Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:1982:AC7816

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
19-10-1982
Datum publicatie
22-04-2020
Zaaknummer
1318B
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1982:AC7816
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Onttrekking aan het verkeer van dubbelloops jachtgeweer, art. 36a Sr. 1. Ontvankelijkheid cassatieberoep. 2. Verzuim p-v op te maken van onderzoek in raadkamer, art. 25 Sv.

Ad 1. HR ambtshalve: Tegen beschikking a.b.i. art. 36a Sr staat ex art. 445 Sv voor belanghebbende geen beroep in cassatie open, nu dit rechtsmiddel hem niet bij dat wetboek wordt toegekend. Wel is in art. 552b.1 Sv voor belanghebbende mogelijkheid in het leven geroepen zich schriftelijk te beklagen en wel (blijkens art. 552b.2 Sv) bij gerecht dat in hoogste feitelijke aanleg beslissing heeft genomen. Aangenomen moet worden dat betrokkene in zoverre tegen beschikking heeft willen opkomen op wijze welke volgens wet mogelijk was. Mitsdien houdt HR het ervoor dat betrokkene zich tegen beschikking Rb, v.zv. deze betrekking heeft op onttrekking aan het verkeer van jachtgeweer, schriftelijk heeft willen beklagen. HR vindt hierin aanleiding om namens hem ter griffie van Rb afgelegde verklaring in zoverre dienovereenkomstig te verstaan. Voorgaande brengt met zich mee dat zaak op dit klaagschrift overeenkomstig art. 552b Sv door Rb zal dienen te worden behandeld en afgedaan tenzij klaagschrift voor die behandeling zou worden ingetrokken. Derhalve moeten stukken van geding ter fine van deze behandeling in zoverre ter afdoening worden gezonden aan Griffier Rb.

Ad 2. HR ambtshalve: Ex art. 25.1 Sv moet van onderzoek in raadkamer door griffier p-v worden opgemaakt, behelzende zakelijke inhoud van afgelegde verklaringen en voorts hetgeen verder bij dat onderzoek is voorgevallen. Dit artikel bevat tevens voorschriften t.a.v. wijze waarop p-v behoort te worden ingericht, vastgesteld, ondertekend en bij processtukken wordt gevoegd. Aangezien p-v van onderzoek in raadkamer niet bij processtukken is aangetroffen, moet worden aangenomen dat opmaken daarvan is verzuimd. Dit verzuim heeft betrekking op zo wezenlijke grondslag van procedure in raadkamer, dat het nietigheid van onderzoek moet medebrengen, ook al is deze niet met zoveel woorden in wet bedreigd. Mitsdien kan beschikking v.zv. deze betrekking heeft op ongegrondverklaring van beklag tegen inbeslagneming van in die beschikking omschreven jachtgeweer niet in stand blijven. Aangezien beoordeling van beklag tegen inbeslagneming van jachtgeweer systematisch vooraf behoort te gaan aan beoordeling van onttrekking aan het verkeer van dat jachtgeweer, brengt goede procesorde mede, dat aan hetgeen hiervoor is beslist uitvoering zal worden gegeven na afloop van berechting van beklag tegen inbeslagneming. Volgt (partiële) vernietiging en verwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 1983, 469
Verrijkte uitspraak

Conclusie

JL

Nr. 1318

Rekest

Parket, 19 oktober 1982

Mr. Leijten

Conclusie inzake:

[rekwirant]

Edelhoogachtbare Heren,

1.1 Rekwirant heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank te Arnhem van 20 augustus 1982 waarbij

(a) een dubbelloops jachtgeweer, kaliber 16, geen merk, geen nummer aan het verkeer onttrokken is verklaard;

(b) het beklag van rekwirant tegen de inbeslagneming van dat jachtgeweer ongegrond is verklaard.

Door of namens rekwirant zijn geen middelen van cassatie voorgesteld. Er is echter met deze beschikking een en ander aan de hand, dat ambtshalve aandacht verdient.

