mr. Fokkens het beeld van "(min of meer) communicerende vaten: hoe minder ondervragingsmogelijkheden, hoe meer ander bewijs aanwezig moet zijn" (conclusie, 19).

12. Wat de relatie tot het overige bewijs betreft: in verzoekers zaak is de eigen waarneming van de rechter niet een bewijsmiddel waarop verzoekers veroordeling voor het derde feit voornamelijk is gebaseerd. De verbinding tussen de dader van de verkrachting en verzoeker is ook gelegd door een ambtsedig proces-verbaal, nr. 4602A/89, met de verklaring van het slachtoffer dat zij de stem van verzoeker herkende ("voor 100%") als de stem van degene die haar toen en daar heeft verkracht (arrest, p. 13) en vooral –maar dan loop ik vooruit op de bespreking van de twee andere middelen- door het resultaat van het DNA-onderzoek (arrest, p. 15-16).

13. Ten aanzien van het recht op tegenspraak van de eigen waarneming zal, zoals het middel terecht bepleit, regel moeten zijn dat de rechter "een door hem gedane waarneming op de zitting uitdrukkelijk ter discussie stelt" (Melai, aant. 3 bij art. 340). Het niet in acht nemen van deze regel behoeft niet tot nietigheid van het onderzoek of bewijsuitsluiting te leiden, indien uit de gedingstukken blijkt dat het object van de waarneming zodanig ter sprake is gekomen dat de verdediging het heeft kunnen betwisten. Dat zal onder meer het geval zijn, wanneer het voorwerp van de waarneming is weergegeven in een processtuk waarvan op de zitting de (korte) inhoud is medegedeeld of in een ter zitting afgelegde verklaring naar voren is gebracht. De Hoge Raad heeft in ander verband de hiervoor bedoelde, geclausuleerde, regel onder meer toegepast in zijn arrest van 29 oktober 1991, nr. 89.759:
"….behoefde het verzuim van het hof om de in het middel bedoelde brief aan de verdachte of zijn raadsman ter inzage aan te bieden er niet aan in de weg te staan dat die brief voor het bewijs werd gebruikt. Immers, aan de verdachte en zijn raadsman is ter terechtzitting van 3 november 1989 zowel het bestaan als de inhoud van die brief ter kennis gebracht in het kader van de door de Procureur-Generaal gemaakte aanvullende opmerkingen op het proces-verbaal van 5 september 1989, terwijl aan de raadsman de gelegenheid is geboden zich omtrent die opmerkingen uit te laten en mitsdien om desverlangd inzage van die brief te vragen".

14. In verzoekers zaak heeft voor de verdediging de mogelijkheid van betwisting van de eigen waarneming van de rechter als zodanig niet bestaan, omdat eerst uit het arrest van het gebruik van dat bewijsmiddel bleek. De verdediging heeft echter wel de mogelijkheid gehad het in het geding gebrachte signalement aan te vechten. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof blijkt namelijk dat aldaar de korte inhoud is medegedeeld van de processen-verbaal die als blz. 1 tot en met 117 deel uitmaken van de stukken van het opsporingsonderzoek (nr. 4602/89). Onderdeel van dat pakket zijn de blz. 10 en 11 waarop voorkomt de verklaring van [betrokkene 1] met het signalement van de verdachte. Bovendien kan uit het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof worden afgeleid dat het signalement van de verdachte op enigerlei wijze ter sprake is geweest. Verzoeker heeft immers op de zitting onder meer verklaard (p.v., p. 3): "Ik heb donker haar en een donker uiterlijk". Met andere woorden: het object van de eigen waarneming van het hof is op de terechtzitting aan de orde geweest. Verzoeker en/of zijn raadsman hebben de gelegenheid gehad zich over het signalement uit te laten en het, als zij dat wilden, te betwisten.

