Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:1985:AC9146

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
17-12-1985
Datum publicatie
19-11-2019
Zaaknummer
78736
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1985:AC9146
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Schuldheling door van 2 onbekende mensen caravan (zonder papieren) te kopen, art. 417bis.1.a Sr. 1. Uitleg tll. Heeft Hof grondslag tll. verlaten door “aanmerkelijke” tussen haken te plaatsen? 2. Heeft Hof verwaarlozing van geboden voorzichtigheid t.a.v. herkomst van caravan uit b.m. kunnen afleiden? 3. Strafmotivering, art. 359.6 Sv. Had Hof moeten motiveren waarom het gevangenisstraf i.p.v. hechtenis heeft opgelegd?

Ad 1. Hof heeft tll., v.zv. inhoudende ‘’met grove, althans (aanmerkelijke) verwaarlozing van de ten deze geboden voorzichtigheid’’, klaarblijkelijk opgevat - gelijk het die zinsnede ook heeft kunnen opvatten - in die zin dat verdachte verweten wordt gehandeld te hebben met grove verwaarlozing, althans aanmerkelijke verwaarlozing, althans verwaarlozing van te dezen geboden voorzichtigheid. Aldus opgevat voldoet opgave van feit aan eis van art. 261 Sv. Bestanddeel ‘’schuld’’ in art. 417bis Sr ziet op grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Mate van onvoorzichtigheid t.a.v. herkomst van caravan en daarmede van schuld is voldoende tot uitdrukking gebracht in tll. ook v.zv. daarin verdachte verweten wordt gehandeld te hebben met ‘’verwaarlozing van de ten deze geboden voorzichtigheid’’. Hieruit volgt dat Hof bij zijn beraadslaging en beslissing grondslag van tll. niet heeft verlaten.

Ad 2. Hof heeft tlgd. verwaarlozing van te dezen geboden voorzichtigheid t.a.v. herkomst van caravan kunnen afleiden uit b.m., i.h.b. uit verklaring van verdachte ttz. in h.b., v.zv. inhoudende dat 2 hem onbekende zigeuners hem caravan te koop aanboden, dat hij gezegd heeft die caravan niet te willen kopen als er geen geldige papieren bij waren en dat hij die caravan heeft gekocht, hoewel er geen papieren (zoals registratiebewijs) bij waren. Hieraan vermag hetgeen verdachte volgens middel voorts nog ttz. in h.b. heeft verklaard niet af te doen.

Ad 3. HR: Middel faalt op in CAG daarvoor aangegeven gronden. CAG: Art. 359.6 Sv schrijft voor dat bij oplegging van straf die vrijheidsbeneming medebrengt vonnis i.h.b. redenen opgeeft die tot keuze van deze strafsoort hebben geleid. Wetgever stelt hier tegenover elkaar vrijheidsbenemende sancties (gevangenisstraf, hechtenis, arrest, tuchtschool en tbr) enerzijds en ‘’een lichtere strafsoort, zoals een geldboete, in voorkomende gevallen ook verbeurdverklaring in plaats van hoofdstraf, of berisping’’. Het gaat om keuze tussen vrijheidsstraf of vermogenssanctie. Geen rechtsregel gebiedt rechter zijn keuze uit 2 op feit gestelde vrijheidsbenemende hoofdstraffen nader te motiveren.

Volgt verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 1986, 428
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 78.736

Zitting 5 november 1985

Mr. Meijers.

Conclusie inzake:

[verdachte]

Edelhoogachtbare Heren,

Het in cassatie bestreden arrest is dat van 5 november 1984, gewezen door het gerechtshof te Amsterdam (niet Arnhem, zoals de schriftuur vermeldt), waarbij verzoeker terzake van schuldheling werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden (met aftrek).

Het eerste middel klaagt erover dat het hof de telastelegging ten onrechte niet nietig heeft verklaard wegens onduidelijkheid, nu in de telastelegging het woord ‘’aanmerkelijke’’ (adjectief bij verwaarlozing) tussen haken is geplaatst.

Een waarde-oordeel als ‘’aan zijn schuld te wijten is’’ in art. 417 bis Sr. behoeft een nadere feitelijke uitleg in de telastelegging, wil deze aan de verdachte duidelijk maken tegen welk verwijt hij zich moet verdedigen. Dààrop en niet op de omstandigheid dat de mate van schuld niet voldoende zou zijn uitgedrukt is in de zaak, die tot HR 8 december 1959, NJ 1960, 70 leidde, de telastelegging gevallen. De vraag die bij een kennelijk op art. 417 bis Sr. geënte telastelegging aan de orde is, is dan ook of in de telastelegging de wettelijk geëiste merkelijke schuld voldoende feitelijk is omschreven. Verg. ook BVAR in zijn noot in NJ 1960, 70.

Dat in casu de feitelijke omschrijving voldoende is, lijdt naar mijn mening geen twijfel: aan verzoeker is verweten dat hij bij het kopen van een caravan de in de gegeven omstandigheden geboden voorzichtigheid uit het oog heeft verloren.

Uit het bovenstaande volgt dat, anders dan het eerste middel in een subsidiair onderdeel stelt, het hof bij zijn beraadslaging en bewezenverklaring de grondslag van de telastelegging niet heeft verlaten.

Het middel faalt.

Het tweede middel verwijst naar de in hoger beroep overgelegde pleitnota, die ik evenwel niet bij de gedingstukken heb aangetroffen. Gaat men echter, hetgeen mij alleszins redelijk voorkomt, ervan uit dat verzoekers raadsman o.m. heeft aangevoerd wat in het middel is weergegeven, dan moet worden vastgesteld dat dit ‘’verweer’’ zijn weerlegging heeft gevonden in de door het hof gebezigde bewijsmiddelen. Verzoeker kocht, zoals uit zijn als bewijsmiddel gebruikte verklaring in hoger beroep blijkt, een caravan van twee hem onbekende mensen, ‘’hoewel er geen papieren, zoals een registratiebewijs, bij waren ()’’. Hiermee is de verwaarlozing van de ten deze geboden voorzichtigheid vastgesteld. Daargelaten dat het hof over de prijs, die verzoeker betaalde, niets heeft vastgesteld, verandert de mededeling over de prijs niets aan verzoekers schuld.

Het middel kan niet tot cassatie leiden.

Het derde middel bevat de stelling dat het hof nader had moeten aangeven waarom het van de in art. 417 bis Sr. bedreigde vrijheidsstraffen — gevangenis en hechtenis — de gevangenisstraf koos.

Art. 359, lid 6 Sv. schrijft, voor zover hier van belang, voor dat bij de oplegging van een straf die vrijheidsbeneming medebrengt het vonnis in het bijzonder de redenen opgeeft die tot de keuze van deze strafsoort hebben geleid.

De wetgever stelt hier tegenover elkaar de vrijheidsbenemende sancties (gevangenisstraf, hechtenis, arrest, tuchtschool en tbr) enerzijds en (ik citeer nu de memorie van toelichting bij art. 359, 15012, nr. 3, zitting 1977–1978, blz. 54) ‘’een lichtere strafsoort, zoals een geldboete, in voorkomende gevallen ook verbeurdverklaring in plaats van hoofdstraf, of berisping’’. Het gaat, zoals in de memorie van antwoord (Eerste Kamer), blz. 2 wordt gezegd, om de keuze tussen een vrijheidsstraf of een vermogenssanctie. Geen rechtsregel gebiedt de rechter zijn keuze uit twee op een feit gestelde vrijheidsbenemende hoofdstraffen nader te motiveren.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,