Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:1988:AD0506

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
23-09-1988
Datum publicatie
15-09-2020
Zaaknummer
7209 rek.nr
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1988:AD0506
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 1989, 185 met annotatie van F.H. van der Burg
NJ 1990, 564
RvdW 1988, 197
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PN

Nr. 7209 (Ant. zaak)

Zitting 23 september 1988

Mr. Biegman-Hartogh

Conclusie inzake:

1. [verzoekster 1]

2. [verzoeker 2]

3. [verzoeker 3]

tegen

1. [verweerder 1]

2. [verweerder 2]

3. [verweerder 3]

Edelhoogachtbaar College,

1. In november 1985 zijn in Aruba verkiezingen gehouden voor de toenmalige Eilandsraad, thans (sinds 1-1-1986) de Staten van Aruba. Verzoekster tot cassatie sub 1, de [verzoekster 1] , heeft bij deze verkiezingen twee zetels behaald. Op haar kandidatenlijst stonden de namen van verzoekers sub 2 en 3 en van de drie verweerders, en wel nr. 1 [verzoeker 2] , nr. 2 [verweerder 3] , nr. 3 [verweerder 1] , nr. 4 [verweerder 2] en nr. 5 [verzoeker 3] . Daar [verzoeker 2] (wegens onverenigbaarheid van functies) en [verweerder 3] (wegens bloedverwantschap met een ander statenlid) de zetels niet hebben aanvaard, zijn deze ingenomen door [verweerder 1] en [verweerder 2] . In augustus 1986 hebben [verweerder 1] en [verweerder 2] (tezamen met anderen, waaronder [verweerder 3] ) hun lidmaatschap van de [verzoekster 1] opgezegd, waarop de [verzoekster 1] hen heeft gemaand hun zetel ter beschikking te stellen. Dit hebben zij geweigerd. Daarop hebben de [verzoekster 1] , [verzoeker 2] en [verzoeker 3] de rechter in kort geding gevraagd [verweerder 1] en [verweerder 2] te bevelen ontslag te nemen als lid van de Staten van Aruba, en [verweerder 3] te bevelen om, indien een zetel voor hem beschikbaar zou komen, deze niet te aanvaarden, een en ander op straffe van een dwangsom. Het gerecht in eerste aanleg van Aruba heeft in dit geschil over kiesrecht zichzelf bevoegd, doch eisers niet ontvankelijk verklaard in hun vordering. Het gemeenschappelijk hof van justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba heeft op 20-1-1987 het vonnis in eerste aanleg vernietigd en de vorderingen afgewezen.

2. Het cassatieberoep in dit kort geding is binnen 45 dagen, dus tijdig, ingesteld. Zie de cassatieregeling voor de Nederlandse Antillen en Aruba art. 4 (zie voor de naam van deze regeling art. 19 lid 1) in Kluwers Wetgeving B, VI C nr. 10, juncto de artt. 235 en 264 Rv. Ned. Antillen, van toepassing krachtens de Samenwerkingsregeling Ned. Antillen en Aruba (Pb. 1985, 88, AB, 28), art. 5, aanhef en sub 3°, jo. art. 67, lid 1, aanhef en sub a en b, welke Samenwerkingsregeling is te vinden in "De Rechtsorde in het Koninkrijk der Nederlanden, de basisregelingen" (hierna aan te duiden als Rechtsorde; het is een uitgave van het Kabinet voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse zaken) 1986 p. 157 e.v. In dezelfde zin over de hier bedoelde cassatietermijn de conclusie van de A-G mr. ten Kate sub 2 en 3 voor HR 14-10-1983 NJ 1984, 131. Verzoekers hebben een middel aangevoerd dat uit twee onderdelen bestaat, elk onderdeel bevat enkele subonderdelen. Verweer is in cassatie niet gevoerd.

3. Gezien de uitspraak van uw Raad in HR 16-3-1971, NJ 1971, 434, AB 1971, 135 met de conclusie van de P-G mr Langemeijer t.a.v. het eerste middel en de noot van Veegens; AA 1972, 149 met noot Jeukens, inzake de Elslose (Elsloose?) verkiezingsafspraak zou de vraag kunnen rijzen of de burgerlijke (kort geding-) rechter in casu wel tot oordelen bevoegd is; Jeukens in zijn noot onder genoemd arrest (in AA 1972 p. 155 e.v., nr. 1-3 en 5) achtte de toen gegeven onbevoegdverklaring betwistbaar, en ook anderen, waaronder E.J. Dommering,Mon. Nieuw BW A-7,1982 p. 30/31, hadden kritiek; vergelijk voorts r.o. 3.2 van HR 10-4-1987 NJ 1988, 148 WHH met gegevens in mijn conclusie voor dit arrest op p. 626 lk.
In Nederland wordt de algemene bevoegdheidsvraag getoetst aan art. 2 RO: gaat het om een geschil over "eigendom of daaruit voortspruitende rechten, over schuldvorderingen of burgerlijke rechten"? In het in de Ned. Antillen en Aruba geldende art. 1 RI echter luiden de laatste woorden: "schuldvorderingen en andere burgerlijke rechten". E. Monte, Antilliaans procesrecht, diss. Leiden 1955 p. 41-43 leidt hieruit af dat het bevoegdheidsgebied van de Antilliaanse rechter tegenover de administratie kleiner is dan de Nederlandse rechter, zodat de burger daar minder bescherming geniet tegenover zijn administratie dan die in Nederland. In de Staatsregeling van Aruba, art VI.3 lid 1 (Rechtsorde, p. 145) en in de Samenwerkingsregeling, art. 42 lid 1 (Rechtsorde, p. 164) wordt echter gesproken over "geschillen over burgerlijke rechten en over schuldvorderingen", terwijl in het vierde lid van beide artikelen geschillen over (o.m.) het kiesrecht aan de rechterlijke macht worden opgedragen wanneer niet bij landsverordening anders is bepaald. De rechter mag evenwel – behoudens t.a.v. de grondrechten – de landsverordening niet toetsen aan het in deze beide regelingen bepaalde, zie art. VI.4 Staatsregeling resp. art 41A Samenwerkingsregeling.

