Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:1989:AC1679

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
23-06-1989
Datum publicatie
12-05-2020
Zaaknummer
13 698
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1989:AC1679
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige overheidsdaad. Plaatsing van kruisvluchtwapens. Toetsing van verdrag aan andere verdragen en andere volkenrechtelijke normen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 1991, 248 met annotatie van P.H. Kooymans
RvdW 1989, 254
V-N 1991/3507, 23
Verrijkte uitspraak

Conclusie

RM

Nr. 13.698

Zitting 23 juni 1989

Mr. Mok

Conclusie inzake

STICHTING VERBIEDT DE KRUISRAKETTEN en 13.806 anderen

tegen

DE STAAT

Edelhoogachtbaar college,

1. Voorgeschiedenis.

1.1. Op 12 december 1979 kwam het zgn. NAVO-dubbelbesluit1 tot stand. De minister van Buitenlandse Zaken en van Defensie van de verdragsstaten die deelnemen in de geïntegreerde militaire structuur van het bondgenootschap besloten toen, als reactie op de opstelling van SS-20 raketten door de Sovjet-Unie, de NAVO-kernwapens voor de middellange afstand te moderniseren. Dit zou geschieden door plaatsing van Amerikaanse wapensystemen, t.w. 108 Pershing II-raketten en 464 kruisvluchtwapens, in West-Europa.

Tegelijkertijd besloten de ministers de Sovjet-Unie een aanbod te doen om te onderhandelen over wederzijdse beperkingen van de wapensystemen voor de middellange afstand2.

1.2. Ter uitvoering van dit besluit nam de Nederlandse regering op 1 juni 1984 de beslissing dat onder bepaalde voorwaarden 48 kruisvluchtwapens op Nederlands grondgebied geplaatst zouden worden3. De voorwaarden hadden betrekking op het al dan niet tot stand komen van een wapenbeheersingsovereenkomst met de Sovjet-Unie en op het aantal door de Sovjet-Unie per 1 november 1985 geplaatste SS-20's. Over dat besluit vond op 13 juni 1984 een discussie in de Tweede Kamer plaats.

Op 1 november 1985 besloot de Nederlandse regering inderdaad tot plaatsing over te gaan. Daartoe werd een overeenkomst met de Verenigde Staten gesloten, vastgelegd in een briefwisseling van 4 november 19854.

Op 2 december 1985 werd het in noot 2 al genoemde wetsvoorstel tot goedkeuring van dat verdrag bij de Tweede Kamer ingediend. Na uitvoerige discussies in de Staten-Generaal werd het voorstel aanvaard5.

1.3. Op 8 december 1987 is te Washington tussen de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie het Verdrag inzake de verwijdering van hun middellange-en kortere-afstandsraketten (‘’INF-verdrag’’)6 gesloten. Als gevolg daarvan zullen geen kruisvluchtwapens in Nederland worden geplaatst.

2. Verloop procedure.

2.1. Op 21 november 1984 hebben eisers van cassatie (hierna ook aan te duiden als SVK c.s) de Staat gedagvaard voor de rechtbank in Den Haag7. Kort samengevat luidden de eisen dat de rechtbank voor recht zou verklaren dat de plaatsing van kruisraketten8 in Nederland jegens eisers onrechtmatig was en de Staat zou verbieden zulke wapens in Nederland te plaatsen. De vorderingen, zoals in appel geformuleerd (de nrs. I-VI daarvan zijn bijna gelijkluidend aan de oorspronkelijke eisen), zijn in het bestreden arrest opgenomen.

De rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard van de vorderingen kennis te nemen.

2.2. Op door SVK c.s. ingesteld hoger beroep heeft het gerechtshof in Den Haag het vonnis van de rechtbank vernietigd en de vorderingen afgewezen.

2.3. SVK c.s. hebben tegen het arrest van het hof tijdig beroep in cassatie ingesteld onder aanvoering van een zestal middelen.

Aangezien, t.g.v. de totstandkoming van het INF-verdrag, inmiddels vaststaat dat geen kruisraketten in Nederland zullen worden geplaatst, is het procesbelang van eisers alleen nog gelegen in de proceskosten. De rechtbank en het hof hebben alleen SVK en niet de andere eisers in de kosten veroordeeld. De tijdens de pleidooien voor de Hoge Raad aangesneden vraag of die andere eisers nog wel een belang hebben, lijkt mij een randprobleem; ik zal dat laten rusten.

