Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:1980:AC6817

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-01-1980
Datum publicatie
28-06-2017
Zaaknummer
71130
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1980:AC6817
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Opzetheling (art. 416.1.b Sr) en voorhanden hebben vuurwapen en munitie (art. 3 Vuurwapenwet 1919). Eendaadse samenloop, art. 55.1 Sr? Bewezen verklaarde gedragingen kunnen nooit één feit ex art. 55.1 Sr opleveren dan wel als voortgezette handeling a.b.i. art. 56 Sr worden aangemerkt, aangezien strekking van art. 416 Sr een geheel andere is dan die van art. 3 jo. 12 Vuurwapenwet 1919. HR ambtshalve: verbetering kwalificatie (“heling, meermalen gepleegd”).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 1980, 384

Conclusie

Mr. Remmelink,

Nr. 71.130

Zitting 8 januari 1980

Conclusie inzake:

[verdachte]

Edelhoogachtbare Heren,

In deze zaak waarin het Hof, net aanvulling en wijziging, en overigens met overneming, van gronden bevestigend het vonnis van de Politierechter veroordeeld terzake van (l) heling: requirent zou opzettelijk hebben gekocht en opzettelijk uit winstbejag hebben bewaard of verborgen: twee geweren enz., die door misdrijf waren verkregen; (2) Overtreding van een voorschrift vastgesteld bij of krachtens art. 3 Vw. meermalen gepleegd: requirant zou twee vuurwapens enz. voorhanden hebben gehad, tot een gevangenisstraf voor de tijd van vijf maanden met verbeurdverklaring enz. tegen welk arrest hij zich van beroep in cassatie heeft voorzien, is één middel in cassatie voorgesteld.

Onder A van dit middel stelt requirant, dat het Hof ten onrechte het verweer van de raadsman van requirant zou hebben verworpen, dat hier één feit in de zin van art. 55 lid 1 Sr. zou moeten worden genomen. De motivering van het Hof dienaangaande zou onduidelijk zijn enz. Het komt mij voor, dat de strekking van de betrokken bepalingen (art. 417 bis is een vermogensdelict, terwijl art. 3 Vw-wet slechts de openbare orde betreft zodanig verschilt, dat beider gelijktijdige schending ook al geschiedt het met dezelfde goederen nooit gezien kan worden als één feit in de zin van art. 55 lid 1 Sr. Het strafrechtelijk verwijt is duidelijk van te ongelijksoortige aard. Vgl. in dit verband HR 25 maart 1973, NJ 1975, no. 296, weliswaar betrekking hebbend op art. 68 Sr., doch dat a fortiori op de onderhavige rechtsfiguur van toepassing kan worden geacht. Of de "wegdenkredenering" van het Hof, die mij persoonlijk ook niet zo ligt, juist is, kan in deze opvatting buiten beschouwing blijven, nu vaststaat, dat 's Hofs beslissing in elk geval juist was. Bij dit alles heb ik nog buiten beschouwing gelaten, dat ook de natuurlijke handelingen niet dezelfde waren: In het eerste geval gaat het behalve om "voorhanden hebben" (dwz. om bewaren of verbergen) nl. ook nog om kopen, waarvan in het tweede geval geen sprake is.

Het ligt voor de hand, dat in deze opvatting ook onderdeel 3 van het middel, waarin wordt betoogd, dat het Hof niet behoorlijk zou hebben uiteengezet, waarom hier niet van een voortgezette handeling in de zin van art. 56 Sr. gesproken zou kunnen worden, eveneens niet tot cassatie kan leiden. Ook hier verzet zich de zoëven genoemde ongelijksoortigheid.

Het middel faalt derhalve. Na nog opgemerkt te hebben, dat de rechters kennelijk abusievelijk hebben vergeten te vermelden, dat niet alleen de Vw-overtreding, maar ook de heling meermalen werd gepleegd (Uw Raad zou dat eventueel nog kunnen corrigeren), concludeer ik tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,