Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:1992:AC3716

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
14-09-1992
Datum publicatie
10-03-2017
Zaaknummer
91700
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1992:AC3716
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 1993, 54 met annotatie van Th.W. van Veen
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 91.700

Zitting 2 juni 1992

Mr. Meijers

Conclusie inzake:

[verdachte]

Edelhoogachtbaar College

Deze zaak hangt, wat het eerste bewezenverklaarde feit betreft (het medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving), samen met nr. 91.699. Het gerechtshof te Amsterdam heeft verzoeker terzake van (1) het medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving, (2) het gebruik maken van een vals geschrift en (3) diefstal in vereniging met braak tot een gevangenisstraf van één jaar veroordeeld. Mr. Rieske heeft ook in deze zaak drie middelen van cassatie voorgesteld.

Het eerste middel betreft de bewijsvoering van feit 1. Aangevoerd wordt dat verzoekers betrokkenheid bij het feit niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

De lijn van de bewijsvoering is deze:

Het slachtoffer van de gewelddadige vrijheidssberoving heeft, kort nadat hij was vrijgelaten, de zwarte Mercedes 190, waarin hij was vervoerd, mishandeld en bedreigd, aan politieambtenaren aangewezen (bewijsmiddelen 2 en 3 in verbinding met bewijsmiddel 1). Bij een eerste onderzoek troffen verbalisanten op het dak van de auto bloedssporen aan (bewijsmiddel 3). Een, niet nader aangeduide, getuige heeft verzoeker en [betrokkene 1] aan de hand van foto's "met 100 % zekerheid" herkend als de personen "die op 29 en 30 september 1987 in Weesp hadden geïnformeerd naar de verblijfplaats van het slachtoffer" (bewijsmiddel 4). De technische recherche van de RP Den Haag heeft een geuridentificatieproef met de rijksspeurhond Noesjka gehouden op de houten kolfplaten van de revolver die onder de mat in de kofferruimte van de zwarte Mercedes was gevonden (bewijsmiddel 8 in verbinding met bewijsmiddel 5). Bewijsmiddel 8 beschrijft de procedure van de proef (die tweemaal werd herhaald, waarbij de buisjes met lichaamsgeur van de verdachten telkens op een andere plaats lagen) en het resultaat ervan: bij alle drie proeven apporteerde de hond de buisjes van verzoeker. Bewijsmiddel 9 houdt als verklaring van verzoeker tegenover de politie in dat verzoeker in september 1987 regelmatig in een zwarte Mercedes reed, waarin hij een op zijn naam geregistreerde autotelefoon had geplaatst. In hoger beroep heeft verzoeker verklaard dat de inbeslaggenomen Mercedes de auto was waarin zijn autotelefoon zat (bewijsmiddel 10; waar verzoeker een van zijn medeverdachten met zijn, verzoekers, naam aanduidt, moet sprake zijn van een misslag in het zittings- verbaal; de namen van de medeverdachten zijn [betrokkene 5] en [betrokkene 1]).

In de toelichting ("motivering") op het middel worden de volgende bezwaren tegen de bewezenverklaring aangevoerd. Daarvan is het eerste bezwaar, de vermelding in verzoekers verklaring van zijn eigen naam, al ter sprake gekomen. Het gaat hier in de context van de bewezenverklaring om een kennelijke verschrijving.

Het tweede bezwaar betreft de omstandigheden dat de rechtbank te Utrecht verzoeker voor feit 1 heeft vrijgesproken en dat het hof verzoekers medeverdachte [betrokkene 1] heeft vrijgesproken. Dit bezwaar miskent dat de appelrechter de zaak geheel opnieuw behandeld en na een eigen onderzoek beslist.

