Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:1992:25

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
21-02-1992
Datum publicatie
10-05-2021
Zaaknummer
7943
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1992:ZC0586
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rek.nr. 7943

(Ned. Antillen)

Zitting 21 februari 1992

Mr. Hartkamp

Conclusie inzake

[de erfgenamen]

tegen

Sunresorts N.V.

Edelhoogachtbaar College,

Feiten en procesverloop

1) De in deze zaak van belang zijnde feiten (ten dele vastgesteld in het vonnis in eerste aanleg, ten dele in het vonnis van het Gemeenschappelijk Hof) zijn de volgende. In 1861 is [de stamvader] (de stamvader) overleden. Hij liet zes kinderen na. Zijn oudste zoon heette [betrokkene 3] , zijn jongste zoon [de erflater] . Hij had ook een dochter [betrokkene 4]. [de erflater] had blijkens ‘’scabinale akte’’ van 28 oktober 1852 grond gelegen in de Low Lands op Sint Maarten gekocht en in eigendom verkregen, die in de akte werd aangeduid als ‘’het westelijk gedeelte van de landerijen genaamd [A]’’. [de erflater] is in 1882 overleden. De oudste zoon van de stamvader, [betrokkene 3] , had een zoon genaamd [betrokkene 5] ([betrokkene 5]). Deze [betrokkene 5] verrichtte bezitsdaden ten aanzien van het land van zijn oom [de erflater] . [betrokkene 5] is in 1935 overleden. Zijn kinderen hebben in 1957 een deel van het land verkocht aan [betrokkene 6], die het op zijn beurt weer heeft verkocht aan Island GEM Enterprises NV, thans geheten Sunresorts NV, verweerster in de onderhavige cassatieprocedure. Sunresorts heeft de betreffende grond, aangeduid als ‘’[A]’’ bij transportakten van 15 november 1957 en 14 december 1966 in twee gedeelten geleverd gekregen. De akten zijn overgeschreven in het hypotheekregister op resp. 16 november 1957 en 20 januari 1967. Het gaat om een gebied van iets minder dan 70 hectare. Sunresorts heeft dit gebied voor tientallen miljoenen dollars bebouwd met hotels e.d.

2) In november 1976 hebben een aantal erfgenamen van [de erflater] zich gewend tot het Gerecht in eerste aanleg, zittingsplaats Sint Maarten, met het verzoek (zoals dat na diverse wijzigingen is komen te luiden) dat de rechter voor recht zal verklaren dat de in het inleidende verzoekschrift omschreven terreinen deel uitmaken van de nalatenschap van [de erflater] en dat die terreinen derhalve in eigendom toebehoren aan diens erfgenamen, alsmede dat de rechter Sunresorts (toen nog Island GEM) zal veroordelen bedoelde terreinen te ontruimen en ter vrije beschikking te stellen van de gezamenlijke erfgenamen van [de erflater]. In de loop van het geding hebben de erven hun aanspraken beperkt tot ca. 40 ha. van het gehele bij Sunresorts in bezit zijnde stuk land. Zie hiervoor r.o. 1 van het arrest van uw Raad van 10 juni 1983, NJ 1984, 294 m.nt. W.M.K. en W.H.H., waarbij dat geding werd beëindigd.

Het Gerecht in eerste aanleg heeft in dat geding — onder afwijzing op praktische gronden van het beroep van Sunresorts op de exceptio plurium litis consortium — de vorderingen van de erven toegewezen. In hoger beroep heeft het Gemeenschappelijk Hof bij vonnis van 9 februari 1982 voeging in het geding van nog een aantal andere erven niet toegestaan; bij vonnis van 6 april 1982 heeft het Hof de oorspronkelijke vorderingen van de erven alsnog afgewezen. Het cassatieberoep tegen de vonnissen van het Hof is bij het genoemde arrest van 10 juni 1983 door de Hoge Raad verworpen.

In het vonnis van 6 april 1982 heeft het Hof de ‘’centrale vraag’’ als volgt geformuleerd: zijn de gezamenlijke afstammelingen van [de erflater] door erfopvolging eigenaar geworden van de door hun gemeenschappelijke voorvader bij scabinale akte van 28 oktober 1852 verworven grond, voor zover die thans in bezit is van Sunresorts? Het Hof heeft die vraag ontkennend beantwoord op grond van zijn oordeel dat [betrokkene 5] de grond in 1924 of eerder te goeder trouw in bezit heeft verkregen, dat dat bezit en het daarbij ‘’opgetelde’’ bezit van zijn rechtsverkrijgers (zijn zeven kinderen) gedurende tenminste 30 jaar voortdurend en onafgebroken, ongestoord, openbaar en niet dubbelzinnig was en dat de kinderen van [betrokkene 5] daarom uiterlijk in 1954 door verjaring eigenaar zijn geworden en nadien dus ook de achtereenvolgende rechtsverkrijgers [betrokkene 6] en Sunresorts.

