Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:1990:1

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
23-10-1990
Datum publicatie
28-06-2017
Zaaknummer
87641
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1990:ZC8648, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Valsheid in geschrift (art. 225.1 Sr) en oplichting (art. 326.1 Sr). Voortgezette handeling, art. 56.1 Sr? Uit gebezigde b.m. heeft Hof kunnen afleiden dat bewezen verklaarde valsheid in geschrift primair is gepleegd om gemakkelijker financiering van de aankoop van een schip te kunnen verkrijgen. Hof kon overwegen dat bewezen verklaarde feiten reeds door het verschil in tijd waarop de feiten zijn begaan niet in zodanig verband staan dat zij moeten worden beschouwd als één voortgezette handeling in de zin van art. 56 Sr, aangezien Hof er kennelijk van is uitgegaan dat bewezen verklaarde valsheid in geschrift en op het verkrijgen van te veel W.I.R.-premie gerichte oplichting van de Staat geen uiting zijn van één ongeoorloofd wilsbesluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 87.641

Mr. Remmelink

Zitting 23 oktober 1990

Conclusie inzake:

[verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

In deze zaak waarin het Hof requirant in appel heeft veroordeeld terzake van (1) medeplegen van valsheid in geschrift (contract sluiten inzake bouw van een schip, waarin een bouwsom van f 6.260.000,- werd vermeld, terwijl zulks in werkelijkheid ƒ 4.850.000,- zou moeten zijn); (2) oplichting (net behulp van dit valse contract werd de overheid bewogen een te hoge WIR- premie uit te keren) tot geldboete van f 7500,-, subsidiair 70 dagen hechtenis, tegen welk arrest hij zich van beroep in cassatie heeft voorzien, is namens hem één middel van cassatie voorgesteld.

Aangevoerd wordt dat het Hof ten onrechte en op onjuiste gronden heeft verworpen het namens requirant gevoerde verweer, dat beide feiten als eén voortgezette handeling in de zin van art. 56 Sr zouden moeten worden beschouwd: Het Hof heeft deze stelling nl. slechts afgewezen met een beroep op het tijdsverschil tussen beide feiten, maar dit is volgens het in middel onder a gestelde onvoldoende.

Het komt mij echter voor, dat in casu inderdaad reeds het tijdsverschil voldoende kon worden geacht, zulks tegen de achtergrond van de totaal verschillende en op onderscheidene plaatsen plaatsgevonden hebbende materiele gedragingen. Wat nu het tijdsverschil betreft zal het Hof nl. anders dan de geeerde steller van het middel, gelet hebben op de tijden, zoals deze uit de bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid. Welnu dat zijn: resp.

26 januari 1984 en 6 september 1984 (en later). Zie voor laatstgemelde tijd de voor het bewijs gebezigde tegenover de politie afgelegde verklaring van de inspecteur der belastingen [...].

Ik meen, dat aldus - door aan te nemen, dat het Hof op de concrete tijden voor ogen doelde - ook het onder b betoogde is weerlegd.

Het middel niet aannemelijk achtend concludeer ik tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,