Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:1992:AB8562

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
30-09-1992
Datum publicatie
11-08-2020
Zaaknummer
2819 Besch
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1992:AB8562
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Er is sprake van ontdekking op heterdaad van het feit telkens als de overtreding van de verboden toestand wordt geconstateerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 1993, 291
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 2819 Besch.

Parket, 30 september 1992

Mr. Meijers

Conclusie inzake:

De Officier van Justitie te ’s-Hertogenbosch

in de zaak tegen

[klager]

Edelhoogachtbaar College,

Bij beschikking van 2 april 1992 heeft de rechtbank te 's-Hertogenbosch het beklag van [klager] gegrond verklaard, het beslag op de vier inbeslaggenomen reclameborden (met aanduidingen van bedrijfsbestemmingen in Rosmalen) opgeheven en de teruggave ervan aan [klager] gelast.

Tegen deze beschikking heeft de officier van justitie op 2 april 1992 (dus tijdig: art. 552d lid 2 Sv) bij akte beroep in cassatie ingesteld. Zijn op 22 april 1992 ter griffie van de rechtbank ingediende schriftuur is bij de processtukken gevoegd (art. 447 lid 1 Sv, zoals dit artikellid luidde tot 1 mei 1992).

Mr. Th.A.G. Vermeulen, advocaat te Rosmalen, heeft namens [klager] een verweerschrift ingediend.

De schriftuur voldoet naar mijn mening slechts zeer ten dele aan de eisen die de wet daaraan stelt. In de klacht dat de beslissing van de rechtbank indruist tegen het beleid van het OM om de wildgroei van reclameborden te beteugelen kan ik geen cassatiemiddel ontdekken: de klacht geeft niet aan welke status dat beleid heeft en op grond waarvan de rechtbank door haar beslissing, aangenomen dat deze tegen een OM-beleid ingaat, een rechtsregel en zo ja, welke, heeft geschonden. Wellicht kan een cassatiemiddel worden gelezen in de zinsnede dat de raadkamer ten onrechte heeft gesteld dat van ontdekking op heterdaad geen sprake is.

Daarin zou de klacht kunnen worden onderkend dat de rechtbank het recht heeft geschonden door een onjuiste uitleg van het begrip ‘’ontdekking op heterdaad’’ in art. 96 en art. 128 Sv. Deze klacht zal ik bespreken.

De rechtbank heeft met betrekking tot het punt van de heterdaad naar aanleiding van een desbetreffend verweer overwogen:

‘’Inbeslagneming op grond van genoemd wetsartikel (96 Sv, M.) kan slechts plaatsvinden in geval van ontdekking op heterdaad. Daarvan is in casu geen sprake, nu immers de verbalisant in bedoeld proces-verbaal relateert dat hij de onderhavige overtreding in ieder geval reeds op 2 januari 1992 heeft geconstateerd en klager daaromtrent heeft gehoord en de inbeslagneming eerst heeft plaatsgevonden op 24 januari 1992.’’

Het gaat hier over (de vervolging van) een voortdurend delict. Naar mijns inziens voor de hand liggende opvatting geldt daarbij dat er van ontdekking op heterdaad van het feit sprake is telkens als de overtreding van de verboden toestand wordt geconstateerd. Vgl. de toenmalige AG Van Oosten in zijn conclusie voor HR NJ 1935, p. 278, en Vellinga-Schootstra, Inbeslagneming en huiszoeking, p. 581. De aan heterdaad gekoppelde dwangmiddelen kunnen dan worden toegepast. Aan de ratio van het stelsel dat bepaalde dwangmiddelen in aangewezen (categorieën van) gevallen door daartoe bevoegde personen slechts bij ontdekking op heterdaad mogen worden toegepast is ook immers dan voldaan. Die ratio is dat als gevolg van de ‘’verschen toestand’’ (Melai, aant. 8 bij art. 128 met verwijzing naar de memorie van toelichting op art. 131 ORO) het gevaar voor dwaling zoveel mogelijk is gereduceerd. Vgl. Aler, De politiebevoegdheid bij opsporing en controle, p. 233 en 293; Van Bemmelen-Van Veen, Strafprocesrecht, 10e dr., p. 121.

De rechtbank heeft naar mijn mening blijk gegeven van een verkeerde rechtsopvatting omtrent het begrip ‘’ontdekking op heterdaad’’. Het middel treft derhalve in mijn opvatting doel.

Ik concludeer dat de Hoge Raad de bestreden beschikking zal vernietigen en de zaak zal verwijzen naar het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

1 J. Naeyé laat zich in zijn dissertatie Heterdaad, Politiebevoegdheden bij ontdekking op heterdaad in theorie en praktijk (VU 1989) over het hier besproken punt niet expliciet uit. De term ‘’strafrechtelijk relevante ontdekking’’: iemand zal een gedraging of situatie pas als strafbaar ontdekken, wanneer hij aan zijn waarneming uitdrukkelijk een strafrechtelijke betekenis wil toekennen (p. 52) brengt m.i. weinig verheldering.