Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:1986:AC2628

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
06-06-1986
Datum publicatie
01-11-2021
Zaaknummer
12.696
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1986:AC2628
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Arbeidsovereenkomst. Ontslagneming. Discrepantie tussen wil en verklaring. Onderzoeksplicht van de werkgever. Beperkende werking van de goede trouw in verband met het ontbreken van een nadeliger positie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 1987, 267 met annotatie van P.A. Stein
RvdW 1986, 158
Verrijkte uitspraak

Conclusie

A.T.

Nr. 12.696

Zitting 6 juni 1986

Mr. Franx

Conclusie inzake:

[eiser]

tegen

[verweerster] B.V.

Edelhoogachtbaar college,

1. Feiten en procesverloop

Thans eiser tot cassatie, [eiser] (in de stukken ook gespeld: [eiser] ), sedert 1974 als chauffeur in dienst bij de wederpartij, [verweerster] , heeft voor de kantonrechter te Delft doorbetaling van loon enz. vanaf 3 mei 1982 gevorderd met een beroep op het voortduren van de dienstbetrekking sedert die datum. [verweerster] wierp tegen dat [eiser] op 1 mei 1982 zelf ontslag genomen had, welke stelling door [eiser] werd bestreden. Nadat ingevolge tussenvonnis dd. 16 september 1982 een comparitie van partijen was gehouden heeft de kantonrechter bij tussenvonnis dd. 28 oktober 1982 [verweerster] toegelaten te bewijzen dat [eiser] op zaterdag 1 mei 1982 zelf ontslag heeft genomen. Nadat vier getuigen waren gehoord heeft de kantonrechter bij eindvonnis van 1 september 1983 [eiser] diens vordering ontzegd, o.m. overwegende dat [verweerster] geslaagd was in het bijbrengen van voormeld bewijs.

[eiser] ging in hoger beroep en voerde tegen het eindvonnis vier grieven aan, die door [verweerster] werden bestreden. De rechtbank te 's-Gravenhage heeft bij vonnis van 19 september 1984 dat eindvonnis bekrachtigd.

[eiser] heeft cassatieberoep ingesteld. Hij bestrijdt het rechtbank-vonnis met een middel, bestaande uit de onderdelen 1–4. Onderdeel 1 is samengesteld uit de subonderdelen a, b en c; subonderdeel 1b is ten pleidooie ingetrokken.

2. Subonderdeel 1a bevat een motiveringsklacht die niet opgaat. De rechtbank heeft, in haar behandeling van appelgrief 1, kennelijk bedoeld dat [eiser] op zaterdag 1 mei 1982 wist dat [betrokkene 1] een medewerker van [verweerster] was. Dat heeft de rechtbank kunnen afleiden uit de geciteerde verklaring van [eiser] ter comparitie. Aannemelijk is dat de rechtbank daarbij mede in aanmerking heeft genomen dat [eiser] zich rechtstreeks tot [betrokkene 1] richtte: ‘’... je (onderstreping door mij; F.) bekijkt het maar ...’’, en niet zei: ‘’... ze (de leiding van [verweerster] ) bekijken het maar ...’’. Het door het subonderdeel aangevallen oordeel van de rechtbank is niet onbegrijpelijk en evenmin onvoldoende gemotiveerd.

Subonderdeel 1b is, als gezegd, ingetrokken.

3. Aan een bespreking van de verdere cassatieklachten laat ik een analyse van het rechtbank-vonnis voorafgaan.

De rechtbank heeft twee verschillende vragen onderscheiden (zie bijv. de tweede alinea van het over appelgrief 2 overwogene):

a heeft [eiser] door een daartoe strekkende verklaring, gericht tot [verweerster] , de dienstbetrekking vrijwillig beëindigd (opgezegd)?

b heeft [eiser] daarna getracht die beëindiging ongedaan te maken?

