Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:1989:2

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
14-11-1989
Datum publicatie
23-05-2019
Zaaknummer
2480
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1989:ZC8272
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Aan de Hoge Raad
der Nederlanden
strafkamer

CW 1746/dHJ

Mr. J. Remmelink

Parket, 4 september 1989

Voordracht en vordering tot cassatie in het belang der wet

Edelhoogachtbaar college,

In het belang der wet heb ik de eer mij te voorzien tegen de beslissing van 17 oktober 1988, parketnr. 6732/83, gepubliceerd in NJ 1989, 525, gegeven door mr. T Fransen, vice-president van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam en door de president daarvan aangewezen om een beslissing te geven op het verzoekschrift van

[verzoeker]

Strekkende ertoe, dat aan verzoeker een vergoeding zal worden toegekend als bedoeld in artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering.
Het inleidend verzoekschrift en een afschrift van de beslissing leg ik over.
Tegen de beslissing staat ingevolge artikel 445 Sv geen gewoon rechtsmiddel open.

1. De bestreden beslissing houdt voor zover hier van belang het volgende in.
“PROCEDURE

Wij hebben naast het verzoekschrift gezien het dossier van de onder bovengenoemd parketnummer ingeschreven strafzaak van de officier van justitie in dit arrondissement tegen verzoeker, waaruit blijkt:
- dat verzoeker is gedagvaard om voor de rechtbank te verschijnen terzake dat, zakelijk weergegeven:
1. N.V. [A] bank op meerdere tijdstippen in de jaren 1977-1982 valsheid in geschrift heeft gepleegd (in algemene kredietovereenkomsten en standaardbankverklaringen), zoals nader aangegeven onder a – q,
en dat hij daartoe opdracht of daaraan feitelijke leiding heeft gegeven;

2. dezelfde bank op meerdere tijdstippen in dezelfde jaren valsheid in geschrift heeft gepleegd (in handtekeningkaarten, kasstortings- en dispositobewijzen, verzendadviezen e.d), zoals nader aangegeven onder a – f,
en dat hij daartoe opdracht of daaraan feitelijke leiding heeft gegeven;
- dat verzoeker door de rechtbank bij vonnis van 16 juli 1987 tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en een geldboete is veroordeeld terzake van een deel van het onder 11 tenlastegelegde en voor het overige is vrijgesproken;
- dat het vonnis op 30 september 1987 onherroepelijk is geworden.”

“INHOUD VAN HET VERZOEK

Het verzoekschrift strekt ertoe, dat aan verzoeker terzake het onder 2 tenlastegelegde uit ’s Rijks kas een vergoeding zal worden toegekend van f 171.000, zijnde de helft van de door hem in de strafzaak gemaakte reis- en verblijfkosten ad f 57.874 en kosten van raadslieden ad f 284.592,29, als bedoeld in artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering, dan wel een bedrag als wij in goede justitie zullen vermenen te behoren.”

“ONTVANKELIJKHEID

Het verzoekschrift is binnen drie maanden na beëindiging van de zaak en derhalve tijdig ingediend. Verzoeker is daarom in zoverre ontvankelijk.

Met betrekking tot de vraag of voldaan is aan de voorwaarde van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering, voor zover hier van belang, dat “de zaak” is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel, wordt overwogen dat naar Ons oordeel de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten (minstens) even zovele “zaken vormen in de zin van genoemd artikel als er letters liggen op de reeksen a t/m q en a t/m f. Daaraan doet Onzes inziens – in tegenstelling tot het oordeel van de officier van justitie – niet af, dat terzake van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten sprake zou zijn van één feit in de zin van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht, die feiten gelijkelijk het afschermen tegenover de fiscus van “zwarte” waarden ten doel zouden hebben gehad en onder de 2 ten laste gelegde feiten even goed onder 1 ten laste gelegde zouden kunnen zijn.

Daarom is verzoeker (ook overigens) ontvankelijk in zijn verzoekschrift.”