3) De onderhavige procedure betreft — zoals het Hof in r.o. 5.1 van het vonnis a quo in cassatie onbestreden vaststelt — dezelfde vraag, met dien verstande dat het thans gaat om het gehele bij Sunresorts in bezit zijnde gebied. De procedure is ingeleid met een verzoekschrift, ingediend namens [oorspronkelijke eiseres] (zelf afstammelinge van de dochter [betrokkene 4]) in haar hoedanigheid van cessionaris van een aantal erfgenamen van [de erflater], die — op een in cassatie niet meer van belang zijnde uitzondering na — in de eerste procedure geen partij waren. De vordering is gelijkluidend aan de vordering in de eerdere procedure, te weten — kort gezegd — een verklaring voor recht dat de terreinen in eigendom toebehoren aan de erfgenamen van [de erflater] en veroordeling van Sunresorts tot ontruiming en terbeschikkingstelling van de terreinen aan de gezamenlijke erfgenamen.

Sunresorts heeft zich primair op het gezag van gewijsde van het vonnis van het Hof van 6 april 1982 en op misbruik van procesrecht beroepen. Subsidiair heeft zij inhoudelijk verweer gevoerd tegen de vordering van [oorspronkelijke eiseres].

Het Gerecht in eerste aanleg wees het beroep van Sunresorts op het gewijsde af en achtte geen strijd met een goede procesorde aanwezig. Het wees de vorderingen van [oorspronkelijke eiseres] echter af op grond van zijn oordeel dat, wat er zij van de goede trouw en de aard van het bezit van [betrokkene 5], Sunresorts in ieder geval zelf door verjaring de eigendom had verkregen.

Op het hoger beroep van (inmiddels) de erven [oorspronkelijke eiseres] ([de erfgenamen], thans eisers tot cassatie) en het incidenteel hoger beroep van Sunresorts bevestigde het Gemeenschappelijk Hof bij vonnis van 20 december 1990 het vonnis van het Gerecht, echter op andere gronden.

Het Hof achtte het beroep van Sunresorts op het gewijsde wel gegrond. Het Hof was van oordeel dat de verwerping in het eerste geding van de door Sunresorts opgeworpen exceptio plurium litis consortium tot gevolg had dat het gewijsde niet alleen bindende kracht had jegens de in het eerste geding als partij optredende erfgenamen van [de erflater], maar ook jegens de buiten het geding gebleven andere erfgenamen, ten name van wie de toenmalige erfgenamen geacht moeten worden eveneens te zijn opgetreden op grond van het aan de rechtsfiguur van zaakwaarneming ten grondslag liggende rechtsbeginsel (r.o. 5.6). Voorts was het Hof van oordeel dat uit het feit dat de cedenten wel van het vorige geding op de hoogte waren, maar zich bewust daarbuiten hielden, volgde dat de erven [oorspronkelijke eiseres] door de in het gewijsde gegeven beslissing waren gebonden, althans dat het opnieuw instellen van de in het gewijsde afgewezen revindicatie bovendien strijdig was met de goede procesorde (r.o. 5.7).

Ten overvloede overwoog het Hof nog dat de drie door de erven [oorspronkelijke eiseres] in het principaal appel aangevoerde grieven ongegrond waren. De in het geding gebrachte stuitingsexploiten konden naar het oordeel van het Hof de verkrijgende verjaring niet stuiten. Voorts deelde het Hof het oordeel van de eerste rechter en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen dat Sunresorts zelf in 1977 en in 1987 door verjaring eigenares van de litigieuze terreinen was geworden. Het Hof voegde daar nog aan toe dat ook bij een verdergaande onderzoeksplicht dan de eerste rechter had aangenomen Sunresorts geacht moest worden het bezit te goeder trouw te zijn aangevangen (r.o. 5.8 t/m 5.10).

4) De erven [oorspronkelijke eiseres] hebben (tijdig binnen de cassatietermijn, die op grond van art. 4 Cassatieregeling van de Nederlandse Antillen 3 maanden bedraagt) beroep in cassatie ingesteld tegen het vonnis van het Hof. Sunresorts heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Partijen hebben de zaak mondeling doen bepleiten door hun advocaten; namens de erven [oorspronkelijke eiseres] is de zaak tevens bepleit door Me. Ph. Carreau Gaschereau, advocaat te Aix-en-Provence en zelf één van de erven [oorspronkelijke eiseres].

Bespreking van de cassatiemiddelen

5) De erven [oorspronkelijke eiseres] voeren VIII cassatiemiddelen aan tegen het vonnis van het Hof. De middelen I t/m III keren zich tegen de beslissing van het Hof omtrent het gezag van gewijsde van het eerdere vonnis; de middelen IV t/m VII betreffen de oordelen van het Hof met betrekking tot het materiële geschilpunt. Het achtste middel mist m.i. zelfstandige betekenis.