3. Uitgangspunten in cassatie.

3.1. Uit het arrest van het hof zijn de volgende, in cassatie niet bestreden uitgangspunten af te leiden:

— ondanks de totstandkoming van het INF-akkoord houden SVK c.s. belang bij de zaak;

— de belangen die SVK c.s. door het instellen van hun vorderingen geldend hebben wensen te maken, zijn belangen die rechtens door art. 1401 BW worden beschermd;

— in het geding staat vast dat op Nederlands grondgebied geen kruisraketten zouden worden geplaatst, anders dan in het kader van het al genoemde plaatsingsverdrag, gesloten tussen Nederland en de Verenigde Staten;

— er bestond geen gegronde vrees voor gebruik van de in Nederland te plaatsen kruisraketten anders dan krachtens en conform het plaatsingsverdrag;

— de kruisraketten zouden worden uitgerust met kernkoppen; zij zouden worden toegewezen aan de NAVO teneinde uitsluitend het gemeenschappelijke bondgenootschappelijke doel te dienen van afschrikking van en verdediging tegen een gewapende aanval op één of meer partijen bij het bondgenootschap;

— de in Nederland te plaatsen kruisraketten zouden onder de hoede en het toezicht van de Amerikaanse strijdkrachten blijven; de Nederlandse regering zou faciliteiten ter beschikking stellen, zoals grond, aansluitingen op openbare nutsbedrijven en toegangswegen.

3.2. Uit de cassatiemiddelen (m.n middel I) is af te leiden dat eisers het standpunt van het hof (r.o. 11), inhoudende dat art. 94 Gw. niet inhoudt dat de rechter verdragen zou moeten toetsen aan een ieder verbindende bepalingen in andere verdragen (of aan besluiten van volkenrechtelijke organisaties), onderschrijven.

Anders dan het hof menen eisers echter dat de artt. 94 en 120 Gw. rechterlijke controle van de verenigbaarheid van verdragen met bepalingen van andere verdragen ook niet uitsluiten.

De vraag of zulke controle, toegespitst op het plaatsingsverdrag, toelaatbaar en geboden is, vormt de inzet van de onderhavige procedure.

4. Collisie?

4.1. Rechterlijke controle als hierboven omschreven komt eerst aan de orde als er sprake is van onverenigbaarheid, van ‘’collisie’’. Ervan uitgaande dat omstreden is of de rechter zulke controle mag uitoefenen, kan hij in twee verschillende richtingen werken.

Ten eerste kan hij nagaan of er sprake is van collisie. Bij ontkennende beantwoording van die vraag, kan de vraag of de rechter bij aanwezigheid van collisie een taak heeft, onbeantwoord blijven. Die weg heeft de Hoge Raad gevolgd in de beschikking van 4 maart 1988, RvdW 1988, 52.

Ten tweede kan hij nagaan of er voor hem, in het algemeen of althans in het betrokken geval, een taak ligt. Bij ontkennende beantwoording van die vraag, behoeft de vraag of sprake is van collisie geen behandeling meer.

Hieronder zal ik allereerst onderzoeken of vaststaat dat sprake is van collisie.

4.2. In de inleidende dagvaarding (10.2) zijn de relevante normen (waarmee het plaatsingsverdrag in strijd zou zijn) als volgt omschreven:

‘’— het is verboden inbreuk te maken op het recht op leven;

— het is verboden het recht op leven nodeloos in gevaar te brengen;

— het is verboden mensen bloot te stellen aan een vernederende of anderszins inhumane behandeling;

— het is verboden het recht op overleven in gevaar te brengen.’’

In diezelfde dagvaarding (hfdst. 8 en nrs. 10.3–10.6) en in latere processtukken is een groot aantal verdragen genoemd, waarin deze normen zijn vastgelegd9. De belangrijkste daarvan lijken mij te zijn:

— het Rode Kruisprotocol I van 1977, Trb. 1980, 87;

— het humanitair oorlogsrecht als i.h.b. belichaamd in de Geneefse Conventies van 1949, Trb. 1951, 75;

— het Genocideverdrag, Trb. 1960, 32, 1966, 179;

— het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM);

— het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (Bupo-verdrag);

— het Non-proliferatieverdrag, Trb. 1968, 126.