Het daarop volgende bezwaar steekt dieper: de identiteit van de getuige die verzoeker van foto's herkende blijft in het duister. Ik wil naar aanleiding van dit bezwaar het volgende opmerken. Op de terechtzitting van het hof van 4 april 1991 is de korte inhoud meegedeeld van, onder meer, het proces-verbaal waarin naar de opgave van de bedoelde getuige wordt verwezen. Verzoeker heeft de gelegenheid om deze getuige te ondervragen of te doen ondervragen niet benut. Uit het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep noch uit het bestreden arrest blijkt dat door of namens verzoeker de wens is te kennen gegeven tot een verhoor van deze getuige of van de verbalisant(en) in aanwezigheid van verzoeker en/of de raadsman die hem bijstond. Hetzelfde geldt voor de procedure in eerste aanleg. Het hof mocht in deze omstandigheden, nu er bovendien bewijs uit niet-anonieme bron voorhanden was, zonder nadere motivering van het bedoelde proces-verbaal voor het bewijs gebruik maken. Ik verwijs naar HR NJ 1990, 692 (het eerste arrest van de Hoge Raad na Kostovski; zie de rechtsoverwegingen 5.2 en 5.3), het overzicht van prof. Corstens in Kroniek van het strafrecht 1990, p. 51, en Harteveld e.a., Het EVRM en het Nederlandse strafprocesrecht, p. 109.

Vgl. HR NJ 1991,807 (noot 't Hart) met gegevens in de door de Hoge Raad overgenomen conclusie van mijn ambtgenoot Fokkens (in die zaak ging het over een anonieme tip, waardoor de situatie, zoals 't Hart in zijn noot opmerkt, wel verschilt van die van een anonieme getuige, zoals in het onderhavige geval).

Vervolgens wordt als bezwaar opgeworpen dat het hof het aanzienlijk minder duidelijke resultaat van de sorteerproef met de speurhond Nero (waarvan de inzet niet direkt naar verzoeker leidde) buiten beschouwing heeft gelaten. Ik meen dat het hof vrij was dat te doen, waarbij moet worden opgemerkt dat het objekt waarop de proef met Nero betrekking had een ander was (de rechter kolfplaat van de revolver) dan bij de proef met de andere hond (de linker kolfplaat). Vgl. HR DD 91.182, waarin de Hoge Raad met betrekking tot het resultaat van een sorteerproef de regel van selectie en waardering door de feitenrechter hanteert. Over de sorteerproef in kritische zin Wagenaar c.s., Dubieuze zaken, p. 220-228.

Het bezwaar sub 2 d slaagt evenmin. Tevergeefs wordt daarin immers een beroep gedaan op feiten en omstandigheden die in cassatie niet vast staan.

Het hof heeft, kennelijk doordat de verdediging (ook) op dit punt zweeg (de raadsman bepleitte volgens het zittingsverbaal wel vrijspraak), ervan afgezien met toepassing van art. 316/415 Sv een nader onderzoek naar aanleiding van de verklaring van de getuige tegenover de politie te gelasten. Dat de zaak aan duidelijkheid zou hebben gewonnen, mag redelijkerwijze worden aangenomen. Niettemin meen ik dat het hof, nu verzoeker en zijn raadsman nadere opheldering kennelijk niet nodig hebben geacht, het bewezenverklaarde onder 1 uit de gebezigde bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden.

Het tweede middel komt met enige bezwaren op tegen de bewezenverklaring van het tweede feit, het gebruik van 25 vervalste betaalcheques. Het bewijs is gebaseerd op een verklaring van de aangever, [A], verklaringen van de manegehouder [betrokkene 2] (proces-verbaal gemeentepolitie Soest en proces-verbaal RC Utrecht), het proces-verbaal van een confrontatie tussen verzoeker en [betrokkene 2], waarbij deze verzoeker herkent als de man die op zijn, Van Delders, kantoor onder de naam [A] 25 cheques uitschreef, en een verklaring van verzoeker, waarin deze onder meer zegt dat hij toen en daar met [betrokkene 1] een manegehouder heeft ontmoet en dat deze aan [betrokkene 1] ƒ 350,- heeft gegeven.