15. Van strijd met art. 6 EVRM en art. 14 IVBPR is in de gegeven omstandigheden geen sprake. Het middel is ongegrond.

Het tweede en het derde middel. De DNA-test. Recht op tegenonderzoek. Betrouwbaarheid van het resultaat
16. Op de terechtzitting van het hof heeft verzoeker onder meer verklaard dat hij vrijwillig bloed heeft afgestaan ten behoeve van het DNA-onderzoek door het gerechtelijk laboratorium (p. 12).

16. De bewezenverklaring van het derde feit berust mede op de conclusie van het rapport van de scheikundige van het laboratorium. Deze conclusie luidt, voor zover betrekking hebbend op het slachtoffer van de onder 3 tenlastegelegde verkrachting:
"Op grond van de resultaten van het DNA-onderzoek kan worden geconcludeerd dat het sperma op de blouse van het slachtoffer [slachtoffer 1] redelijkerwijs afkomstig is van (volgt de naam van verzoeker, M.). De kans dat twee willekeurige mannen van caucasische origine (lees: blanke afkomst), die geen bloedverwantschap met elkaar hebben een ononderscheidelijk patroon bezitten als het patroon in het spermaspoor op de blouse van [slachtoffer 1] bedraagt volgens de meest conservatieve schatting minder dan één op de miljoen."

17. Omtrent een verweer tegen het gebruik van het resultaat van de test voor het bewijs en de beslissing erop van het hof houdt het bestreden arrest het volgende in:
"Door de raadsman is betoogd, dat het toegepaste DNA-onderzoek niet tot het bewijs kan meewerken. Daartoe is gesteld dat dit onderzoek de feitelijke mogelijkheid tot tegenonderzoek niet kan ontberen en dat voorts de betrouwbaarheid ervan in wetenschappelijke kring geenszins onomstreden is.

Het hof verwerpt dit verweer. Van enige regel dat zodanig onderzoek slechts toelaatbaar is wanneer een tegenonderzoek feitelijk tot de mogelijkheden zou behoren, is naar geldend recht geen sprake. Voorts is het hof van oordeel dat het toegepaste DNA-onderzoek, zoals hiervoor vermeld, in samenhang met de overige bewijsmiddelen t.a.v. het onder 3 primair tenlastegelegde tot het bewijs kan bijdragen.

Ten overvloede merkt het hof op dat naar zijn oordeel de betrouwbaarheid van het toegepaste DNA-onderzoek in de zaak [slachtoffer 1] wordt versterkt, doordat een volgens dezelfde methode in de zaak van het slachtoffer [slachtoffer 2] met het bloed van verdachte verricht onderzoek heeft geleid tot de conclusie, dat aangetroffen sperma redelijkerwijs van verdachte afkomstig is, welke conclusie haar bevestiging vindt in de bekennende verklaring van verdachte in de zaak van het slachtoffer [slachtoffer 2]."

18. Het tweede middel keert zich in een uitvoering betoog tegen het oordeel van het hof dat het geldend recht niet de regel kent dat een DNA-onderzoek slechts toelaatbaar is wanneer een tegenonderzoek feitelijk tot de mogelijkheden behoort.

19. Voor een goed begrip van het oordeel van het hof en van het daartegen gerichte middel is het van belang te zien wat verzoekers raadsman met betrekking tot een tegenonderzoek heeft aangevoerd. Ik citeer uit de pleitaantekeningen van mr. C.A. Deenik (p.4):
"In Nederland verricht alleen het Gerechtelijk Laboratorium DNA-onderzoeken in strafrechtelijke aangelegenheden. Van een in dit geval (en zo is dat helaas zo vaak) onvermogende verdachte kan toch niet verlangd worden dat hij een contra-expertise laat verrichten in het buitenland. (…)

De rechtbank Zwolle heeft ten onrechte het verweer verworpen dat het DNA-onderzoek de feitelijke mogelijkheid tot tegenonderzoek niet kan ontberen en dat de betrouwbaarheid van dit onderzoek in wetenschappelijke kringen geenszins onomstreden is. Juist omdat het DNA-onderzoek niet onomstreden is en omdat er zoveel fouten kunnen worden gemaakt en omdat juristen nu eenmaal niet beschikken over de kennis waarover de onderzoekers wel kunnen beschikken is het absoluut noodzakelijk dat de mogelijkheid van een tegenonderzoek wordt geboden, sterker nog dat er tegenonderzoek wordt verricht, alvorens de uitslag van een DNA-onderzoek kan bijdragen tot het bewijs van een telastegelegd feit. (…)

Op grond van het bovenstaande is de kans dat iemand met behulp van dergelijk bewijs ten onrechte als dader van een misdrijf wordt aangewezen zeer groot. Derhalve dient uiterste terughoudendheid te worden betracht met betrekking tot een dergelijk bewijsmiddel (…)."

