Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:1985:AG4961

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
08-02-1985
Datum publicatie
10-09-2019
Zaaknummer
6515
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1985:AG4961
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad. Letselschade. Persoonlijke predispositie. Toerekening. Begroting van schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 1986, 137 met annotatie van C.J.H. Brunner
RvdW 1985, 42
VR 1985, 107
PS-Updates.nl 2019-1095
Verrijkte uitspraak

Conclusie

v.R.

Nr. 6515 rek. Ned. Ant.

Zitting 30 november 1984.

(bij vervroeging).

Mr. Mok

Conclusie inzake:

[eiser]

tegen

1. [verweerder]

2. DE NEDERLANDSE ANTILLEN

Edelhoogachtbaar college,

1. Korte beschrijving van de zaak.

Tijdens een carnavalsoptocht te Oranjestad, Aruba, is eiser tot cassatie, [eiser], van een praalwagen gevallen. Door een wiel van die wagen is hij aan zijn voet gewond geraakt. Vervolgens zijn hem, ‘’ten gevolge van een misverstand’’1 door verweerder sub 1, [verweerder] (onderinspecteur bij het Korps van Politie Nederlandse Antillen), enige slagen met de wapenstok toegediend.

Op het moment van het voorval was [eiser] student en diende hij als dienstplichtige bij de Koninklijke Marine. Aan de carnavalsoptocht nam hij deel als lid van de steelband van de marinierskazerne. Na het voorval had hij gezondheidsklachten, naar zijn eigen zeggen2 hoofdpijnen, geheugenstoornissen en algehele achteruitgang van zijn intellectuele capaciteiten. Resultaten van medische onderzoeken zijn samengevat in het eindvonnis van het gerecht in eerste aanleg, zittingsplaats Aruba.

In oktober 1980 is eiser afgekeurd voor militaire dienst. Enkele maanden later heeft hij van [verweerder] en van het land Nederlandse Antillen een schadevergoeding van NA f. 25.000,-- gevorderd, ter vergoeding van de schade die hij had geleden door de onrechtmatige daad, bestaande in de hem door [verweerder] toegediende slagen met de wapenstok.

Zowel het gerecht in eerste aanleg, zittingsplaats Aruba, als het hof van justitie van de Nederlandse Antillen hebben de vordering afgewezen. Het hof heeft daarbij overwogen dat in de regel degeen die letsel heeft toegebracht voor de schade over de gehele met de genezing van dat letsel gemoeide tijd aansprakelijk is, doch dat dit anders is indien de genezing van dat letsel is of wordt belemmerd door bepaalde omstandigheden van zodanige aard, dat het uitblijven van genezing niet meer als gevolg van het toebrengen van letsel aan de dader kan worden toegerekend3.

Met de eerste rechter is het hof tot het oordeel gekomen dat uit de verschillende rapporten van de artsen die [eiser] hadden onderzocht geen andere conclusie kon worden getrokken, dan dat de genezing van [eiser] is en wordt belemmerd door omstandigheden van zodanige aard, dat het uitblijven van de genezing niet meer als gevolg van het handelen van [verweerder] aan het land konden worden toegerekend. Volgens het hof komen de medische rapporten naar de kern tot dezelfde conclusie, ‘’namelijk dat er, vlak na het ongeval en bij latere gelegenheden, geen neurologische afwijkingen geconstateerd zijn, en dat er sprake is van renteneurose, aggravatie en querulerende gedragingen’’.

Tegen dit vonnis van het hof van justitie heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld, onder aanvoering van drie middelen, die alle uit een aantal onderdelen bestaan.

2. Een parallelle zaak.

Bij de Hoge Raad is een cassatieberoep tegen een ander vonnis van het hof van justitie van de Nederlandse Antillen aanhangig, onder nr. 6582 ([…] tegen Chicago Bridge & Iron Company Inc.). Het geschil waarom het in die zaak gaat vertoont een sterke gelijkenis met dat in de onderhavige zaak. Ik veroorloof mij daarom mede te verwijzen naar mijn conclusie van heden in de zaak 6582.

3. Renteneurose.

3.1. Inleiding.

Dat de slagen met de wapenstok die aan eiser door een functionaris van de landspolitie ten gevolge van een misverstand zijn toegediend, jegens eiser een onrechtmatige daad opleveren, waarvoor het land aansprakelijk is, is niet omstreden. Het geschil bestaat in wezen uit een vraag van causaliteit: zijn de medische klachten van eiser, zoals die door het hof op grond van rapporten van artsen zijn vastgesteld, oorzakelijk toe te schrijven aan de onrechtmatige daad?