4.3. Op twee wijzen zou volgens eisers door de plaatsing van kruisraketten met kernkoppen inbreuk op de genoemde normen kunnen worden gemaakt. Ten eerste door ongelukken en ten tweede door opzettelijk gebruik.

Dat door onopzettelijke oorzaken (ongelukken) levensbedreigende situaties zouden kunnen ontstaan, is niet feitelijk vastgesteld, maar het is wel plausibel. Evenwel lijkt mij niet vol te houden dat de plaatsing van installaties op zichzelf onrechtmatig zou kunnen zijn wegens de bedreiging voor het menselijk leven bij ongelukken, aangenomen dat die bedreiging feitelijk vast zou staan. Vele, zowel militaire als niet-militaire, installaties kunnen in die zin immers gevaar opleveren. De naam Tsjernobyl is in dit verband sprekend, maar men kan er reeksen andere industriële en mijnbouwkundige inrichtingen, alsmede vrijwel alle moderne transportmiddelen, aan toevoegen.

Wat het opzettelijke gebruik betreft, staat het defensieve doel van de plaatsing van kruisraketten in cassatie vast; vgl. hierboven, nr. 3.1, voorlaatste streepje. Overigens wijs ik in dit verband op de considerans en op de tekst, i.h.b. van de artt. 1 en 2, van het Noord-Atlantisch Verdrag10, op het NAVO-dubbelbesluit (zie noot 1) en op het plaatsingsverdrag11.

Eisers hebben aangevoerd12 dat het als defensie bestempelen van het gebruik van kernwapens niets verandert aan de gevolgen van het gebruik van kernwapens. Die stelling doet naar het mij voorkomt geen recht aan de uitgesproken bedoeling door de opstelling van kernwapens, waaronder de litigieuze — van kernkoppen voorziene — kruisraketten, oorlog te voorkomen overeenkomstig het oude dogma ‘’si vis pacem para bellum’’13.

Het staat ieder vrij t.o.v. die bedoeling, of de verwezenlijking daarvan, wantrouwen te koesteren en te vrezen dat wapens worden opgesteld met het doel ze te gebruiken, of althans dat de opstelling feitelijk gebruik ten gevolge zal hebben. Zulk wantrouwen berust echter op een beoordeling van politieke aard, waarmee de rechter zich niet kan en mag bezighouden.

Dat de NAVO zich het recht voorbehoudt als eerste kernwapens te gebruiken14, doet aan het bovenstaande niet af. Daaruit volgt immers geen offensief doel, doch slechts dat de kernwapens die in NAVO-verband voorhanden zijn óók dienen als afschrikkend middel tegen een aanval met ‘’conventionele wapens’’. Of het gebruik van conventionele wapens humaner is dan dat van kernwapens, is een kwestie van appreciatie. Hetgeen algemeen bekend is over de ervaringen in de Eerste en Tweede Wereldoorlog en in de conflicten daartussen en daarna lijkt aan de veronderstelling dat conventionele wapens humaner zouden zijn, overigens weinig steun te geven.

De beoordeling of de door de NAVO gehuldigde afschrikkingsstrategie een effectief en redelijk middel is om de vrede te bewaren, is van politieke aard en is daarom niet aan de rechter. Voor het geval men zou menen dat de rechter hier wel marginaal zou mogen toetsen (hetgeen ik overigens betwijfel) voeg ik hieraan toe geen basis te zien voor de stelling dat men hier in redelijkheid niet tot een positieve beoordeling zou kunnen komen. Voor een dergelijke beoordeling bestaan nl. wel argumenten. Het misschien belangrijkste daarvan is de op de plaatsing (en voorbereiding van verdere plaatsing, zoals in Nederland) gevolgde totstandkoming van het INF-akkoord. Een ander argument is dat althans Europa sedert 1945 een periode van vrede heeft gekend die langer is en waarin de vrede vollediger was dan tussen 1871 en 1914.

Ter voorkoming van misverstand en buiten de orde voeg ik aan het bovenstaande nog toe dat ik inzake de aanwezigheid van kernwapens en de uitbreiding daarvan eerder tot het standpunt van eisers dan tot dat van de Staat geneigd ben, maar op de persoonlijke opvatting van een rechter, en dus ook van een ambtenaar van het openbaar ministerie in zijn hoedanigheid van amicus curiae, komt het in deze niet aan.