Als ik het goed zie betreft het door de kantonrechter aan [verweerster] opgedragen probandum in de visie van de rechtbank slechts een deel van de vraagstelling sub a. Het ging er niet om of [eiser] werkelijk wilde opzeggen, maar of hij een daartoe strekkende verklaring heeft gericht tot zijn werkgever [verweerster] (en niet tot iemand anders). Dat laatste is door de kantonrechter bewezen verklaard en de tegen die bewezenverklaring gerichte appelgrief 1 is door de rechtbank verworpen.

Voor de beantwoording van vraag a is echter ook een antwoord noodzakelijk op de vraag (c) of [verweerster] [eiser] mocht houden aan diens verklaring tot beëindiging van de dienstbetrekking. Daarbij dient er, naar mijn mening, gelet op het vorenstaande in cassatie van uit gegaan te worden dat [eiser] 's voormelde verklaring niet met zijn wil overeenstemde.

Appelgrief 3 stelde vraag c aan de orde, en subonderdeel 1c en onderdeel 3 van het cassatiemiddel vatten dezelfde draad op.

Ik citeer hetgeen de rechtbank overweegt over de appelgrieven 3 en 4:

‘’Tussen partijen staat vast dat [verweerster] op 4 mei 1982 aan [eiser] een aangetekende brief heeft gezonden, die hem heeft bereikt via de curatrice in zijn faillissement, thans zijn advokaat. Voorzoveel van belang houdt die brief in: ‘’U hebt zich op maandag 3 mei 1982 niet op Uw werk gemeld, nadat U op de zaterdag daarvoor tegenover een van onze medewerkers had verklaard niet meer te komen. Kennelijk stelt U geen prijs meer op het dienstverband en wij beschouwen dit dan ook met ingang van 3 mei 1982 als beëindigd.’’

Hieruit blijkt dat [verweerster] heeft afgewacht of [eiser] de daad bij het woord zou voegen en voorgoed zou wegblijven. Toen hij dat deed mocht [verweerster] daaruit haar gevolgtrekking maken en deze ter kennis van [eiser] brengen.

De stelling dat [verweerster] op 5, 6 of 10 mei nog geen andere chauffeur in dienst had genomen en derhalve [eiser] niet had mogen houden aan zijn opzegging behoeft geen bespreking. Indien al [eiser] op 1 mei zodanig ‘’over zijn toeren’’ zou zijn geweest dat dit een geestelijke storing opleverde – waarvoor de rechtbank geen steun ziet in de feiten – dan neemt zulks niet weg dat uit de eigen stellingen van [eiser] (met name ook tijdens voormelde comparitie van partijen) volgt dat hij op 2 of 3 mei uitgerust en tot zichzelf gekomen was, maar niettemin bij zijn standpunt volhardde.

Ook de grieven 3 en 4 treffen geen doel.’’

De rechtbank beantwoordt hiermee vraag c in bevestigende zin. Zij is van oordeel dat ‘’ [verweerster] (….) haar gevolgtrekking mocht maken’’, d.w.z. [eiser] mocht houden aan zijn verklaringen en gedrag op 1 mei 1982. Daarbij mocht [verweerster] , volgens de kennelijke opvatting van de rechtbank, een afwachtende houding aannemen.

4. Naar mijn mening komt het middel terecht op tegen deze visie van de rechtbank. In het bestreden vonnis wordt miskend dat [verweerster] onder de gegeven omstandigheden de verklaringen en gedragingen van [eiser] op 1 mei 1982 niet zonder nader onderzoek mocht opvatten als een vrijwillige beëindiging van de dienstbetrekking. Ik moge verwijzen naar de conclusie voor HR 14 januari 1983, NJ 1983, 457 (PAS), p. 1446–1447, met gegevens. De bedoeling tot vrijwillige beëindiging van de dienstbetrekking door de werknemer mag, gelet op de ernstige gevolgen voor laatstgenoemde, door de werkgever in situaties als de onderhavige niet te gauw worden aangenomen. [eiser] , ca. 7 1/2 jaar in dienst van [verweerster] zonder eerder tot klachten aanleiding gegeven te hebben, komt na een zeer vermoeiende werkweek op een zaterdag terug in het bedrijf van zijn werkgever en merkt dat die de gemaakte afspraak over vervoer naar huis niet nagekomen is. Daarover laat hij in telefoongesprekken met twee van zijn superieuren, [betrokkene 2] en [betrokkene 3] , zijn boosheid merken, echter zonder daarbij iets te zeggen in de richting van beëindiging van de dienstbetrekking. Dat laatste doet hij vervolgens wèl aan het adres van een collega van genoemde [betrokkene 2] en [betrokkene 3] , genaamd [betrokkene 1] , die zich die zaterdag ook in de bedrijfsgebouwen van [verweerster] bevindt. Hij haalt zijn spullen uit zijn auto en vertrekt.