3.2. Het verschijnsel.

De pleiters voor beide partijen hebben omschrijvingen gegeven van het begrip renteneurose.

De pleiter voor eiser heeft daarbij gesteund op psychiatrische literatuur4, waaruit hijzelf de volgende conclusie heeft getrokken:

‘’in geval van rente-neurose is er, evenals bij een traumatische neurose, sprake van een psychische reactie op een ongeval welke reactie inherent is aan een inadequate persoonlijkheidsstructuur van het slachtoffer.’’

De pleiter voor verweerders heeft aan medische lexica5 de volgende omschrijvingen ontleend:

‘’functionele zenuwstoornissen welke blijven bestaan terwille van het ontvangen van ziektegelduitkeringen’’

resp.

‘’een na ziekte of ongeval zich ontwikkelende psychische fixatie aan de toestand van (vermeende) invaliditeit, waarvoor een ‘rente’ (financiële ondersteuning) wordt uitgekeerd; de neurose eindigt soms als de renteuitkering wordt gestopt.’’

Ook in de juridische literatuur komt men omschrijvingen tegen, die overigens weer op (ten dele dezelfde) medische bronnen te herleiden zijn.

Zo bij Van Wassenaer6:

‘’renteneurose is een geestesziekte, waarbij de lijder na een ongeval ziek blijft om de schadevergoeding (of ongevallenrente) te kunnen blijven opstrijken. (…..) Slechts door een combinatie van al dan niet geleidelijke beëindiging van de rente-uitkering en psychotherapie kan een dergelijke patiënt worden genezen.’’

Ten slotte noem ik nog een omschrijving uit een algemene encyclopedie7, waar de renteneurose wordt aangeduid als een vorm van compensatieneurose. Deze laatste wordt aangeduid als een ‘’(vaak chronische) neurotische reactie (…..) in aansluiting aan een – in feite meestal onbetekenend – ongeval’’, waarbij men van renteneurose spreekt indien het directe of indirecte doel een uitkering is, ‘’die vaak meer een erkenning dan een reëel materieel gewin betekent.’’

3.3. Aggravatie en querulantie.

De pleiter voor eiser signaleert dat het hof ook heeft gesproken van aggravatie en querulerende gedragingen. Hij meent dat het voor de hand ligt dat het hof hiermee bedoeld heeft een precisering te geven van het begrip renteneurose.

De pleiter voor verweerders heeft omschrijvingen ontleend aan de al genoemde medische lexica. Aggravatie zou dan zijn: ‘’verergering, overdrijving’’, respectievelijk ‘’het erger doen schijnen van aanwezige symptomen’’. Een querulant zou zijn:

‘’iemand die op grond van een innerlijke levensonvrede met zijn gehele wezen in opstand is tegen al dan niet vermeend onrecht, tegen miskenning en tegen zijn omgeving waarin hij alleen fouten en tekortkomingen kan zien’’

Resp.

‘’de querulant komt op tegen vermeend onrecht maar overschrijft in zijn reactie het redelijke’’.

De Grote W.P.8 verstaat onder aggravatie de situatie ‘’indien iemand bestaande ziekteverschijnselen erger doet schijnen dan ze zijn’’; querulantie of aanverwante termen heb ik aldaar niet aangetroffen.

3.4. Rechtspraak en literatuur.

3.4.1. Nederlandse rechtspraak.

Het voor deze zaak belangrijkste precedent lijkt mij te vinden in het al in noot 3 genoemde arrest van uw Raad uit 1972, waarop het hof zich in zijn bestreden vonnis heeft gebaseerd9.

Te noemen zijn voorts HR 20 juni 1969, NJ 1969, 374 en vooral de daaronder geplaatste noot van G.J. Scholten; HR 21 maart 1975, NJ 1975, 372, m.n. G.J. Scholten (aangereden hartpatiënt)10; HR 9 december 1983, NJ 1984, 708 (sub 3.5, tweede zin, slot). Ook enkele strafrechtelijke arresten kunnen enig licht werpen op de problematiek die hier aan de orde is11.

Verdere rechtspraakverwijzingen zijn te vinden in de hieronder genoemde literatuur.

3.4.2. Nederlandse literatuur.

a. Renteneurose.

J.J.M. van der Ven behandelt dit begrip naar aanleiding van oude uitspraken (uit 1912, 1925 en 1927) van de Centrale Raad van Beroep in R.M. Themis 1942, p. 64/5.

Ik noemde al (noot 6) de oratie van Köster, waarbij ik nog wijs op de rechtsvergelijkende gegevens in voetnoot 58, p. 47/8.