4.4. In de procedure tot goedkeuring van het plaatsingsverdrag is de hier bedoelde problematiek niet uit het oog verloren. Ik wijs m.n. op het advies van de Raad van State15, op de memorie van toelichting16, op het verslag van een door de Tweede Kamer gehouden openbare hoorzitting17 en op de memorie van antwoord aan de Tweede Kamer18. Uit het advies van de Raad van State (p. 6/7) en de m.v.t. (p. 6/7) blijkt tevens waarom het plaatsingsverdrag, gezien zijn inhoudelijke vormgeving, niet in strijd was met het Non-proliferatieverdrag.

4.5. Uit het bovenstaande volgt dat er niet van mag worden uitgegaan dat de plaatsing van kruisraketten in strijd met de ingeroepen normen, en derhalve met de verdragen waarin die normen, volgens SVK c.s., belichaamd zijn, zou zijn geweest.

Dat betekent dat geen conflict tussen het plaatsingsverdrag en andere verdragen kan worden vastgesteld. Daarop stuiten alle middelen af.

5. Toetsing van verdragen; voorrang

5.1. Toetsing van een wettelijke regeling aan een andere wettelijke regeling veronderstelt een hiërarchische verhouding: een ministeriële regeling kan getoetst worden aan een a.m.v.b., een a.m.v.b. aan een wet in formele zin, een wet in formele zin aan een (een ieder verbindende) verdragsbepaling.

Hier gaat het om toetsing van een verdrag aan andere verdragen. Soms bestaat inderdaad tussen verschillende verdragen een hiërarchische verhouding. Er zijn verdragsbepalingen die van hogere orde zijn dan andere verdragsbepalingen. Dat geldt bijv. voor art. 103 VN-verdrag en voor ‘’ius cogens’’ in het algemeen en ook voor (althans sommige) bepalingen van Europees Gemeenschapsrecht19.

In het algemeen echter bestaat tussen verschillende verdragen geen hiërarchische rangorde. Aldus, bijzonder krachtig, Seidl-Hohenveldern20:

‘’Das Volkerrecht kennt abgesehen vom jus cogens (…) keine Rangunterschiede zwischen einzelnen Verträgen. Es kann also keine höherrangigen Verträge geben, vor denen minderrangige Verträge zurücktreten müssten. Der SVN21 oder der Europäischen Menschenrechtskonvention kommt also kein höherer Rang zu als dem banalsten Verwaltungsubereinkommen, das Detailregelungen für Grenzbahnhöfe trifft.’’

Andere auteurs komen, in verschillende bewoordingen, tot hetzelfde resultaat22.

5.2. De bedoeling van het amendement-Serrarens dat, bij de Grondwetsherziening van 1953, de voorloper van het huidige art. 94 Gw. tot stand bracht, was ‘’het primaat van internationale overeenkomsten boven wettelijke voorschriften vast te leggen’’, aldus de heer Serrarens bij de toelichting op zijn amendement tijdens de openbare behandeling van het ontwerp-Grondwetswijziging in eerste lezing door de Tweede Kamer23.

Tijdens het vervolg van de discussie is door het kamerlid Oud opgeworpen dat het amendement ook de toetsing van verdragen aan andere verdragen mogelijk maakte24. Dit kamerlid was daar overigens geen voorstander van, maar ontleende aan zijn opvatting een grond om het amendement te bestrijden en hij vond toen de minister van Binnenlandse Zaken Beel aan zijn kant25.

Het kamerlid Romme daarentegen was van mening dat onder ‘’wettelijke voorschriften’’ in de zin van het amendement (welke woorden ook thans nog in art. 94 Gw. voorkomen) geen verdragsbepalingen verstaan moesten worden. Bij de openbare behandeling van het ontwerp in de Eerste Kamer sloot minister Beel zich hierbij, onder herroeping van zijn eerdere opvatting, aan26. Gezien de strekking van het amendement, zoals door de voorsteller in de Tweede Kamer uiteengezet (zie hierboven), lijkt dat juist27. Bovendien spoort deze zienswijze met de uiteengezette volkenrechtelijke opvatting dat er in het algemeen geen hiërarchische rangorde tussen verschillende verdragen bestaat.