4. Hoe dit echter ook zij, naar ik meen behoeft een en ander thans geen bespreking, aangezien het Uw Raad, oordelend over burgerlijke zaken, niet vrijstaat ambtshalve buiten de cassatiemiddelen om te casseren, zelfs niet als het gaat om een vraag van openbare orde. Zie art. 419 lid 1 Rv.: "De Hoge Raad bepaalt zich bij zijn onderzoek tot de middelen waarop het beroep steunt", waarover de conclusie van de P-G mr. Besier voor, en de nood van Meijers sub 3 onder HR 29-1-1937 NJ 1937, 570 en HR 24-6-1977 NJ 1979, 49 met de conclusie van de toenmalige A-G mr. Berger en de noot van Heemskerk; anders echter HR (derde kamer) 24-12-1986 NJ 1987, 903 met noot van Maeijer. Zie voorts Van Rossem-Cleveringa deel I, 1972 aant. 1 ad art. 419, Veegens, Cassatie, 1971 nr. 148 en Burgerlijke Rechtsvordering (E. Korthals Altes) aant. 1 ad art 419.
G.J. Wiarda, preadvies NJV, Hand. 1978 dl. 1, tweede stuk, p. 92/93 is van oordeel dat de uitsluiting van ambtshalve cassatie in lid 1 van art. 419 Rv. dient te worden gehandhaafd: hij acht de voordelen hiervan zwaarder wegen dan de nadelen. Zo ook Pels Rijcken in RM Themis 1987 p. 180-182 en p. 188/189.
Nu de bevoegdheidsvraag door het middel niet aan de orde is gesteld, laat ik deze verder rusten.

5. M.b.t. de aan Uw Raad voorgelegde rechtsvraag het volgende. Uw Raad heeft zich – voor zover bij mij bekend – nog niet eerder uitgesproken over de afdwingbaarheid van partij-afspraken als de onderhavige; wel deed dit de afd. Rechtspraak van de Raad van State sinds Arob-beroep tegen bepaalde kiesrechtbeslissingen is opengesteld.
In de Eerste Kamer (1981-1982, aanhangsel p. 29/30) is door de heer Vis (D'66) (o.m.) de vraag gesteld of staatsrechtelijk aanvaardbaar is een afspraak tussen de Kiesraad en het partijbestuur van het C.D.A. betreffende het accepteren door de Kiesraad van volmachten, welke door het C.D.A.-kandidaten voor de Eerste Kamer zouden zijn verleend aan de secretaris van het C.D.A. Het antwoord van de Regering luidde bevestigend.
In een geval echter waarbij de betrokkene een volmacht tot het doen van afstand daags na de verkiezing had ingetrokken, aan welke intrekking het stembureau was voorbijgegaan, is de Afd. Rechtspraak (RvS 18-601982 AB 1983, 41 ) uitdrukkelijk niet getreden in de vraag of appelant zich tegenover het C.D.A. nog vrij kon achten en zijn benoeming al dan niet te aanvaarden, maar de afdeling was wèl van oordeel dat het stembureau ten onrechte de afstandsverklaring bij volmacht geldig had geacht en vervolgens toepassing had gegeven aan art. V I Kieswet (een soort gelijke bepaling als art. 134 van het Kiesreglement Staten en Eilandsraden, Landsverordening van 1-3-1973 Pb 1973 nr. 27, thans art. 114 van de Kiesverordening van 3-11-1987, Afkondigingsblad van Aruba 1987 no. 110). En in RvS 6-9-1982 AB 1983, 114 luidde het oordeel dat aan de bepalingen van de Kieswet niet bij overeenkomst de kracht kan worden ontnomen. Zie ook de noten van Drs. A.O. Eskens onder beide beslissingen.

