Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:1991:9

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
04-10-1991
Datum publicatie
23-01-2020
Zaaknummer
14.433
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1991:1
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Huurrecht woonruimte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

SK

Nr. 14.433

Zitting 4 oktober 1991

Mr. Strikwerda

Conclusie inzake:

[eiseres] B.V.

tegen

[verweersters]

Edelhoogachtbaar College,

1. Eiseres tot cassatie (hierna: [eiseres]) heeft bij de dit geding inleidende dagvaardingen de bewoonsters van de flatwoning aan de [a-straat 1] te [woonplaats] (hierna: [verweersters]) voor de rechtbank te Amsterdam aangesproken met een vordering tot onder meer ontruiming van die woning. [eiseres] stelt daartoe dat tussen haar en [verweersters] geen huurovereenkomst bestaat en dat [verweersters] de woning zonder recht of titel bezet houden.

2. Voor zover thans in cassatie van belang hebben [verweersters] ter afwering van de vordering van [eiseres] (primair) aangevoerd dat niet zij een huurovereenkomst met [eiseres] hebben, maar dat als huurster is aan te merken een rechtspersoonlijkheid hebbende vereniging ‘’[A]’’ die ten doel heeft de bewoning van het pand door meisjesstudenten en met als leden door coöptatie de bewoonsters van de flatwoning.

3. Bij haar vonnis van 19 december 1984 heeft de rechtbank dit verweer verworpen op grond van de volgende overweging (r.o. 3 van het vonnis):

‘’Of deze vereniging, waarvan niet is gesteld wanneer zij is opgericht en niet is gebleken dat zij statuten en enigerlei organisatie heeft, als bestaand moet worden aangemerkt kan in dit geding buiten beschouwing blijven, nu in elk geval niet is gebleken dat eiseres met een dergelijke vereniging ooit een huurovereenkomst heeft gesloten dan wel deze als huurster in plaats van een of meer dan wel alle bewoonsters heeft aanvaard.’’

Een ander door [verweersters] aangevoerd, doch in cassatie niet van belang zijnd, verweermiddel achtte de rechtbank wel doeltreffend, zodat zij de eis van [eiseres] afwees.

4. [eiseres] is van dit vonnis met twee grieven in hoger beroep gekomen bij het Gerechtshof te Amsterdam. [verweersters] hebben de grieven van [eiseres] bestreden en van hun kant incidenteel appel ingesteld met één grief, die het volgende inhoudt:

‘’Ten onrechte heeft de rechtbank in het derde onderdeel het primaire verweer van [verweersters] verworpen door niet aan te nemen dat de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging [A] de huurster van het perceel [a-straat 1] te [woonplaats] is en ten onrechte heeft de rechtbank overwogen dat niet is gebleken dat [eiseres] met de vereniging [A] ooit een huurovereenkomst heeft gesloten, dan wel [A] in plaats van één of meer dan wel alle bewoonsters heeft aanvaard.’’

5. Bij zijn arrest van 16 november 1989 heeft het hof de incidentele grief gegrond geoordeeld en, met verbetering van gronden, het beroepen vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Het hof overweegt dat uit de in r.o. 4.1 van zijn arrest opgesomde omstandigheden moet worden afgeleid

‘’niet alleen de geobjectiveerde wil van de bewoonsters (…) om een vereniging tot stand te brengen, waarin zij volgens bepaalde regels – zoals coöptatie en het opschuiven van bewoonsters naar betere, vrijkomende kamers – en voor een bepaald doel – het gemeenschappelijk wonen in de woning – willen samenwerken, doch ook het aanvaarden door [eiseres] van zodanige vereniging.’’

Dit betekent volgens het hof dat

‘’[A] moet worden aangemerkt als een vereniging aan wie de huurrechten met betrekking tot de woning toekomen.’’

6. Tegen het arrest van het hof is [eiseres] (tijdig) in cassatie gekomen met één middel, dat door [verweersters] is bestreden met conclusie tot verwerping van het beroep.

7. Het middel houdt een motiveringsklacht in. Het betoogt dat in de gedachtengang van het hof een noodzakelijke schakel ontbreekt, aangezien niet begrijpelijk is hoe uit de overweging dat de door [verweersters] gestelde vereniging bestaat en door [eiseres] is aanvaard volgt dat de huurrechten aan die vereniging toekomen.

8. Het middel berust m.i. op een verkeerde lezing van het bestreden arrest.

9. De door [verweersters] tegen het vonnis van de rechtbank aangevoerde incidentele grief stelde een tweeledige vraag aan de orde: kan [A] als een vereniging worden aangemerkt en, zo ja, is [A] dan als huurster van de woning te beschouwen. Het debat van partijen in het incidenteel appel betrof dan ook niet alleen de vraag of [A] aan de bestaansvereisten van een vereniging voldoet (een ledensubstraat, een organisatie voor een bepaald doel, het als eenheid deelnemen aan het rechtsverkeer), maar ook de vraag of [eiseres] geacht moet worden [A] als huurster te hebben aanvaard. Zie de mem. van antw. in het princ. appel, tevens mem. van eis in het inc. appel onder 7 en de mem. van antw. in het inc. appel p. 3.

10. In het licht van dit debat is aannemelijk dat de gewraakte overweging van het hof een antwoord bedoelt te geven op beide vragen en zo dient te worden verstaan dat het hof zowel de vraag of [A] als een vereniging kan worden aangemerkt, als de vraag of [eiseres] [A] als huurster heeft aanvaard, in bevestigende zin beantwoordt.

11. Deze lezing van de bedoelde overweging ligt te meer voor de hand, omdat een aantal van de omstandigheden welke het hof in r.o. 4.1 opsomt niet van belang zijn voor de vraag of [A] voldoet aan de bestaansvereisten van een vereniging, doch uitsluitend van belang zijn voor de vraag of [eiseres] geacht kan worden [A] als huurster te hebben aanvaard. Ik doel op de door het hof genoemde omstandigheden betreffende de van [eiseres] afkomstige correspondentie inzake de wijze van huurbetaling, inzake de bijdrage warmwatervoorziening en centrale verwarming en inzake de huurverhoging per 1 juli 1983 (het 4e, 6e en 7e gedachtenstreepje in r.o. 4.1).

12. Aldus gelezen is de gedachtengang van het hof concludent: als [A] is te beschouwen als een vereniging en [eiseres] geacht moet worden [A] als huurster te hebben aanvaard, is de gevolgtrekking die het hof daaraan verbindt, te weten dat de huurrechten aan die vereniging toekomen, geenszins onbegrijpelijk.

13. Aangezien de aangevoerde klacht naar mijn oordeel niet tot cassatie kan leiden en niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, concludeer ik tot verwerping van het beroep met toepassing van de in art. 101a RO bedoelde motivering.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,