5.3. Tenslotte verdient in dit verband nog vermelding dat het arrest-Nyugat van de Hoge Raad28 past in de hierboven uiteengezette zienswijze. De HR heeft daarin overwogen:

a. met het toenmalige art. 66 Gw. (nu art. 94 Gw.) is bedoeld de strijd te beslechten over de vraag in hoeverre de Nederlandse rechter het Nederlands29 recht op strijd met het internationale recht mag toetsen;

b. de grondwetgever heeft deze toetsing uitdrukkelijk willen beperken tot de gevallen van de in dat artikel vermelde zelfwerkende bepalingen van overeenkomsten.

Het sub b. overwogene zou men kunnen uitleggen als: de bepaling van art. 66/94 Gw. mag niet extensief worden uitgelegd.

5.4. Van toetsing (van een regel van lagere rangorde aan één van hogere rangorde) moet de bepaling van voorrang (tussen twee regels van gelijke rangorde) worden onderscheiden.

Bepaling van voorrang kan noodzakelijk zijn wanneer een bepaalde rechtsverhouding of rechtstoestand wordt beheerst door twee tegenstrijdige rechtsregels (van gelijke rangorde). Anders dan bij toetsing is dan geen sprake van onverbindendverklaring of buiten toepassingverklaring van een rechtsregel. Er wordt alleen gekozen welke van de twee tegenstrijdige rechtsregels de betrokken rechtsverhouding of rechtstoestand beheerst.

Met het op deze wijze onderscheiden tussen voorrangbepaling en toetsing, wijk ik enigszins af van wat ik eerder heb betoogd in de c.o.m. bij de al genoemde beschikking HR 4 maart 1988, RvdW 1988, 5230. Aldaar beschouwde ik voorrangbepaling nog als een species van het genus toetsing. Bij nader inzien lijkt het zuiverder beide verschijnselen naast elkaar te stellen.

Wel onderschrijf ik nog de t.a.p. gegeven omschrijving van het verlenen van voorrang:

‘’Indien in een aanhangig geding (rechtstreeks werkende) bepalingen van verschillende verdragen (in beginsel) van toepassing zijn en daartussen een conflict bestaat, zal de rechter moeten beslissen welk verdrag voorrang heeft. Daarvoor bestaan bepaalde regels, die zijn gecodificeerd in het verdrag van Wenen inzake het Verdragenrecht31 met name in de artt. 30 en 53 daarvan.’’

Aanvullend merk ik nog op dat volgens het vierde lid van art. 30 van het verdrag inzake het verdragenrecht, voor het geval de partijen bij een eerder verdrag niet alle partij zijn bij een later verdrag, in de betrekkingen tussen die partijen het lex posterior-beginsel geldt32.

5.5. Ook als men aanneemt dat de artt. 94 en 120 Gw. op zichzelf toetsing van het ene verdrag aan het andere niet verbieden, de Grondwet geeft evenmin een basis aan een dergelijke toetsing. Volkenrechtelijk gezien moet men aannemen dat er (afgezien van gevallen waarin zulks uitdrukkelijk is bepaald en van ius cogens) geen rangorde tussen verdragen bestaat, zodat er ook van toetsing geen sprake kan zijn.

Nog afgezien van de sub 4.4 bereikte slotsom loopt middel I hierop vast.

6. Ius cogens.

6.1. Een verdrag dat in strijd is met een dwingende norm van algemeen volkenrecht (a peremptory norm of general international law), ofte wel met ‘’ius cogens’’, is nietig. Aldus is gecodificeerd in de art. 53 en 61 Weens Verdragenrecht-verdrag.

In de Nederlandse tekst van het genoemde artikel 53 wordt het begrip ius cogens als volgt omschreven:

‘’een norm die aanvaard en erkend is door de internationale gemeenschap van Staten in haar geheel als norm, waarvan geen afwijking is toegestaan en die slechts kan worden gewijzigd door een latere norm van algemeen volkenrecht van dezelfde strekking.’’33

In de literatuur wordt veelal aangenomen dat een volkenrechtelijke regel niet licht tot ius cogens mag worden bestempeld34.

6.2. Terecht m.i. heeft het hof in r.o. 13 overwogen dat niet kan worden aangenomen dat plaatsing van kernwapens in strijd is met ius cogens. Uit het enkele feit dat de vijf permanente leden van de Veiligheidsraad zulke wapens bezitten kan immers worden afgeleid dat de onrechtmatigheid van zulk bezit niet door de internationale volkerengemeenschap als geheel wordt aanvaard. Het hof spreekt ook nog over het gebruik van zulke wapens, maar dat kan hier buiten beschouwing blijven.

