Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:1985:AD5682

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
01-07-1985
Datum publicatie
21-06-2019
Zaaknummer
78765U
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1985:AD5682
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 1986, 162
Verrijkte uitspraak

Conclusie

na
Nr. 78.765 U
Zitting 14 mei 1985

Mr. Remmelink.
Conclusie inzake:
[de opgeëiste persoon]


Edelhoogachtbare Heren,

In deze zaak waarin de Rechtbank de vervolgingsuitlevering van requirant aan de VS op grond van het Uitleveringsverdrag Nederland-VS, Trb. 1980 no. 111 (i.w.tr. 15 september 1983) toelaatbaar heeft geoordeeld terzake van (kort gezegd) ontucht met personen beneden de leeftijd van 16 jaar, tegen welke uitspraak hij zich van beroep in cassatie heeft voorzien, is namens hem één middel van cassatie voorgesteld waarin hij erover klaagt dat de Rechtbank zijn beroep op ontoelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering (omdat hij in de VS zou worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing, zijn privéleven niet zou worden eerbiedigd en vanwege zijn geaardheid gediscrimineerd zou worden zodat de uitlevering met de artt. 3, 8 en 14 van voormeld verdrag in strijd zou zijn) zou hebben verworpen op ongenoegzame gronden. De Rechtbank heeft gesteld dat niet aannemelijk is geworden, dat requirant zou worden vervolgd en gestraft voor iets anders dan de handelingen die hem worden verweten blijkens het verzoek tot uitlevering, terwijl requirant door een vroegere veroordeling voor soortgelijke feiten de strafbaarheid daarvan met inbegrip van de daarop bedreigde straf kende. Met name acht de Rechtbank het niet aannemelijk, dat hij zal worden vervolgd alleen op grond van zijn eventueel behoren tot die groep van de Amerikaanse bevolking in de zin van art. 14 EVRM die de door hem gemanifesteerde sexuele hier relevante sexuele geaardheid heeft, noch acht de Rechtbank het aannemelijk dat de eventueel op te leggen straffen daar zullen worden geëxecuteerd op een wijze strijdig met voormeld art. 3.
Het komt mij voor, dat deze motivering voldoende is. Meer kan een rechter, wil hij in strijd met het aan het instituut uitlevering ten grondslag liggende vertrouwensbeginsel niet een waardeoordeel uitspreken over het rechtsstatelijk karakter van de andere staat, er ook niet van maken. Het zal Uw Raad bekend zijn, dat ik anders dan blijkbaar Uw Raad (HR 27 maart 1984, NJ 1984, no. 611 met noot van Van Veen) van mening ben, dat de rechter zich voor de beantwoording van de in art. 28 UW gestelde vraag: is uitlevering al of niet toelaatbaar? zou dienen te beperken tot het betrokken uitleveringsverdrag. Het systeem van de UW wijst er op, dat dit ook de bedoeling is. Zo worden o.m. vragen omtrent ontoelaatbare persecutie in art. 10 UW ter beantwoording overgelaten aan de Minister. De vragen waarmee wij hier te maken hebben, en die ik op zich zelf ook voor uitlevering relevant acht, liggen wezenlijk op hetzelfde vlak. Een Minister heeft ook de mogelijkheid eventueel via zijn collega van Buitenlandse Zaken met de andere staat tot "intern" overleg te komen, kan bepaalde garanties vragen, kan door de ambassade een nader onderzoek laten instellen, allemaal zaken die de macht van een rechter te boven gaan. Afgezien daarvan zijn er ook nog andere bezwaren tegen inschakeling van de rechter, meer liggend op volkenrechtelijk gebied. Vgl. hierover Strijards, DD 1985, p. 103. Volledigheidshalve merk ik op, dat ook in mijn voorstelling deze bezwaren wel op de zitting naar voren kunnen worden gebracht, zodat de rechter daarop in zijn advies aan de Minister de aandacht kan vestigen. Vgl. art. 30 lid 2 UW.
Het middel niet aannemelijk achtend concludeer ik tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,