(Volgt toewijzing van een gedeelte van de verzochte reis- en verblijfkosten en een gedeelte van de kosten van de raadslieden, in verband met de overweging in het strafvonnis dat bij de bepaling van de hoogte van de boete in aanmerking is genomen dat het aannemelijk is dat het onderzoek en aansluiten het proces ter zitting zeer aanzienlijke kosten voor verzoeker heeft meegebracht.)

2. De vragen die ik Uw Raad wil voorleggen zijn deze: is in de beslissing uitgegaan van een juiste rechtsopvatting omtrent het begrip “zaak” als bedoeld in artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering, en zo dit niet het geval is, welke uitleg moet daaraan dan wel worden gegeven?

3. Wetshistorie. De regeling van de kostenvergoeding vindt zijn oorsprong in het Wetboek van Strafvordering van 1886. De artikelen 214-217 luidden, voor zover van belang (zie voor deze teksten b.v. Smidt, Wetboek van Strafvordering, 1886, p. 604):


214
“Bij schuldigverklaring wordt de straf opgelegd op het feit gesteld. De veroordeelde wordt tevens verwezen in de kosten.
Zijn meerdere feiten ten laste gelegd en wordt de beklaagde slechts ter zake van sommige dier feiten veroordeeld, dan kan de verwijzing in de kosten ook voor een deel der kosten plaats hebben..”


216
“Indien de regtbank niet uit wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft geput, dat het ten laste gelegde feit is gepleegd of dat het is gepleegd door den beklaagde, spreekt zij den beklaagde vrij..”

217
“In de gevallen, voorzien bij het voorgaand artikel, beveelt de regtbank dat de kosten, door den beklaagde gemaakt tot dagvaarding en schadeloosstelling van getuigen of deskundigen of tot het bijbrengen van stukken, met uitzondering van die kosten, welke de regtbank verklaart noodeloos te zijn gemaakt den beklaagde door den Staat worden vergoed. Het bedrag der vergoeding wordt bij het vonnis vastgesteld..”

Uit de samenhang van de hier geciteerde bepalingen meen ik te mogen afleiden dat waar partiële veroordeling in de kosten mogelijk is, de wetgever partiële toekenning van de kosten eveneens niet uitgesloten zal hebben geacht, des dat er evenzovele veroordelingen resp. toekenningen zullen zijn als er feiten telaste zijn gelegd, waarover een einduitspraak is gedaan.
Deze opvatting vindt zijn bevestiging in de wetsgeschiedenis van het huidige Wetboek van Strafvordering. Uit de memorie van toelichting blijkt dat, voor zover hier van belang geen wijziging met het tot dan geldende systeem wordt beoogd. De bepalingen van het oorspronkelijk ontwerp luidden in aanhef:

552
“In geval bij de einduitspraak geen straf of maatregel wordt toegepast, worden den verdachte uit ’s rijks kas vergoed..”

553
“De bepalingen van het voorgaande artikel zijn ook van toepassing indien de zaak in eenigen aanleg eindigt, voordat het eindvonnis is uitgesproken, ..”

Bij memorie van antwoord wordt artikel 553 ingelast in artikel 552 en vindt een tekstuele omwerking plaats tot: “Indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel, …”, de tekst van artikel 591(oud) Sv, zie Blok en Besier III p. 252, en thans de aanhef van artikel 89 en 591a Sv. (artikel 591a werd ingevoerd bij wet van 28 maart 1963 Stb. 130). Vgl. voor deze term ook artikel 337 lid 2 Sv.

Uit het vorenstaande volgt dat een wetshistorische uitleg van het begrip zaak is die van einduitspraak op het tenlastegelegde feit.