6.3. Hieruit volgt dat middel III, dat zich tegen r.o. 13 keert, faalt.

6.4. Het falen van middel III brengt mee dat eisers bij middel II geen belang hebben. Dat middel bestrijdt de r.o. 11 en 12. Aangezien het arrest van het hof op de in r.o. 13 ten overvloede gegeven overweging kan steunen, zou het slagen van middel II toch niet tot vernietiging leiden.

Overigens slaagt middel II niet. In het midden latend of het hof zich in de r.o. 11 en 12 terecht op de Grondwet beroept, is zijn beslissing in elk geval juist.

Nederland had zich niet, wegens strijd met ius cogens, eenzijdig aan het plaatsingsverdrag kunnen onttrekken. Die reden zou er ten hoogste toe kunnen leiden de procedure van de artt. 65 e.v. van het Weens verdrag inzake het verdragenrecht in werking te stellen35.

Ik sluit niet uit dat de Nederlandse rechter, die een verdrag in strijd acht met ius cogens, zou kunnen verstaan dat de regering die procedure in werking zou dienen te stellen. Dit is in de onderhavige zaak echter niet gevorderd.

7. Middelen IV-VI

7.1. Middel IV heeft naar mijn inzicht geen zelfstandige betekenis. Het voegt niets toe aan de voorafgaande middelen en deelt het lot daarvan.

7.2. Middel V heeft als uitgangspunt dat het plaatsingsverdrag in strijd met toepasselijke regels van volkenrecht zou zijn.

Hierboven is al betoogd dat een dergelijke collisie ten eerste niet aanwezig is en ten tweede niet door de rechter vastgesteld zou kunnen worden. Gezien het onder 6.4 betoogde geldt dit hier ook voor eventuele strijd (volgens het hof, m.i. terecht, overigens niet aanwezig) met ius cogens.

7.3. Middel VI bestrijdt r.o. 19. Of het aldaar door het hof overwogene al dan niet in overeenstemming met de rechtspraak van de Hoge Raad36 is (eisers hebben betoogd dat de overweging van het hof niet op de rechtspraak van de HR kan steunen37) kan m.i. buiten beschouwing blijven.

Het hof heeft allereerst vastgesteld dat medewerking van de Staat aan de plaatsing van kruisraketten niet als een onrechtmatige daad kan worden aangemerkt, hetgeen in middel VI niet bestreden wordt. In dit uitgangspunt lijkt mij de door het hof gemaakte gevolgtrekking dat daarmee ook de stelling van eisers, dat van hen niet mag worden verlangd aan zulk onrechtmatig handelen van de Staat mede te werken, valt, begrijpelijk en logisch, of zelfs dwingend.

Van de vraag of voor ieder van appellanten een grond zou bestaan op een toekomstig tijdstip zulke medewerking te verlenen, heeft het hof beslist dat deze destijds (‘’thans’’) niet in algemene zin kon worden beantwoord. Die beslissing is van feitelijke aard en voldoende en begrijpelijk gemotiveerd, zodat zij in cassatie onaantastbaar is. Overigens bestrijdt het middel, als ik het goed zie, die beslissing ook niet.

Eén en ander brengt mee dat ook middel VI vruchteloos is voorgesteld.

8. Conclusie

Mijn conclusie strekt tot verwerping van het beroep met veroordeling van SVK in de cassatiekosten.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

1 Kamerst. 15 887, nr. 7, p. 2 e.v.

2 Vgl. o.m. kamerst. 19 290 (goedkeuring plaatsingsverdrag kruisvluchtwapens), nr. 4, p. 1.

3 Brief van de minister-president en andere ministers aan de Tweede Kamer, kamerst. 18 169, nr. 38.

4 Trb. 1985, 145.

5 Wet van 7 april 1988, Stb. 122.

6 Genoemd in art. 1 van het Inspectie-verdrag, Trb. 1988, nr. 2 gesloten en vervolgens geratificeerd. Vgl. ook de notawisselingen tussen de regeringen van Nederland en de Sovjet-Unie in (Trb. 1988, nr. 3) alsmede van Nederland en de Verenigde Staten (Trb. 1988, 4).