20. Van een concreet verzoek om een tegenonderzoek blijkt uit de pleitaantekeningen of het proces-verbaal van de zitting van het hof (en dat van de rechtbank) niet. Ik wijs erop dat, zoals uit proces-verbaal nr. 4602/89, p 103, 115 en 229 blijkt, de politie op 5 februari 1990 het resultaat van de – met instemming van verzoeker op sperma en bloed verrichte DNA-test met hem heeft besproken en dat verzoeker toen niets over een eventuele wens tot tegenonderzoek heeft gezegd. Het ziet ernaar uit dat de raadsman een stelling van meer theoretische aard heeft opgeworpen: zolang er in Nederland geen reële mogelijkheid voor een tegenonderzoek tegen een DNA-test bestaat, mag het resultaat van zo een test in een strafzaak niet voor het bewijs worden gebruikt. Zó heeft het hof het verweer begrepen en, naar ik meen, ook kunnen begrijpen. Zie HR DD 1988, 184: het enkele bepleiten dat de verdediging de mogelijkheid van een contra-expertise moet hebben behoeft niet te worden opgevat als een verzoek (cfm. art. 330 Sv) om zo een onderzoek. Vgl. HR DD 87.025 (zinspeling op een aanvullend psychiatrisch rapport is geen verzoek cfm. art. 330 Sv).
Daarmee valt de bodem onder het middel ("recht op een tegenonderzoek voor een verdachte die zulks wenst …", schriftuur, p. 11, punt 5) weg. Een algemeen recht op een tegenonderzoek, los van een uitdrukkelijk verzoek van de verdachte of zijn raadsman, kan immers noch uit enige verdragsbepaling noch uit Sv worden afgeleid. Zie HR 21 mei 1988, NJ 1988, 898, met nt. ThWvV en HR 6 maart 1990, NJ 1990, 467, met nt. Schalken. Voor gegevens moge ik verwijzen naar de conclusie voor laatstgenoemd arrest (ademanalyse). Vgl. ook Mintjes/De Rooij in VR 1990, p. 85-86 en Von Brucken Fock in Justitieel onderzoek aan en in het lichaam, p. 26-28.

21. Ik houd het middel voor ongegrond.

22. De vraag wat rechtens is, wanneer er wel van een verzoek om een tegenonderzoek blijkt kan in dit geval buiten bespreking blijven. Ik herinner volledigheidshalve eraan dat die vraag naar het oordeel van Uw Raad in het ademanalyse-arrest "moet worden bezien in verband met de feitelijke omstandigheden van het geval". Vgl. Reijntjes, Rondom DNA. Over opsporing en bewijsvoering, RM Themis 1991, p. 267 e.v. en M. de Klerk in AA 1991, p. 540-548. Voor dit geval zou dat mijns inziens betekenen dat, zou in het betoog van verzoekers raadsman wel een uitdrukkelijk verzoek om een tegenonderzoek moeten worden gelezen (quod non, naar ik meen), het middel, voor zover het over ontoereikende verwerping van het verweer klaagt, mij gegrond voorkomt.

Het derde middel. De betrouwbaarheid van het rapport van het laboratorium
23. Voor zover het middel (in de toelichting onder 2) klaagt dat het hof niet heeft gereageerd op het verweer waarin de betrouwbaarheid van het rapport is betwist mist het, zoals uit de hiervoor onder 17 weergegeven overwegineng van het hof –waarvan de onderdelen in onderling verband moeten worden gelezen- blijkt, feitelijke grondslag.