Bloembergen heeft in zijn dissertatie12 een paragraaf (150) aan renteneurose gewijd. Hij constateert dat hier de adequatieleer te kort schiet en meent dat het in strijd met zin en strekking van de schadevergoeding is deze toe te kennen, wanneer zij juist de schadeverwekkende toestand doet voortduren. Wat overblijft zijn moeilijkheden van praktische aard: heeft men te doen met renteneurose? Bloembergen is op dit stuk bestreden door Hommes13, maar dat geldt slechts de stelling over de adequatietheorie en, naar het mij voorkomt, niet de slotsom. Deze laatste is ook onderschreven door Van Wassenaer14 en Van Schellen15.

Ten slotte noem ik een rechtspraak-overzicht van Brunner16, waarin deze verdedigt dat renteneurose enigszins vergelijkbaar is met het geval dat aan de orde was in het arrest-(vader)Versluis17.

b. Causaliteit.

Verscheidene van de hiervoor genoemde publicaties gaan over causaliteit in het algemeen, m.n. het genoemde boek (proefschrift) van Van Schellen. In enkele recente conclusies van het openbaar ministerie bij uw Raad18 zijn overzichten gegeven van rechtspraak en literatuur over causaliteit: ik veroorloof mij hiernaar te verwijzen met de toevoeging dat speciaal beschouwingen van Schut mij voor de onderhavige zaak van belang lijken19.

3.4.3. Opvattingen in enkele andere landen.

Ook in België is het begrip renteneurose bekend. Vanquickenborne20 vermeldt dat de Belgische rechter, evenals zijn Duitse collega, schadevergoeding aan de renteneuroticus doorgaans weigert, hoewel dit onverenigbaar lijkt met de in België officieel gehuldigde equivalentietheorie.

Op de Duitse rechtspraak is te onzent de aandacht gevestigd door Köster en Bloembergen in de hun hiervoor al genoemde beschouwingen. De kern van de Duitse rechtspraak21 is gebaseerd op de zin van de schadevergoeding en op de billijkheid. Onomstreden is deze rechtspraak overigens niet22.

In Zwitserland staat het Eidgenössische Versicherungsgericht op het standpunt dat geen causaal verband bestaat tussen een ongeval en Begehrungsneurose (waar renteneurose toe gerekend wordt). Het Bundesgericht komt echter doorgaans tot het tegengestelde resultaat, op grond van de leer van de adequate veroorzaking23.

In het Engelse recht wordt schadevergoeding wegens ‘’compensation neurosis’’ niet geheel afgewezen. De gelaedeerde moet echter voor schadebeperking zorgen en zijn claim zo snel mogelijk indienen24.

De pleiter voor verweerders heeft nog gewezen op een rechtsvergelijkende beschouwing van Honoré25, waaruit blijkt dat het algemene beginsel ‘’the tortfeasor takes his victim as he finds him’’ uitzondering kan lijden in geval van ‘’compensation neurosis’’.

4. Behandeling van de cassatiemiddelen.

4.1. Middel I, onderdelen 1-5.

Na een inleiding in de eerste vier onderdelen stelt onderdeel 5 van middel I dat het oordeel van het hof, volgens welk renteneurose kan worden aangemerkt als een omstandigheid die niet aan de veroorzaker van een ongeval als het onderhavige kan worden toegerekend onjuist en in ieder geval niet naar de eisen van de wet met redenen omkleed is.

Het hier bestreden oordeel is van feitelijke aard. De eventuele onjuistheid daarvan kan in cassatie slechts aan de orde komen, voor zover het op een onjuiste rechtsopvatting is gebaseerd. Die onjuiste rechtsopvatting zou dan te zoeken moeten zijn in het gehanteerde begrip causaliteit. Naar mijn mening is daarvan geen sprake. Zoals reeds bleek heeft het hof zich in tegendeel vrijwel letterlijk gebaseerd op de rechtspraak van uw Raad, te weten het in noot 3 genoemde arrest uit 1972. Beziet men de rechtspraak en rechtsleer over causaliteit, waarnaar hierboven (onder 3.4) is verwezen meer in het algemeen, dan zie ik ook geen aanleiding voor de gevolgtrekking dat het hof van een onjuist begrip oorzakelijk verband is uitgegaan.

Overigens heeft het hof, anders dan het middel stelt, niet gesproken over ‘’een ongeval als het onderhavige’’; het heeft zijn oordeel beperkt tot het onderhavige ongeval.