Het eerste bezwaar valt in drie punten uiteen: (a) het bewijs rust uitsluitend op de verklaring van één getuige;

(b) de verklaringen van [betrokkene 2] zijn onderling tegenstrijdig en (c) diens verklaring ten overstaan van de RC is afgelegd buiten aanwezigheid van de raadsman die, anders dan het zittingsverbaal van de rechtbank vermeldt, voor dat verhoor niet is opgeroepen. Ad (a) : deze klacht mist feitelijke grondslag. Ad (b): de bedoelde verklaringen zijn niet tegenstrijdig, maar vullen elkaar aan. Ad (c): uit het zittingsverbaal van het hof blijkt niet dat de raadsman op de terechtzitting in hoger beroep hierover heeft gesproken; deze klacht kan niet voor het eerst in cassatie naar voren worden gebracht.

Het tweede en het derde bezwaar (het hof heeft het rapport van het gerechtelijk laboratorium van 24 mei 1988 terzijde gelaten; de bewezenverklaring behoefde nadere motivering) stuiten af op de al genoemde regel dat de selectie en de waardering van bewijsmateriaal aan de feitenrechter zijn voorbehouden. Van omstandigheden die tot het maken van een uitzondering op de regel aanleiding moesten geven blijkt niet.

Het middel is naar mijn mening ongegrond.

Het derde middel heeft de strekking de bewezenverklaring van feit 3 (de diefstal samen met een ander van een BMW van een parkeerterrein te Hilversum; het middel spreekt bij vergissing van feit 1) aan te vechten. Blijkens de bewijsmiddelen werd verzoeker kort na de ontdekking van de diefstal naast [betrokkene 1] in de bewuste auto aangetroffen (bewijsmiddel 3). Verzoeker heeft drie verklaringen afgelegd met telkens een andere lezing (eerste versie: kennis heeft BMW naar mij gebracht in Zandvoort; met [betrokkene 1] heb ik er in Zandvoort in gereden; 's nachts is die auto weggenomen; tweede versie: ik wilde de BMW lenen van [betrokkene 1]; derde versie: er is geen kennis in het spel die de BMW in Zandvoort naar mij heeft gebracht; ik was met de trein naar Zandvoort gekomen; met [betrokkene 1] ben ik naar Heemstede gereden).

Geen van deze versies correspondeert met de verklaring van [betrokkene 1] (auto van kennis in Amsterdam gekocht; daarna samen met V. (verzoeker) naar Zandvoort gereden; BMW daar achtergelaten). Daaruit concludeert het hof in zijn nadere bewijsoverweging dat zowel de verklaringen van verzoeker als de verklaring van [betrokkene 1] leugenachtig zijn en kennelijk zijn afgelegd om de waarheid te bemantelen. Het hof bezigt die verschillende verklaringen in zoverre voor het bewijs van het onder 3 telastegelegde. Daartegen maakt het middel bezwaar.

Dat het hof ervan uitgaat dat verzoeker en [betrokkene 1] met hun uiteenlopende verklaringen omtrent het bezit en het gebruik van de BMW onwaarheid hebben gesproken is, ook in aanmerking genomen dat de auto tussen 9 februari 1988, 22.15 uur en 10 februari 1988, 08.00 uur is ontvreemd, niet onbegrijpelijk. De vraag blijft of dit uitgangspunt de gevolgtrekking rechtvaardigt dat die verklaringen de strekking hadden de diefstal van de BMW te Hilversum toe te dekken. In de lijn van HR DD 89.096 zou ik deze vraag ontkennend willen beantwoorden. Het is, met andere woorden, niet voldoende dat de leugenachtigheid van een of meer verklaringen is gebleken; nodig is ook dat het leugenachtig karakter op grond van een inzichtelijke redenering redengevend is voor het bewijs van het telastegelegde (zie voor deze beide eisen Leerstukken strafprocesrecht, red. Knigge, p. 113 en 164; ook Reijntjes, diss., p. 172).

Het derde middel gegrond bevindend, concludeer ik tot vernietiging van het bestreden arrest, voor zover het betreft de bewezenverklaring van het onder 3 telastegelegde feit en de strafoplegging voor de drie bewezen verklaarde feiten, met verwijzing in zoverre van de zaak naar een ander hof.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden