Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:1991:8

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
13-12-1991
Datum publicatie
06-05-2020
Zaaknummer
14.473
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1992:ZC0505
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Ter zake casco zeilschip gemaakt eigendomsvoorbehoud teniet na afbouw schip? Zaaksvorming, verkeersopvattingen. Natrekking. Beschikkingsbevoegdheid koper gegeven wanneer de in eigendom voorbehouden zaak tot doorverkoop is bestemd?

Het antwoord op de vraag of en in hoeverre een aan een eigendomsvoorbehoud gebonden partij bevoegd is het voorwerp van dit voorbehoud in eigendom over te dragen aan derden, moet in beginsel worden gevonden door uitlegging van de overeenkomst waarbij het eigendomsvoorbehoud is gemaakt. De enkele omstandigheid dat het voorwerp voor doorlevering was bestemd leidt niet tot zulk een bevoegdheid.

Het casco van een schip, als schip in aanbouw, moet reeds worden aangemerkt als een schip. De identiteit van dit schip verandert niet doordat het wordt afgebouwd en wordt voorzien van voortbewegingswerktuigen en navigatie-apparatuur. Het door het middel daartegenover gedane beroep op de verkeersopvattingen faalt reeds omdat, naar voor de hand ligt, dit op het rechtsverkeer met betrekking tot schepen afgestemde stelsel mede een weerslag vormt van de verkeersopvattingen te dier zake.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

nr. 14.473

zitting 13 december 1991

Mr. Hartkamp

Conclusie inzake

K. Hinck

tegen

De vennootschap onder firma Van der Werff en Visser

Edelhoogachtbaar College,

De inzet van het geding

1) Het gaat in deze zaak om de eigendom van een schip dat in het bezit is van Klaus Hinck , wonende in Duitsland. Het casco van dit schip, een zeiljacht, werd in de periode tussen eind 1986 en medio 1987 gebouwd door de verweerster in cassatie, Van der Werff en Visser te Gorredijk . De opdracht tot de bouw van het casco was gegeven door het Duitse bedrijf Classic Yard Motorsegler- und Yachtbau GmbH te Münster. Laatstgenoemd bedrijf heeft het casco gekocht en van het bedrijf van Van der Werff en Visser verhaald (d.w.z. gesleept) naar de firma Hagebo te Woudsend , waar het is "afgetimmerd", d.w.z. van de nodige op- en aanbouw is voorzien en aldus gemaakt tot een zeiljacht met ingebouwde motor.

Van der Werff en Visser had het casco gebouwd onder de Smecoma-voorwaarden. Terzake van het niet ontvangen van de (volledige) koopprijs ad 76.000 DM heeft zij zich beroepen op haar eigendomsvoorbehoud en afgifte van het inmiddels aan Hinck afgeleverde schip gevorderd.

De rechtbank heeft de vordering afgewezen op grond van de overweging dat de eigendom van het casco door zaaksvorming voor Van der Werff en Visser verloren was gegaan.

Het hof heeft het vonnis vernietigd. Het nam geen zaaksvorming, doch natrekking ten behoeve van Van der Werff en Visser aan, oordeelde Classic Yard Motorsegler- und Yachtbau op grond van het eigendomsvoorbehoud onbevoegd tot levering aan Hinck en verwierp diens beroep op art. 2014 BW.

Hinck komt met een tijdig voorgesteld, uit drie onderdelen bestaand cassatiemiddel tegen 's hofs beslissing op.


Bespreking van het cassatiemiddel

2) Vooropgesteld moet worden dat, naar de rechtbank heeft beslist en in appèl niet is bestreden, het Nederlandse recht van toepassing is, en dat dit, voor wat het zee- en binnenvaartrecht betreft, is het vóór 1 april 1991 geldende recht (art. 9 lid 4 van Hoofdstuk I van de Invoeringswet Boek 8, vierde gedeelte, Stb. 1991, 75).

In r.o. 19 heeft het hof het beroep op art. 2014 verworpen op grond van het feit dat de bruto inhoud van het schip meer dan 20 m3 bedraagt, zodat het overeenkomstig art. 314 K. kan worden teboekgesteld, hetgeen in verband met art. 318b K. meebrengt dat art. 2014 niet van toepassing is. Middel I acht deze beslissing onjuist dan wel onvoldoende gemotiveerd, stellende dat het hof niet heeft beslist dat het in casu om een zeeschip gaat, terwijl de toepasselijkheid van art. 2014 op binnenschepen in de art. 752 en 758 K. anders geregeld is.

Het middel wordt m.i. tevergeefs voorgesteld. Het hof heeft blijkens de vermelding van art. 314 K. aangenomen dat het om een zeeschip ging. Deze beslissing is in het licht van het debat tussen partijen (zie conclusie van repliek, blz. 5, conclusie van dupliek nrs. 25 en 33-35, akte na tussenvonnis blz. 11, memorie van antwoord blz. 6) alleszins begrijpelijk.

3) In r.o. 22 heeft het hof beslist dat Hinck - gegeven de niet-toepasselijkheid van art. 2014 - geen eigenaar van het schip is geworden, omdat als gevolg van het door Van der Werff en visser gemaakte eigendomsvoorbehoud Classic Yard Motorseglerund Yachtbau GmbH beschikkingsonbevoegd was bij de levering aan Hinck . Middel II voert hiertegen aan dat het hof heeft miskend dat het casco, na afbouw, voor doorlevering was bestemd, in welk geval het eigendomsvoorbehoud niet kan worden ingeroepen tegen een derde die het schip verwerft; althans dat een beroep op het eigendomsvoorbehoud in strijd is met recht en billijkheid, aangezien Classic Yard Motorsegler- und Yachtbau GmbH het casco voor haar rekening had laten afbouwen. Het middel voegt daaraan nog de motiveringsklacht toe dat het hof niet is ingegaan op het betoog van Hinck dat het handelsverkeer ervan uitgaat dat de derde in een geval als het onderhavige de eigendom ondanks het voorbehoud verkrijgt.

Een eigendomsvoorbehoud zal over het algemeen tot beschikkingsonbevoegdheid van de verkrijger leiden. Uitzonderingen hierop zijn denkbaar, in het bijzonder indien en voorzover een in de akte opgenomen beding ondanks het eigendomsvoorbehoud beschikkingsbevoegdheid aan de verkrijger verleent, terwijl denkbaar is dat een dergelijke bevoegdheid ook bij ontstentenis van zo'n beding kan worden aangenomen, waarbij mede betekenis kan toekomen aan de aard van de geleverde zaak en aan de gebruiken in de desbetreffende branche. Echter, ook in het laatste geval zal die bevoegdheid m.i. teruggevoerd moeten kunnen worden op de overeenkomst tussen vervreemder en verkrijger, zodat het hier steeds gaat om uitleg van de overeenkomst waarbij het eigendomsvoorbehoud is gemaakt. Op dit punt moet wèl worden onderscheiden tussen enerzijds de - door de overeenkomst beheerste - bevoegdheidskwestie en anderzijds de bescherming die aan de verkrijger kan toekomen op grond van - het in casu niet toepasselijke - art. 2014, die uiteraard van de inhoud van die overeenkomst losstaat (althans in beginsel, nl. tenzij de derde deze kent en zijn vertrouwen op de inhoud daarvan baseert). Men zie hierover o.m. Schoordijk, WPNR 4782 en 4783 (1963), HR 8 juni 1973, NJ 1974, 346 met de noot van Kleijn, Nieuwenhuis, In de ban van hier en nu (1980), blz. 54 e.v., Asser-Beekhuis I, nrs. 297-299, Mezas, Eigendomsvoorbehoud (1985), blz. 94 e.v., 162, Vriesendorp, Het eigendomsvoorbehoud (1985), blz. 82 e.v., 94 e.v., Brahn, Studiepocket Fiduciaire overdracht etc. 1988, blz. 200 e.v. en 1991, blz. 149 e.v.

Opmerking verdient dat voor de beschikkingsbevoegdheid van de schuldenaar die een zaak in fiduciaire eigendom heeft overgedragen m.m. hetzelfde geldt. Zie in dit verband HR 22 juni 1984, NJ 1984, 651 m.o. G. voor een geval van fiduciaire eigendomsoverdracht van een niet-teboekgesteld zeeschip in aanbouw, waarbij het volgens Uw Raad niet uitgesloten is dat de inhoud of strekking van de aan de fiduciaire overdracht ten grondslag liggende overeenkomst meebrengt, dat de debiteur ondanks de overdracht bevoegd blijft teboekstelling van het schip in onbezwaarde staat op zijn eigen naam te verzoeken. Uit het arrest kan worden afgeleid, zoals ook de annotator opmerkt, dat voor overdracht van een niet geboekt zeeschip (hier: in aanbouw), zijnde een roerende zaak (art. 566 BW), het wettelijk stelsel voor overdracht van roerende zaken geldt, behoudens de bescherming van verkrijgers krachtens art. 2014.

4) In deze zaak lijkt mij de hoofdregel van toepassing, zodat het middel faalt. De in het onderhavige geval toepasselijke Smecoma-voorwaarden (art. XX, alleen in het dossier overgelegd door Van der Werff en Visser , prod. 1 bij repliek) bevatten niet alleen een eigendomsvoorbehoud, doch bepalen ook dat "opdrachtgever en/of koper niet bevoegd (is) deze goederen aan derden in onderpand te geven of in eigendom over te dragen, aangezien hij zich, dusdoende aan verduistering zou schuldig maken". Het hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat Hinck niet heeft gesteld dat uit de overeenkomst tussen Van der Werff en Visser en Classic Yard Motorsegler- und Yachtbau GmbH ondanks deze redactie een uitzondering als voormeld zou voortvloeien. De in het middel geciteerde passage uit de conclusie van dupliek kan, naar het hof kennelijk heeft geoordeeld, niet als zodanig gelden. Niet alleen maakt zij deel uit van een betoog over Hincks goede trouw, maar bovendien is zij van algemene strekking en dus geenszins toegespitst op de contractuele verhoudingen die in de onderhavige zaak een rol spelen.

De stelling dat een beroep op het eigendomsvoorbehoud in strijd met het recht of met de redelijkheid en billijkheid is wordt voor het eerst in cassatie voorgedragen. Zij wordt m.i. niet gerechtvaardigd door de ten processe vaststaande feiten.

De schriftelijke toelichting betoogt nog dat dit beroep moet afstuiten op de aan art. 3:17 en 24 NBW ten grondslag liggende gedachte: Van der Werff en Visser had het casco in het scheepsregister kunnen teboekstellen en moet, nu zij dat niet heeft gedaan, het risico daarvan dragen. Nu deze klacht niet in het middel is te vinden, moet daaraan m.i. worden voorbijgegaan.

5) In r.o. 16 en 17 heeft het hof het oordeel van de rechtbank dat het casco niet meer als zelfstandige zaak bestaat maar is opgegaan in het afgebouwde schip dat mede uit dat casco als nieuwe zaak is gevormd, verworpen. Het hof heeft beslist dat het casco reeds als schip dient te worden beschouwd en behalve de bestanddelen ook de op- en/of aanbouw omvat.

Middel III voert hiertegen de volgende klachten aan:

a) het hof heeft eraan voorbijgezien dat voor de vraag of sprake is van een nieuwe zaak, de verkeersopvattingen beslissend zijn (subonderdeel 3);

b) naar verkeersopvattingen is niet bepalend of het casco als zodanig reeds als een schip is te beschouwen, omdat het naar verkeersopvattingen door op- en/of aanbouw respectievelijk het aanbrengen van scheepstoebehoren een ander schip kan worden (subonderdeel 3);

c) onjuist is dat in het algemeen een casco als zodanig reeds naar verkeersopvattingen als een schip is te beschouwen, want hierbij kan onder meer van belang zijn of het reeds is voorzien van motor en navigatie-apparatuur (subonderdeel 4);

d) vóór het aanbrengen van voormelde apparatuur is een casco nog geen schip, althans niet hetzelfde schip als daarna (subonderdeel 6).