Voorts meen ik dat het hof zijn beslissing, door te verwijzen naar tot de gedingstukken behorende, volgens het hof naar de kern eensluidende, medische rapporten, voldoende heeft gemotiveerd.

4.2. Middel I, onderdelen 6 en 7.

In deze onderdelen zijn twee klachten te onderscheiden. In de eerste plaats wordt het hof verweten niet te hebben vermeld wat het verstaat onder renteneurose.

Ik merk op dat het bestreden vonnis niet steunt op het gebruik van het begrip renteneurose. Dit begrip wordt slechts tussen haakjes gehanteerd in een samenvatting van de bevindingen van de artsen. Uit het hierboven onder 3.2 gestelde blijkt dat het begrip renteneurose voldoende bekend is om in zodanig verband te worden gebruikt.

In de tweede plaats wordt erover geklaagd dat niet is vastgesteld dat renteneurose niet is te verklaren uit de fysieke of psychische constitutie van [eiser], respectievelijk aan te merken zou zijn als een opzettelijk, doelbewust of verwijtbaar gedrag. Zou het hof met renteneurose bedoeld hebben dat sprake is van een doelbewust gedrag, dan is dit onjuist.

In het bestreden vonnis kan ik niet lezen dat het hof renteneurose heeft aangemerkt als doelbewust gedrag. Onderdeel 7 mist daarom, ook wat de daarin vervatte motiveringsklacht betreft, feitelijke grondslag.

Uit het verband kan men wel afleiden dat het hof renteneurose heeft opgevat als samenhangend met de psychische (niet de fysieke) constitutie van [eiser]. Het gaat hier echter niet om een risico- of schade vergrotende eigenschap van de gelaedeerde (zoals een dunne schedel), doch om een de genezing belemmerende omstandigheid. Daarvan heeft het hof kunnen besluiten dat deze niet aan verweerders kon worden toegerekend.

4.3 Middel II, onderdelen 1 en 2.

De hier bedoelde onderdelen komen overeen met onderdeel 6 van middel I, doch hebben betrekking op de in het bestreden vonnis eveneens gebruikte termen aggravatie en querulerende gedragingen (zie daarover hierboven onder 3.3).

Ook deze termen heeft het hof uit de medische rapporten geput en kennelijk opgevat als, met de psychische constitutie van [eiser] samenhangende, de genezing belemmerende omstandigheden in de hierboven bedoelde zin. Het hof heeft niet gezegd dat geen sprake is van lichamelijk of geestelijk nadeel, doch slechts vastgesteld dat het voortduren van zulk nadeel niet aan de verweerders kan worden toegerekend. M.i. is dit, anders dan in het middel wordt verdedigd, niet onbegrijpelijk.

4.4. Middel II, onderdeel 3.

Dit middel sluit aan bij onderdeel 7 van middel I en mist naar mijn oordeel om dezelfde reden als laatstgenoemd onderdeel feitelijke grondslag.

4.5. Middel III.

Dit middel heeft betrekking op de door het hof in de laatste alinea van r.o. 5 gebezigde overweging ‘’gelet op het zeer geringe letsel door appellant ondervonden als gevolg van de hem (…..) toegediende klappen’’. Het middel noemt dit oordeel onjuist en onbegrijpelijk (waarmee het wel zal bedoelen: onjuist of onbegrijpelijk, aangezien onbegrijpelijkheid de kwalificatie als onjuist uitsluit).

Ik meen dat de vraag naar de eventuele juistheid van de genoemde overweging van het hof in cassatie niet aan de orde komt, gezien het feitelijk karakter daarvan. Belangrijker lijkt mij de klacht over onbegrijpelijkheid die gerelateerd wordt aan de omstandigheid dat genezing nog niet heeft plaatsgevonden.

De steller van het middel ziet m.i. over het hoofd dat de woorden ‘’als gevolg van de (…..) toegediende klappen’’ een beperkend karakter hebben. Het hof doelt hier op het letsel waarvan is vastgesteld dat het een gevolg is van de klappen, namelijk een licht-bloedend schaafwondje op het achterhoofd, c.q. schrammetje op het achterhoofd (vonnis van het gerecht in eerste aanleg, r.o. 3, sub b, c en d). De door [eiser] ingestelde eis tot schadevergoeding had op dat wondje echter geen betrekking.

