Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:1980:AC6985

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
24-06-1980
Datum publicatie
21-12-2021
Zaaknummer
71.735
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1980:AC6985
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 1981, 15
Verrijkte uitspraak

Conclusie

CW.

Nr. 71.735

Zitting 24 juni 1980

Mr. Mok

Conclusie inzake:

[verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

Tegen het arrest van het gerechtshof te Amsterdam, waarbij requirant wegens opzettelijk handelen in strijd met het in art. 3 onder D van de Opiumwet gegeven verbod tot zes maanden gevangenisstraf is veroordeeld, is één cassatiemiddel aangevoerd. Dit houdt in dat het bewezenverklaarde niet uit de bewijsmiddelen kon worden afgeleid, in het bijzonder omdat van enige beschikkings- of beheersbevoegdheid van requirant ten aanzien van door hem in een auto vervoerde goederen (hashish in een grotere hoeveelheid dan 30 gram) niet is gebleken.

‘’Aanwezig hebben’’ in de zin van de artt. 2 en 3 van de Opiumwet lijkt mij een kleurloos begrip, waaraan geen eisen van beschikkings-of beheersbevoegdheid behoeven te worden gesteld (vgl. c.o.m. bij HR 10 juni 1975, NJ 1975, 465). Men kan de steller van het middel echter toegeven dat er enig verschil moet zijn met het in beide artikelen afzonderlijk genoemde vervoeren. Wanneer echter niet op grond van een duidelijke vervoersovereenkomst wordt vervoerd (i.c. heeft requirant, naar zijn zeggen, in opdracht van een ander ‘’een vrachtje opgehaald’’) kan zowel van vervoeren als van aanwezig hebben sprake zijn. Bij de verboden van art. 3 van de Opiumwet is de strafbedreiging wegens vervoeren en aanwezig hebben overigens dezelfde. Aangezien in deze zaak ook het vervoeren te laste is gelegd, maakt de vraag of van het een dan wel van het ander sprake is alleen iets uit voor de kwalificatie van het bewezen verklaarde.

Het middel klaagt er tevens over dat uit de bewijsmiddelen van opzettelijk handelen niet blijkt.

Het hof heeft een aantal bewijsmiddelen gehanteerd, t.w. enkele ambtsedige processen-verbaal, een deskundigen-rapport en een verklaring van verdachte ter terechtzitting. In die bewijsmiddelen, zoals zij in het bestreden arrest zijn weergegeven, is naar het mij voorkomt onvoldoende steun te vinden voor het element opzet, als bedoeld in art. 11, lid 2, van de Opiumwet. Uit het feit dat in de kofferruimte van de auto briefjes zijn gevonden, waarop de vingerafdrukken van verdachte zijn aangetroffen kan geen aanwijzing voor opzet worden gezien, aangezien niet is gebleken van verband tussen deze briefjes en de hasjisj.

In zoverre treft het middel derhalve doel.

Voorts vestig ik uw aandacht op de strafmotivering. Requirant is in eerste aanleg veroordeeld tot drie maanden voorwaardelijke gevangenisstraf en ƒ 5.000,-- boete, in hoger beroep tot zes maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf (met aftrek). Nu is de zwaarte van deze straffen niet zo eenvoudig te vergelijken door de ongelijksoortigheid en ook doordat de zwaarte van de in eerste instantie opgelegde (vrij forse) boete mede afhangt van de draagkracht van de veroordeelde. Toch zou ik menen dat zes maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf als algemene regel als een aanzienlijk zwaardere straf moet worden gezien dan drie maanden voorwaardelijke gevangenisstraf plus ƒ 5.000,-- boete.

Onder die omstandigheden, ook mede in aanmerking genomen de wettelijke vrijheidsstrafbedreiging van twee jaar, had het Hof naar mijn mening niet, zoals het heeft gedaan, mogen volstaan met een standaardmotivering.

Gezien de bovenstaande overwegingen concludeer ik tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar een aangrenzend gerechtshof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,