6) De klacht onder a) faalt omdat zij een stelling poneert die niet onder alle omstandigheden juist is. Verg. Asser- Beekhuis II, nr. 78: het antwoord op de vraag of van zaaksvorming sprake is zal (niet steeds, doch) in beginsel moeten worden gezocht aan de hand van de verkeersopvattingen. Zie voor een recent voorbeeld HR 5 dec. 1986, NJ 1978, 745 m.o. W.M.K.

Denkbaar is echter dat het zo evident is dat de ene zaak ten opzichte van de andere al dan niet nieuw is, dat men daarvoor niet bij de verkeersopvattingen te rade behoeft te gaan (verg. de woorden "bij twijfel" in het na te noemen arrest van 1936 en in HR 16 maart 1979, NJ 1980, 600 m.o. B.W., alsmede het "veelal" bij Meijers, Algemene Begrippen, 1948, blz. 102). Zie voor een voorbeeld HR 6 jan. 1961, NJ 1962, 19 m.o. L.E.H.R.

Denkbaar is ook dat dit oordeel uit de wet voortvloeit. Verg. voor een bepaald soort bestanddelen, nl. voortbewegingswerktuigen van een schip, art. 309 lid 4 K. In de onderhavige zaak is dit m.i. ook het geval, zie hierna nr. 7. Weliswaar kan een wettelijke regeling mede bepalend zijn voor de inhoud van de verkeersopvattingen (verg. HR 26 maart 1936, NJ 1936, 757 m.o. P.S., sleepboot Egbertha,), maar die redenering hield verband met het feit dat het criterium bij bestanddeelvorming, voor zover geen sprake is van een "aard- of nagelvaste verbinding", nu eenmaal de verkeersopvattingen zijn, zoals door de Hoge Raad werd beslist (art. 309 lid 4 gold nog niet) en thans in art. 3:4 lid 1 NBW wordt bepaald. Voor zaaksvorming bestaat zo'n voorschrift niet. Zie art. 661 BW en art. 5:16 NBW, waarover onlangs HR 5 okt. 1990, RvdW 1990, 167. Kortom, het onderdeel verwijt het hof een criterium niet te hebben toegepast dat volgens de wet niet beslissend is.

7) De overige klachten falen m.i. eveneens, en dit enerzijds omdat zij op de eerste voortbouwen, en anderzijds omdat 's hofs beslissing naar mijn mening geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en geen nadere motivering behoefde.

Immers, blijkens de art. 309, 312, 318 en 318k K. moet een schip in aanbouw reeds als een schip worden beschouwd. Verg. art. 8:1 leden 1 en 6 NBW (het onderhavige casco heeft reeds gedreven) en o.m. HR 25 juni 1976, NJ 1978, 268, HR 24 sept. 1976, NJ 1978, 269 en HR 16 maart 1979, NJ 1980, 600, alle met noot B.W., en HR 22 juni 1984, NJ 1984, 651 m.o. G. Bovendien moet worden aangenomen, aangezien het vatbaar is voor hypotheek, dat het schip in aanbouw tijdens de bouw hetzelfde schip blijft. Verg. Picardt/Korthals Altes, Zee- en binnenvaartrecht voor het notariaat (1986), blz. 2: "eens een schip, altijd een schip", alsmede Engelhardt, De notarisklerk 1979, blz. 182 e.v. Voorts omvat het schip in beginsel het scheepstoebehoren en maken de voortbewegingswerktuigen deel uit van het schip (art. 309 K.).

Deze gegevens, in combinatie beschouwd, geven m.i. aan dat het hof terecht uit het wettelijk stelsel heeft afgeleid dat het afbouwen van het casco, dat tot het toevoegen van bestanddelen aan het schip in aanbouw leidt, dit niet tot een ander schip maakt (evenmin als de afbouw van een gebouw tot het ontstaan van een uit zakenrechtelijk oogpunt beschouwd andere zaak leidt), terwijl hetzelfde geldt voor de inbouw van navigatie-apparatuur en motor. Het verschil in waarde tussen het casco en het afgebouwde jacht kan hierin m.i. geen wijziging brengen.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,