5. Conclusie.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de cassatiemiddelen in al hun onderdelen falen, zodat mijn conclusie strekt tot verwerping van het beroep met veroordeling van eiser in de cassatiekosten.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

1 Conclusie van antwoord in prima voor verweerders in cassatie (p. 1).

2 O.m. initieel verzoekschrift, p. 1, sub 6.

3 Vrijwel letterlijk ontleend aan HR 9 juni 1972, NJ 1972, 360, m.n. G.J. Scholten.

4 P.C. Kuiper, Neurosenleer, 5e dr. 1980, p. 215; E.A.D.A. Carp, De Neurosen, 3e dr. 1947, p. ½; Desmond Curran, Psychological Medicine, 9e dr. 1980, p. 101.

5 Resp. H.R.M. de Haan en W.A.L. Dekker, Groot Woordenboek der Geneeskunde en Pinkhof-Hilfman, Geneeskundig Woordenboek.

6 A.J.O. van Wassenaer van Catwijck, Eigen schuld, diss. R.U. Leiden 1971, p. 216, voetnoot 13.
Zie voorts: H.K. Köster, Causaliteit en voorzienbaarheid, inaug. Rede U.v.A. 1963, p. 22 en de in subpar. 3.4.2. genoemde literatuur.

7 G.A. Ladee in Grote Winkler Prins Encyclopedie, 8e dr. 1980, dl. 6, p. 407 l.k.: zie ook idem ibidem dl. 24, p. 539 r.k.

8 T.a.p., dl. 20, p. 383 r.k.

9 Dit arrest is ook geannoteerd door P.A. Stein in A.Ae. 1972, p. 568 e.v. en door H.F. van den Haak in Verkeersrecht 1973, p. 18.

10 Ook geannoteerd door W.C.L. van der Grinten in A.Ae. 1976, p. 55 en door C.J.H. Brunner in V.R. 1975, p. 227.

11 HR 8 juni 1971, NJ 1972, 90, m.n. C. Bronkhorst en HR 12 september 1978, NJ 1979, 60, m.n. Th. W. van Veen ad vierde middel; zie ook c.o.m. ad vierde middel met de opmerking dat op p. 159, l.k. in de voorlaatste regel i.p.v. ‘’een’’ gelezen moet worden: geen.

12 A.R. Bloembergen, Schadevergoeding bij onrechtmatige daad, diss. R.U. Utrecht 1965, p. 212-214.

13 H.J. (van Eikema) Hommes in WPNR 5003, 1968, p. 318.

14 T.a.p. (noot 6), p. 215.

15 J. van Schellen, Juridische causaliteit, 1972, p. 208. Zie ook dezelfde auteur in Non sine causa (G.J. Scholten-bundel), 1979, p. 350 (nr. 37 en noot 50).

16 C.J.H. Brunner in Verkeersrecht 1981, p. 210, over renteneurose p. 216 r.k.

17 HR 2 november 1979, NJ 1980, 77, m.n. G.J. Scholten.

18 Bij HR 25 maart 1983, NJ 1984, 629, p. 2187 r.k. (zie ook de noot van Brunner onder dit arrest ad 1); voorts bij HR 8 april 1983, N.J. 1984, 717 en bij HR 24 februari 1984, NJ 1984, 415 (noot 6).

19 G.H.A. Schut in R.M.Themis 1978, p. 380 e.v.; idem. Onrechtmatige daad (Studiepockets privaatrecht 21), 1981, p. 30 e.v. Zie voorts: Asser-Hartkamp, De verbintenis in het algemeen volgens het NBW (Asser-serie 4-I*), p. 316 e.v.

20 Marc Vanquickenborne, De oorzakelijkheid in het recht van de burgerlijke aansprakelijkheid, p. 492-4 (nrs. 845/6).

21 Entscheidungen des Bundesgerichtshofes in Zivilsachen, Urteil vom 29. Februar 1956, 20.20, S. 137: zie i.h.b. p. 142.

22 H. Langen, Schadensersatz, 1979, p. 97. Zie voorts J. von Staudingers Kommentar zum Bürgerlichen Gesetzbuch, erläutert von D. Medicus und K. Schmidt, 1983, Par. 249, Randnr. 56; Karl Larenz, Lehrbuch des Schuldrechts, I – Allgemeiner Teil, S. 499 (kleine letters).

23 Karl Oftinger, Schweizerisches Haftpflichtrecht, 4. Auflage 1975, S. 187/8 (voetnoot 90).

24 John G. Fleming, The Law of Torts, 6th edition 1983, p. 182, voetnoot 36, met verwijzing naar de uitspraak in de zaak James/Woodall Duckham uit 1969, gepubliceerd in Weekly Law Reports, July 4, 1969, p. 903.

25 A.M. Honoré in André Tunc (Chief Editor), Internation Encyclopedia of Comparative Law, XI (Torts), 1983, Part I, Chapter 7, nr. 183 (p. 130/1).