1.2 Ik begin met de feiten van vóór het cassatieberoep: Op 7 maart 1981 werden onder rekwirant twee dubbelloopsjachtgeweren, waarvan hij eigenaar was, in beslaggenomen. Eén daarvan is intussen aan rekwirant teruggegeven en dat geweer laat ik dus letterlijk en figuurlijk dáár. Uit een brief van de officier van justitie bij de rechtbank te Arnhem aan het ministerie van justitie, gedateerd 10 november 1981, blijkt, dat de eerste toen had besloten ‘’de desbetreffende strafzaak te seponeren in verband met de mijns inziens geringe strafwaardigheid (van) het feit’’. Op 21 mei 1982 diende rekwirant ter griffie van de rechtbank een bezwaarschrift in tegen de inbeslagneming van het jachtgeweer en op 24 mei 1982 werd de akte inlevering bezwaarschrift opgemaakt. Op 1 juli 1982 vond een verhoor in raadkamer plaats, waar rekwirant is verschenen. Daarna schorste de voorzitter op verzoek van de officier van justitie het onderzoek tot 29 juli 1982 om deze in de gelegenheid te stellen een vordering onttrekking aan het verkeer van dat jachtgeweer in te dienen, waaromtrent gelijktijdig met het beklag beslist zou kunnen worden. Die vordering is op 13 juli 1982 ingediend en zoals uit het gestelde onder 1.1 blijkt is op beklag en vordering gelijktijdig beslist.

1.3 Bij systematische benadering moet eerst de vraag worden beantwoord of het cassatieberoep ontvankelijk is.

Wat betreft de beslissing vermeld onder b van 1.1 luidt het antwoord bevestigend.

Maar tegen een beslissing opgenomen in een afzonderlijke beschikking als bedoeld bij art. 36a Sr. — en daarvan is hier sprake — staat ingevolge art. 445 Sv. voor de belanghebbende geen hogere voorziening open, óók geen beroep in cassatie. (HR 11 september 1979, NJ 1980, 9). Wèl staat als vermeld beroep in cassatie open tegen de beschikking op het beklag over de inbeslagneming. Daarom is de voeging van de beslissing op beklag en vordering in één beschikking een minder gelukkige zaak, te meer nu de beschikking de indruk wekt, dat uit de ongegrondverklaring van het beklag de toewijzing van de vordering automatisch voortvloeit (aan dit laatste is geen zelfstandige overweging gewijd), wat m.i. niet het geval is.

1.4 Staat tegen de afzonderlijke beschikking, houdende onttrekking aan het verkeer van een voorwerp, geen beroep in cassatie open, de belanghebbende, die niet tevens de veroordeelde is, kan zich tegen zo'n beschikking wel beklagen bij de instantie (in dit geval: de rechtbank) die haar in hoogste feitelijke aanleg heeft gegeven. Dat moet gebeuren binnen drie maanden nadat de beslissing uitvoerbaar is geworden (en dat is zij geworden op de dag van uitgifte: 20 augustus 1982).

1.5 Een op het eerste gezicht wat vreemde situatie. De rechtbank heeft zojuist beslist, dat het geweer aan het verkeer onttrokken moet worden verklaard en nu moet zij weer het beklag tegen haar eigen beslissing behandelen. Men realisere zich dat dit niet het normale patroon is, dat artikel 552b Sv. op het oog heeft. Het normale patroon is: A wordt bij vonnis veroordeeld tot straf en tevens wordt een voorwerp aan het verkeer onttrokken verklaard. Nu kunnen anderen dan A — bijvoorbeeld de eigenaar van het voorwerp — zich over die onttrokkenverklaring beklagen, want gaat dat wel door, dan is hij zijn voorwerp kwijt, omdat veroordeelde met behulp daarvan het feit heeft begaan. Art. 552b Sv. werkt in dit basis-patroon heel redelijk. De rechtbank moet de zaak nu nog eens vanuit de optiek van de belanghebbende — niet veroordeelde bekijken. Kan de zaak wellicht toch wel aan die eigenaar, wiens belangen tot nu toe niet aan de orde zijn gekomen, worden teruggegeven?

1.6 Bij de afzonderlijke beschikking van art. 36a Sr. is er geen veroordeelde. Als ik het theoretisch onjuist, maar naar ik meen wel duidelijk mag zeggen: daardoor wordt degene, die anders de (strafrechtelijk) veroordeelde zou zijn, óók een belanghebbende — niet — veroordeelde. Men kan erover twisten of dat volslagen voor de hand ligt, nu deze belanghebbende op de vordering in de gelegenheid was zich te doen horen, maar het is wel de bedoeling geweest van de wetgever (Melai, art. 552b onder 2, M.v.Toelichting, bijl. hand. II, 1954/55, kamerstuk 4034, p. 13).

Een duidelijk voordeel heeft intussen aanvaarding van de consekwentie wel: dat langs deze tussenweg voor iemand als rekwirant de mogelijkheid openstaat de onttrekking aan het verkeer in cassatie te laten toetsen. Want de beslissing van de rechtbank op het beklag is daarvoor wèl vatbaar (art. 552b in verband met artikel 552d Sv.).