6. Wat betreft de schrijvers over dit onderwerp: men kan erover twisten- en men doet dat ook- of verkiezingsafspraken zoals hier aan de orde wegens strijd met de Kieswet achterwegen behoren te blijven, en of een gekozene die uit "zijn" partij treedt, al dan niet de morele of fatsoensverplichting heeft om zijn zetel ter beschikking te stellen; onder de thans te noemen schrijvers trof ik er echter gèèn aan die deze verplichting als rechtens afdwingbaar beschouwt. Men acht het onjuist als degene die krachtens de regels van de op de Grondwet berustende Kieswet door (een evenredig deel van) alle kiezers is gekozen, buiten de Kieswet om door een bepaalde groep van kiezers weer zou kunnen worden afgezet. Zie naast het boven sub 3 reeds genoemde commentaar op het arrest van 1971: J.P. Hooykaas, Ars Aequi 1959 p. 248-251, P.J. Boukema, Vragen van partijrecht, Openbare les VU, 1968 p. 11-17, J.R. Stellinga, De rechter tegenover een afspraak tussen kandidaten van de gemeenteraad, TvO 1971 p. 220-222, F.A. Helmstrijd, Geen dwang van de burgerlijke rechter tot nakoming van afspraken, enz. , De Gemeentestem 1971 nr. 6142 p. 141/142, B.W. Schaper, Om de fundamenten onzer democratie, Socialisme en Democratie 1974 p. 93-96, met een antwoord van Jaap van den Bergh en Pierre Janssens, "Recall" niet herroepen, Socialisme en Democratie 1974 p. 147 e.v. (p. 154), voorts A.C.P. van den Broek, Recallrecht in het licht van de representatie, hfdst. 4 en 5 p. 27 e.v. (p. 29), N.J.P. Giltay Veth, verkiezingskandidaten, rechtsgeldig te binden? Bundel Non sine causa, 1979 p. 87-101, D.J. Elzinga, De politieke partij en het constitutioneel recht, diss. Utrecht, 1982 p. 91 e.v. (p.103 en 111), 194, 198/199, 201-205 en 209, I. Lipschits in "Leden van de Staten-Generaal, …", 1981 p. 215 e.v., H. van den Brink, Recht voor politieke partijen, 1982 p. 17-22 met noot 49 op p. 139 en p. 60-62, besproken door A. Postma in Bestuurswetenschappen, 1983 p. 222-225, Van der Pot-Donner, Handboek van het Nederlandse Staatsrecht, 1983 p. 372-373 en tenslotte W.A. Luiten, Een inleiding tot het Antilliaanse staatsrecht, 1983 p. 95/96.

7. In het licht van het bovenstaande meen ik dat het aangevoerde middel in geen van zijn onderdelen tot cassatie zal kunnen leiden. Miskend wordt m.i., in het bijzonder sub 1.2 en 2.2, dat het er hier niet om gaat of het al dan niet is toegestaan afspraken als de onderhavige te maken of overeenkomsten in die zin te sluiten: het gaat er in dit geding om of van dergelijke afspraken of overeenkomsten in rechte (met vrucht) nakoming kan worden gevorderd. En de doctrine is, voor zover ik heb gezien unaniem, van mening dat een dergelijke vordering niet voor toewijzing vatbaar is wegens strijd met ons (grond)wettelijk kiesstelsel, c.q. met de Staatsregeling in verband met het Kiesregelement resp. de Kiesverordening van Aruba. Uit de bovengenoemde beslissingen van de Afd. Rechtspraak van 18-6 en 6-9-1982 kan men m.i. eenzelfde oordeel afleiden.
Op dit oordeel moeten, naar ik meen, zowel de eerste klacht van subonderdeel 1.1 van het middel als het in subonderdeel 1.2. aangevoerde afstuiten. De tweede klacht onder 1.1 voldoet m.i. niet aan het bepaalde in art 407 lid 2 resp. 426a lid 2 Rv., nu niet wordt aangegeven welke regels van geschreven en ongeschreven recht hier worden bedoeld.
Subonderdeel 1.3 berust op de veronderstelling dat 's hofs weigering van de gevraagde voorzieningen was gegrond op het publiekrechtelijk of het niet-vermogensrechtelijk karakter van de overeenkomst. Naar mijn mening gaat deze veronderstelling uit van een verkeerde lezing van het vonnis en mist de klacht dus feitelijk grondslag.

8. Indien ook Uw Raad onderdeel 1 ongegrond acht, hebben verzoekers m.i. bij onderdeel 2 geen belang: als [verweerder 1] en [verweerder 2] niet verplicht kunnen worden hun zetel ter beschikking te stellen (de [verzoekster 1] kreeg immers maar twee zetels), heeft een bevel aan [verweerder 3] om een zetel te weigeren geen zin.
overigens moeten de beide subonderdelen van onderdeel 2 naar mijn mening falen om dezelfde reden als die van onderdeel 1, terwijl ook de motiveringsklacht faalt: 's hofs beslissing is niet onbegrijpelijk en in dit kort geding zeker niet onvoldoende met redenen omkleed.

9. Daar ik geen van de onderdelen van het middel gegrond acht, concludeer ik tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,