24. De subsidiaire klacht van het middel komt hierop neer dat het hof ten onrechte heeft nagelaten zijn beslissing om het resultaat van het onderzoek als deskundigenverslag (art. 344 eerste lid onder 4⁰ Sv) voor het bewijs te gebruiken uitdrukkelijk te motiveren. Het middel verwijst onder meer naar HR 28 februari 1989, NJ 1989, 748 (poppenspel).

25. Ik ben van mening dat het middel faalt. Het hof mocht het door het gerechtelijk laboratorium verrichte DNA-onderzoek voldoende deugdelijk en het resultaat van het onderzoek alsmede het daarvan overgelegde rapport voldoende betrouwbaar achten om het rapport zonder nadere motivering voor het bewijs te gebruiken. Ik verwijs naar de beschouwingen in het rapport van de commissie herijking wetboek van strafvordering (commissie Moons) Het DNA-onderzoek in strafzaken, januari 1991, p. 5. Vgl. P.J.P. Tak, DNA en strafproces, p. 11. De schrijver merkt op p. 105 naar aanleiding van strafzaken in de VS (waaronder de in het middel genoemde Castro-zaak) onder meer op:
"… in een aantal strafzaken in de VS ertoe geleid dat de rechter de resultaten van het uitgevoerde DNA-identificatie-onderzoek niet als bewijs heeft willen accepteren, evenwel niet omdat de methode van onderzoek zelf niet betrouwbaar zou zijn, maar omdat de wijze van onderzoek in concreto niet aan de eisen van wetenschappelijke zorgvuldigheid voldeed."

Vgl. dezelfde schrijver in de Leijtenbundel onder de titel Leijten dilemma, p. 265, en Reijntjes in zijn al genoemde Themisartikel, p. 278-279 en 282-284.

26. Ook het Bundesgerichtshof wijst –in zijn Urteil van 21 augustus 1990 (Entsch. BGHSt 1991, p. 159) – erop dat de bezwaren tegen het DNA-onderzoek in het bijzonder de rechtspolitieke consequenties van een ruime aanwending van DNA-analyses betreffen. Die bezwaren "begründen nicht die Unzulässigkeit der Untersuchungen".
Waar het naar mijn mening op aan komt is dat (ik citeer nogmaals het BHG in zijn genoemde uitspraak) "die angewendeten Methoden den Sicherheitsanforderungen entsprechen, wie sie zur Zeit international gestellt werden".

27. Anders dan in de zaak van het poppenspel gaat het hier niet om een omstreden methode. (Zie ik het goed, dan verdedigt het middel niet het standpunt dat het DNA-onderzoek in het algemeen tot een onbetrouwbaar resultaat leidt.) Evenmin is in verzoekers zaak, anders dan in de zaak met het poppenspel, een (tegen)deskundige opgetreden die de betrouwbaarheid van de door het laboratorium gevolgde methode en/of van het onderzoeksresultaat gemotiveerd heeft betwist. Voor dit punt: rov 5.3. van HR NJ 1989, 748. Vgl. Mintjes/De Rooij in DD 1989, p. 870 ("…het overleggen van publikaties is –zo hebben wij de indruk- niet voldoende om de plaats van de tegendeskundige geheel in te nemen").

28. Omtrent eventuele feilen in de uitvoering van het DNA-onderzoek door het gerechtelijk laboratorium in deze zaak is niets aangevoerd of vastgesteld. Het hof mocht het resultaat van het onderzoek derhalve voor het bewijs gebruiken zonder van de betrouwbaarheid van de onderzoeksmethode en van het deskundigenverslag afzonderlijk rekenschap te geven. Het hof heeft overigens wél aangegeven waardoor naar het oordeel van het college in deze zaak betrouwbaarheid van het toegepaste DNA-onderzoek is versterkt.

Conclusie
29. Geen van de middelen komt mij gegrond voor. Ambtshalve gronden voor vernietiging van het bestreden arrest ontbreken naar mijn mening. Deze conclusie strekt derhalve tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,