1.7 Uit HR 1980, 9 volgt óók, dat wanneer een belanghebbende beroep in cassatie instelt tegen een afzonderlijke beschikking houdende onttrokkenverklaring aan het verkeer, het er voor gehouden moet worden dat hij tegen de beschikking een klaagschrift heeft willen indienen.

Is dat in dit geval óók redelijk?

Daartoe dienen we na te gaan, wat er gebeurt als het cassatieberoep niet wordt opgevat als een klaagschrift. Dan zit er niets anders op dan rekwirant niet ontvankelijk te verklaren in zijn cassatieberoep tegen de onttrokkenverklaring. Als die beslissing rekwirant of zijn raadsman nu maar op of voor 20 november 1982 ter ore komt kan hij nog binnen de drie maanden termijn een beklag indienen. Maar als dat niet het geval is wordt de onttrokkenverklaring onherroepelijk, is er niets meer aan te doen en ik zie niet hoe dan nog het cassatieberoep tegen de inbeslagneming van het geweer, dat uiteraard ten doel heeft dat de rechter de teruggave van het geweer aan rekwirant zal gelasten, enig effect zou kunnen sorteren.

1.8 Wat betreft het cassatieberoep tegen de onttrokkenverklaring aan het verkeer strekt mijn conclusie er daarom toe, dat de Hoge Raad zal verstaan, dat rekwirant zich schriftelijk heeft beklaagd over de onttrekking van het onderhavige geweer aan het verkeer en zal bepalen dat de stukken van het geding te dien einde zullen worden gezonden aan de griffie van de rechtbank te Arnhem.

2.1 Inzake het door rekwirant ingestelde beklag tegen de inbeslagneming dient het cassatieberoep wèl behandeld te worden.

Dáár is het probleem, dat, zoals uit de beschikking van 20 augustus 1982 blijkt aan dit klaagschrift raadkamerzittingen zijn gewijd op 1 juli 1982 èn op 29 juli 1982, terwijl zich bij de stukken géén proces-verbaal van het op 29 juli 1982 verhandelde bevindt.

Informatie ter griffie van de rechtbank te Arnhem leverde geen ander resultaat op dan dat in het daar aangehouden gronddossier zich evenmin een proces-verbaal van raadkamerverhoor d.d. 29 juli 1982 bevond.

Het moet er dus voor worden gehouden dat dit proces-verbaal niet is opgemaakt.

2.2 De behandeling van het beklag tegen inbeslagneming is onderworpen aan de bepalingen betreffende de ‘’behandeling door de raadkamer’’, van artt. 21-26 Sv. Zie Vellinga-Schootstra, diss. 1982, blz. 244, nr. 17.5.

Volgens constante jurisprudentie van Uw Raad brengt het niet opmaken van een proces-verbaal van het onderzoek ter raadkamer nietigheid van dit onderzoek mede, daar het hier een substantiëel voorschrift betreft. (HR 10 juni 1958, NJ 1959, 38; HR 10 juni 1969, NJ 1969, 416 en HR 3 juni 1975, NJ 1975, 487).

2.3 Ik heb mij afgevraagd of in dit geval ter zake van het beklag tegen de inbeslagneming niet kan worden volstaan met het proces-verbaal van 1 juli 1982, omdat tóén dàt beklag reeds geheel behandeld is.

Er zijn twee redenen waarom dat m.i. niet aanvaardbaar is: Allereerst blijkt uit de beschikking van 20 augustus 1982 dat op 29 juli 1982 ook het klaagschrift opnieuw is behandeld en voorts heeft alleen de voorzitter van de raadkamer die op 1 juli 1982 zitting had, de beschikking van 20 augustus 1982 mee gewezen. Wellicht is er bij de aanvang van het verhoor op 29 juli 1982 wegens de gewijzigde samenstelling van de raadkamer een geheel nieuwe behandeling ook van het beklag tegen de inbeslagneming gelast en gehouden. Dat zou onder meer moeten blijken uit het proces-verbaal, dat er niet is.

2.4 Wat betreft het cassatieberoep tegen de beschikking voorzover daarbij het beklag tegen de inbeslagneming ongegrond is verklaard, strekt mijn conclusie ertoe, dat de beschikking zal worden vernietigd en dat de zaak zal verwezen worden naar het gerechtshof te Arnhem teneinde op het bestaande klaagschrift opnieuw te worden berecht en afgedaan.

3. Voor mijn eindconclusie verwijs ik naar het gestelde onder 1.8 en 2.4 van dit geschrift.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,