4. In het licht van deze wetshistorie ligt het voor de hand bij de toepassing van artikel 519a Sv bij partiële vrijspraken, enz., aan te knopen bij de regeling van het partiële hoger beroep en cassatie bij gevoegde zaken (artikelen 404, 407 en 427 e.v. Sv). Kort gezegd komt de regeling erop neer dat bij primair/subsidiair en bij alternatief telastgelegde feiten sprake is van één zaak, terwijl impliciet en expliciet cumultatief telastegelegde feiten twee of meer zaken zouden opleveren. Hierbij komt het aan, in beginsel, op de aan de feitenrechter voorbehouden, uitleg van de dagvaarding. Zie over deze kwestie met name mr. D.H. de Jong, Partieel appel bij gevoegde zaken in Verkeersrecht, 1979, p. 97. In deze voorstelling meen ik dat niet gezegd kan worden dat de vice-president is uitgegaan van een verkeerde opvatting omtrent het begrip zaak, door de telastelegging uit te leggen zoals hiervoor beschreven. Ik voeg hieraan toe dat, naar mijn mening, het telastgelegde opdracht of feitelijke leiding geven, aan de gegeven uitleg (zoveel zaken als er letters liggen) niet afdoet. Kortheidshalve moge ik verwijzen naar mijn conclusie vóór HR 16 dec 1986 NJ 1987, 321 m.nt. ’t H..

Ik merk hierbij op dat aan de orde is enkel de vraag naar de ontvankelijkheid van het verzoek. Het lijkt doelmatig aan te sluiten bij het reeds bestaande stelsel van de ontvankelijkheid van hoger beroep en cassatie. Voor mogelijkheden voor toekenning, kan de rechter in het individuele geval een correctie aanbrengen door op billijkheidsgronden af te wijken van een evenredige toekenning afgestemd op het aantal feiten waarvoor geen straf of maatregel is opgelegd.

5. Teneinde Uw Raad in de gelegenheid te stellen deze, naar mij bekend is, de praktijk nogal bezighoudende rechtsvraag te beslissen, stel ik mij nu op het standpunt, dat de onderhavige beslissing in strijd is het met recht, doordien de vice-president bij de beantwoording van de vraag naar de ontvankelijkheid van het onderhavige verzoekschrift is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting van het begrip “zaak” van artikel 591a Sv, door maatgevend te achten de dagvaarding en de daarin ten laste gelegde feiten, daarbij verwerpende het standpunt van de officier van justitie.

6. Begrijp ik de officier van justitie goed dan heeft naar zijn oordeel “zaak” in artikel 591a Sv de betekenis van het materiële gebeuren, het ene strafrechtelijke verwijt dat de verdachte wordt gemaakt, hier het leiding geven aan verboden gedragingen, en de reactie daarop: het onderwerp van het strafrechtelijk onderzoek door de officier van justitie en door de rechter ter zitting. In zijn visie doet niet terzake de min of toevallige bewoordingen van de dagvaarding, maar zal moeten worden beoordeeld of aan de telastegelegde feiten één of meer feitencomplexen ten grondslag liggen. Is dat het geval, dan zal sprake zijn van één of meer zaken. Ik wijs daarbij op de redactie van de dagvaarding die, begrijp ik de verwijzing door de officier van justitie naar artikel 68 Sr goed (ik laat in het midden of deze opvatting van artikel 68 wel juist is), toegesneden is op één verwijt, een voortdurend delict, te weten het achterwege laten maatregelen te nemen (HR 16 dec. 1986, 321) over een langere periode. Het resultaat van het onderzoek ter zitting is geweest een veroordeling, zodat “de zaak” niet zou zijn geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel.

Voor de opvatting van de officier van justitie valt inderdaad steun te vinden. Ik wijs op de volgende aspecten.