7 De dagvaarding is, met bijlagen, in boekvorm uitgegeven: De Dagvaarding, het proces tegen de Staat inzake de plaatsing van kruisraketten, Ars Aequi Libri, 1985.

8 Deze gangbaar geworden uitdrukking zal ik voortaan gebruiken in plaats van het in officiële stukken doorgaans gebezigde woord kruisvlucht-wapens.

9 Vgl. ook bijlage 3 bij de uitgave De Dagvaarding.

10 Ed. S. & J. 171, 1978, p. 520 e.v.

11 Zie noot 4; brief minister v.d. Broek, sub (3).

12 Zie bijv. pleitnota mr. Ingelse in cassatie sub 1.4.

13 Als gij vrede wilt, bereidt u dan op het voeren van oorlog voor.

14 Als noot 12.

15 Kamerst. 19 290, B, p. 6 e.v.

16 Kamerst. 19 290, nr. 4, p. 4 e.v.

17 Kamerst. nr. 5. In die hoorzitting zijn prof. dr. P.H. Kooymans, prof. dr. P.J. Kuyper, dr. S.I.P. van Campen en prof. mr. C. Flinterman gehoord.

18 Kamerst. nr. 8, p. 26 e.v.

19 Vgl. A.W. Heringa in NJB 1988, p. 1187 e.v.

20 I. Seidi-Hohenveldern, Völkerrecht, 1987, nr. 439, p. 440.

21 Handvest van de Verenigde Naties.

22 Vooral: H. Lauterpacht in British Year Book of International Law, 1936, p. 54 e.v.
Voorts: J.P.A. François, Grondlijnen van het volkenrecht, 1957, p. 346; H.G. Schermers, Internationaal publiekrecht voor de rechtspraktijk, 1985, § 343, p. 118, i.h.b. § 346/347, p. 119/120; H. Kelsen, Principles of International Law, 1952, p. 361 e.v.; Oppenheim-Lauterpacht, International Law – a Treatise, 1974, § 503, p. 894/895; I. Brownlie, Principles of Public International Law, 1979, p. 630/631, met verwijzing naar een rapport van de International Law Commission, Ch. Rousseau, Droit International public, 1987, p. 54-56.

23 Handelingen Tweede Kamer 19 maart 1952, p. 1957 r.k. en p. 1958 l.k.

24 Als vorige noot, p. 1958 l.k.

25 Ibidem, p. 1959 r.k.

26 Handelingen Eerste Kamer 20 mei 1953, p. 480 r.k. Zie ook: F.J.F.M. Duynstee, Grondwetsherziening 1953, 1954, art. 65/66, nr. 40, p. 55.

27 Zie ook: P.J. Oud, Het constitutioneel recht van het Koninkrijk der Nederlanden, dl. II, supplement, p. 68 e.v.

28 HR 6 maart 1959 (beroep in revisie), NJ 1962, 2, m.nt. D.J. Veegens.

29 Cursivering toegevoegd – M.

30 C.o.m. nog niet gepubliceerd.

31 Verdrag van 23 mei 1969, Nederlandse tekst: Trb. 1977, 169.

32 Vgl. S. Rosenne, The Law of Treaties, 1970, p. 213-219; I. Sinclair, The Vienna Convention on the Law of Treaties, 1984, p. 94 e.v., p. 184; P. Reuter, Introduction au droit des traités, 1972, p. 112 e.v.

33 Rosenne, t.a.p., p. 290 e.v., Sinclair, t.a.p., p. 218 e.v.; Reuter, t.a.p., p. 118 e.v.

34 Zie bijv. Brownlie, t.a.p. (noot 22), p. 512 e.v.; Schermers, t.a.p. (noot 22), § 293 op p. 101 en § 352 op p. 123; A. Verdross in: American Journal of International Law, 1966, p. 55 e.v. en Th. Meron, ibidem, 1986, p. 1.e.v.

35 Vgl. Sinclair, t.a.p., p. 226 e.v.

36 HR 4 mei 1981, NJ 1981, 464, 29 november 1983, NJ 1984, 599, m.nt. G.E. Mulder, 18 juni 1985, NJ 1986, 58, m.nt. A.C. ’t Hart en 23 december 1986, NJ 1987, 508, m.nt. A.C. ’t Hart.

37 Schriftelijke toelichting in cassatie van mr. Duk, nrs. 2-7.