Onder deze omstandigheden had, naar mijn mening, [verweerster] een onderzoeksplicht. Zulks klemt temeer nu de rechtbank, zoals subonderdeel 1c betoogt, niet heeft vastgesteld dat [eiser] verplicht was zich op maandag 3 mei 1982 te melden voor werkhervatting. Daarbij is niet zonder betekenis, dat dat melden ook volgens [verweerster] telefonisch mocht gebeuren (memorie van antwoord in hoger beroep, p. 3 sub b). Het was voor [verweerster] , die op zaterdag 1 mei al wist dat [eiser] zijn werk had afgemaakt — en dus in beginsel beschikbaar was voor een nieuwe opdracht — een kleine moeite om — hetgeen volgens [eiser] (conclusie na enquête in eerste aanleg, p. 4–5) ook wel placht te gebeuren — zelf het initiatief te nemen, [eiser] maandag 3 of dinsdag 4 mei op te bellen en hem te vragen of hij inderdaad ontslag had genomen dan wel weer aan het werk wilde gaan. Het komt er eigenlijk op neer dat [eiser] en [verweerster] op 3 en 4 mei op elkaars telefoontje hebben zitten wachten. Naar mijn mening had [verweerster] niet, zonder eerst zelf (te trachten) [eiser] op te bellen, mogen aannemen dat [eiser] zelf ontslag heeft willen nemen. Omstandigheden op grond waarvan in redelijkheid van [verweerster] niet kon worden gevergd enig initiatief van dien aard te nemen, zijn niet gesteld of gebleken. Tot een afweging van de omstandigheden van het geval, zoals bedoeld in HR 22 april 1983, NJ 1983, 667, r.o. 3.2, is het in het vonnis van de rechtbank niet gekomen.

Opgemerkt zij dat directeur [betrokkene 4] van [verweerster] zich ter comparitie als volgt heeft uitgelaten: hij dacht ‘’dat het niet zo'n vaart zou lopen’’. [verweerster] heeft dus het gedrag van [eiser] op 1 mei 1982 niet uitgelegd als vrijwillige beëindiging. Welnu, dan mocht zij het niet-opbellen door [eiser] op 3 en 4 mei in de gegeven situatie evenmin als zodanig uitleggen. Omstandigheden die tot een ander oordeel kunnen leiden zijn door de rechtbank niet vastgesteld. De rechtbank heeft, naar het mij toeschijnt, zich gebaseerd op een verkeerde rechtsopvatting (zie NJ 1983, p. 1446 rechts, sub 4) en/of haar beslissing gebrekkig gemotiveerd.

5. Nu moet worden aangenomen dat het vonnis van de rechtbank ten minste aan één van de hiervoor weergegeven tekortkomingen lijdt en elk dezer tekortkomingen op zichzelf voldoende is voor vernietiging, kan in het midden blijven welke van deze (door subonderdeel 1c en onderdeel 3 gesignaleerde) tekortkomingen zich hier daadwerkelijk voordoet, resp. voordoen. Zie de toepassing van deze ‘’antikies’’-methode in HR 28 juni 1985, NJ 1986, 356 (MS), r.o. 3.3.

De overige klachten van het middel behoeven niet te worden besproken.

6. Ik concludeer tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage dd. 19 september 1984 en tot verwijzing van de zaak naar het gerechtshof aldaar, met veroordeling van verweerster [verweerster] in de kosten op de voorziening gevallen.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,