De middelen I t/m III

6) Middel I komt op tegen de aanvaarding door het Hof van de exceptio plurium litis consortium. Het middel mist feitelijke grondslag. Wel is juist dat het Hof te kennen geeft (in r.o. 5.3) dat beide gedingen een rechtsverhouding tot onderwerp hebben waarover de rechter niet anders kan beslissen dan in één geding, gevoerd tussen alle betrokkenen, omdat het rechtens noodzakelijk is dat de beslissing ten opzichte van alle erfgenamen van [de erflater] in dezelfde zin luidt. Maar een beroep op de exceptio is niet door Sunresorts gedaan en het oordeel van het Hof berust op de overweging dat het gewijsde in het eerste geding bindende kracht had jegens alle erfgenamen op grond van het aan de rechtsfiguur van zaakwaarneming ten grondslag liggende rechtsbeginsel.

7) De middelen II en III bestrijden laatstgenoemd oordeel, echter naar mijn mening tevergeefs. Een medeëigenaar is bevoegd de gemeenschappelijke zaak ten behoeve van de gemeenschap te revindiceren. Aldus voor het oude recht onder meer Pitlo/Brahn, Zakenrecht (achtste druk, 1980), p. 155, Asser-Beekhuis I (1985), nr. 610, Klaassen-Eggens-Luijten, Erfrecht (1989), p. 11. Voor het nieuwe recht is dit in art. 3:171 bepaald.

De consequentie moet zijn dat het vonnis ook de andere deelgenoten bindt, omdat het onaanvaardbaar zou zijn dat, zoals in de onderhavige zaak, de bezitter telkens opnieuw lastig gevallen zou kunnen worden door een andere deelgenoot en omdat in redelijkheid niet kan worden aanvaard dat een uitspraak voor sommige deelgenoten wel, voor anderen niet bindend zou zijn. Kort gezegd: men moet bij de ondeelbare rechtsverhouding of de exceptio plurium accepteren, of aanvaarden dat het vonnis ook de niet procederende belanghebbenden bindt (evenzo gaat het in de door Veegens/Korthals Altes/Groen, Cassatie nr. 45, p. 85, en nr. 46, p. 87 genoemde situatie van het door een der strijdgenoten ingestelde beroep). Deze consequentie wordt dan ook — in het voetspoor van Schoordijk, Mede-eigendom, gemeenschap, rechtspersoonlijkheid (1983), p. 65 — getrokken in Parl. Gesch. Inv. Boek 3, p. 1283 e.v., waar wordt opgemerkt dat de revindicerende deelgenoot optreedt als formele procespartij ten behoeve van de gezamenlijke deelgenoten als materiële procespartij. Zij moet m.i. ook voor het oude recht worden aanvaard, terwijl er geen reden is om voor het Nederlands-Antilliaanse recht anders te oordelen.

Vergelijk ook mijn conclusie (nr. 8) voor HR 8 november 1991, NJ 1992, 34 en de aldaar aangehaalde literatuur en rechtspraak inzake de ontbinding van pachtovereenkomsten tussen medeërfgenamen.

8) Het oordeel van het Hof is dus juist, al zou ik daarvoor liever de hierboven gegeven motivering willen hanteren dan de aan zaakwaarneming ontleende gedachtengang. Opmerking verdient overigens dat 's Hofs oordeel niet alleen berust op laatstbedoelde gedachtengang, maar op nog een andere grond:

‘’Dat de erven [oorspronkelijke eiseres] zijn gebonden door de in het gewijsde gegeven beslissing, althans het opnieuw instellen van de in het gewijsde afgewezen revindicatie bovendien strijdig is met de goede procesorde, volgt uit het volgende.’’

Het gaat hier kennelijk om een zelfstandig dragende grond voor 's Hofs afwijzing van de vordering. Deze overweging wordt alleen bestreden in de laatste alinea van de toelichting op middel I, maar de daar geformuleerde klacht gaat langs 's Hofs beslissing heen en faalt dus. Immers, de klacht voert aan dat van misbruik van procesrecht geen sprake kan zijn, daar in de eerdere procedure fouten zijn gemaakt en feiten verkeerd zijn vastgesteld, terwijl het Hof de strijd met de goede procesorde baseert op het feit dat de huidige eisers wisten van de vorige procedure maar bewust verkozen daarbuiten te blijven.

9) Op de bovenvermelde gronden ben ik van mening dat het cassatieberoep moet worden verworpen. De overige middelen, die 's Hofs beslissing inzake de verkrijgende verjaring betreffen, behoeven derhalve geen behandeling meer. Het spreekt vanzelf dat indien uw Raad over de middelen I-III anders zou oordelen, ik graag bereid ben om in een aanvullende conclusie nader op de overige middelen in te gaan.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,