Het karakter van het huidige artikel 591a Sv is anders dan dat van het oorspronkelijke artikel 591 Sv. Had artikel 591 Sv betrekking op “alle kosten door hem (de verdachte) gemaakt tot dagvaarding en schadeloosstelling van getuigen of deskundige tot het doen van exploiten of tot overlegging of afgifte van stukken, en zijne reiskosten tot het bijwonen ter terechtzitting van onderzoek en uitspraken”, artikel 591a is zowel ruimer wat betreft de mogelijke vergoeding, ik doel op de kosten van de raadsman, als de periode waarover deze kunnen worden vergoed. Ingevolge het tweede lid van artikel 591a Sv omvat de regeling mede de vergoeding van de kosten van de raadsman gedurende het gerechtelijk vooronderzoek (verzekering en voorlopige hechtenis hierin begrepen), derhalve een vergoeding over een periode waarin nog geen dagvaarding bestaat. (Ik acht niet uitgesloten dat artikel 591a toepassing kan vinden in het geval de zaak is geëindigd voordat wordt gedagvaar, vgl. HR 17 juni 1975 NJ 1975, 467). De vordering tot gerechtelijk onderzoek in deze zaak, gericht tegen “N.N. (leden van de direktie en/of raad van bestuur van de N.V. [A] Bank)”, die ik hierbij overleg maakt uiteraard (nog) geen onderscheid in te onderscheiden afzonderlijke feiten. Voor een uitleg van de term “zaak” ligt aanknoping bij een uitleg van de dagvaarding, zoals de vice-president doet, dan niet (meer) in de rede. Vgl. artikel 89 Sv, met de zelfde aanhef en betrekking hebbende op de voorlopige hechtenis.

Voorts heeft de regeling, zoals blijkt uit de leden 1 en 2, betrekking op – let op het enkelvoud – “de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel” en “het onderzoek en de behandeling der zaak”. Gelet op de tekst van de bepalingen acht ik niet uitgesloten dat de wetgever bij de huidige redactie voor ogen heeft gehad de behandeling van de zaak in de betekenis van rechtsgeding van artikel 258 Sv en het daaraan voorafgaande gerechtelijk vooronderzoek. Wellicht dat nog een nuancering nodig is in die zin dat onder zaak moet worden verstaan het geding zoals deze is ontstaan na de voeging en splitsing van artikel 276 Sv: het door de officier bedoelde feitencomplex.

Deze uitleg stemt overeen mede ratio van de bepaling te weten de gemaakte kosten voor de raadsman te vergoeden van de verdachte die vrijuit gaat. Niet de dagvaarding maar de verdediging is dan het uitgangspunt. Het is dan aan de rechter om na te gaan of de verdediging zich op de afzonderlijk telastegelegde feiten heeft geconcentreerd danwel op een het gehele feitencomplex omvattend aspect. Ik denk voor de onderhavige zaak aan bijvoorbeeld het telastegelegde leidinggeven, of aan de wijze waarop het bewijsmateriaal is verzameld. Met deze gedachte stemt overeen dat in zaken waarbij een aantal samenhangende feiten worden telastegelegd, niet meer dan één toevoeging wordt afgegeven. Vgl. MvT op art. 591a, Wet van 28 maart 1963, Stb 1301. Het komt mij voor dat de wetgever voor wat betreft de honorering van de advocaat derhalve ziet op de zaak zoals deze ter zitting in zijn geheel wordt behandeld, en niet let op de inhoud der dagvaarding en met name niet op de te onderscheiden onderdelen daarvan.

Als middel van cassatie moge ik voordragen:

Schending van het recht, in het bijzonder artikel 591a Sv., doordien de vice-president in de bestreden beslissing de vraag of voldaan is aan de voorwaarde van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering, dat “de zaak” is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel, beantwoordt in deze zin, dat hij van oordeel is dat de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten (minstens) even zovele “zaken” vormden in de zin van genoemd artikel als er letter liggen op de reeksen a t/m q en a t/m f, zulks ten onrechte omdat “de zaak” in genoemd artikel de betekenis heeft van rechtsgeding en het daaraan voorafgaande gerechtelijk vooronderzoek (verzekering en voorlopige hechtenis daaronder begrepen) en er derhalve geen plaats is voor een onderscheiding in afzonderlijke feiten of zaken, in de betekenis die daaraan is gegeven.

Op grond van vorenstaande moge ik vorderen dat Uw Raad de bestreden beslissing in het belang der wet zal vernietigen en zal verstaan dat het door Uw Raad te wijzen arrest geen nadeel zal toebrengen aan de door de gewezen verdachte verkregen rechten.

De Procureur-Generaal

1 Zie echter de correctie in de MvA p. 4, r.k.