Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:1980:AB7502

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
01-02-1980
Datum publicatie
01-11-2021
Zaaknummer
11.479
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1980:AB7502
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Overdracht van auto door de eigenaar die het bezit als gevolg van diefstal heeft verloren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 1981, 140 met annotatie van W.M. Kleijn
VR 1980, 37
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Na.

Nr. 11.479

Zitting 14 december 1979

Mr. Berger.

Conclusie inzake:

Tiel-Utrecht / [eiser]

Edelhoogachtbare Heren,

In juni 1973 is aan een zekere [betrokkene 1] ontstolen een hem in eigendom toebehorende auto, merk Fiat, type 128 Rally, welke auto [betrokkene 1] o.m. tegen het risico van diefstal bij eiseres tot cassatie (Tiel-Utrecht) had verzekerd. Tiel-Utrecht heeft ingevolge die verzekering aan [betrokkene 1] de som van f 9.262,46 uitgekeerd. Verweerder in cassatie ( [eiser] ) heeft op 12 augustus 1974 voormelde auto te goeder trouw gekocht van een autohandelaar voor f 5.800,--. Op 25 september 1975 heeft Tiel-Utrecht deze auto onder [eiser] in revindicatoir beslag doen nemen en heeft vervolgens in dit geding van [eiser] de afgifte van de auto gevorderd en daarnevens de waardeverklaring van het gelegde beslag c.a..

De Rechtbank heeft deze vorderingen toegewezen. Het Hof heeft bij het bestreden arrest het vonnis van de Rechtbank vernietigd en de vorderingen van Tiel-Utrecht afgewezen.

De aan het onderhavig geding ten grondslag liggende casuspositie is welhaast identiek aan die, waarop HR 27 april 1979 R.W. 67 betrekking heeft. Het gaat hier evenals in laatstvermelde procedure om de vraag of de verzekeraar, die een verzekerde ter zake van een hem ontstolen auto schadeloos heeft gesteld, de auto kan opvorderen van hem, in wiens handen de verzekeraar de auto aantreft.

In gemeld arrest (ten aanzien waarvan verwezen zij naar Brahn ‘Een standaardarrest van de Hoge Raad over eigendom en revindicatie van gestolen roerende goederen’ in NJB 1979 bldz. 572 en Van der Grinten in A.A. jg. 28 (1979) bldz. 498) is in de eerste plaats overwogen:

‘’In geval de verzekeraar van een roerende zaak de schade die door diefstal daarvan is ontstaan, aan de verzekerde heeft vergoed, behoren tot de rechten welke deze ter zake van de schade tegen derden mocht hebben, bedoeld in artikel 284 van het Wetboek van Koophandel, noch de hem als eigenaar van de gestolen zaak toekomende revindicatie, noch de eigendom zelf van de zaak. Wat betreft de revindicatie is reeds beslissend dat zij niet van het eigendomsrecht tot welke bescherming zij dient, kan worden gescheiden. Wat betreft de eigendom zelf, deze kan niet worden aangemerkt als een recht ‘’ter zake van de schade’’ die door de verzekerde als gevolg van de diefstal werd geleden. Dit zou ook uit praktisch oogpunt niet wenselijk zijn. Of er behoefte bestaat aan eigendomsovergang van de gestolen zaak op de verzekeraar zal immers afhangen van de omstandigheden van het geval, zoals de aard van de gestolen zaak, de door de verzekerde al of niet reeds tot stand gebrachte vervanging daarvan en van het verhaal dat verzekeraar krachtens artikel 284 op anderen dan de bezitter van de gestolen zaak heeft genomen of zal kunnen nemen.’’

Naar aanleiding van deze overweging van Uw Raad heeft Tiel-Utrecht het eerste onderdeel van het middel van cassatie ingetrokken, omdat het in het licht van voorschreven overweging als kansloos was te beschouwen.

Anders is dit gelegen met betrekking tot het tweede onderdeel van het middel, luidende:

‘’Door Tiel-Utrecht was in ieder geval gesteld, dat zij het in artikel 2014 lid 2 BW bedoelde eigendomsrecht met betrekking tot voormelde auto heeft verworven doordat haar verzekerde [betrokkene 1] het kentekenbewijs en de autosleutels aan haar, Tiel-Utrecht, had afgegeven met de bedoeling dat op laatst genoemde even bedoeld recht van eigendom en het daarmede gepaard gaande opvorderingsrecht van de auto zou overgaan.

Ten onrechte heeft het Hof op de daartoe in het arrest vermelde gronden geoordeeld, dat deze rechten aldus niet op Tiel-Utrecht zijn overgegaan.’’

In het bestreden arrest heeft het Hof – voor zover hier van belang – overwogen:

‘’7. Voor eigendomsoverdracht van roerende lichamelijke zaken is levering vereist, welke – behoudens in geval de verkrijger de zaak reeds onder zich heeft – plaatsvindt doordien de eigenaar van de verkrijger het bezit van de zaak verschaft door overgave daarvan.

Wanneer de zaak aan de eigenaar is ontstolen, heeft deze daardoor feitelijk en rechtens het bezit verloren, zodat hij van die zaak niet meer aan een ander het bezit kan verschaffen en aldus de eigendom overdragen.

De omstandigheid dat de eigenaar van een auto, nadat deze hem is ontstolen, het kentekenbewijs en de autosleutels nog onder zich heeft, kan niets afdoen aan het feit dat die eigenaar het bezit van die auto heeft verloren, en het bezit daarvan bijgevolg niet meer aan een ander kan verschaffen. De wet kent wel gevallen waarin levering van een roerende zaak kan worden bewerkstelligd door overgifte van een andere roereerende zaak, maar voor zodanige levering is vereist dat de eigenaar het bezit heeft van de te leveren zaak.

8. Uit het vorenoverwogene volgt reeds dat onjuist is het oordeel der rechtbank dat in dit geval Tiel-Utrecht de eigendomsrechten van [betrokkene 1] heeft verworven doordat deze haar het kentekenbewijs en de autosleutels heeft overhandigd. Daarbij kan in het midden blijven of inderdaad [betrokkene 1] een en ander aan Tiel-Utreht heeft overhandigd en zulks dan met de bedoeling als door Tiel-Utrecht gesteld.’’

De onjuistheid van deze overwegingen en daarmede de gegrondheid van het tweede onderdeel van het middel volgt, naar het mij voorkomt, uit hetgeen Uw Raad in voormeld arrest — ten overvloede — nog heeft overwogen:

‘’Na verwijzing zal onder meer aan de orde kunnen komen de vraag of de eigendom van de auto op Zeven Provinciën is overgegaan krachtens overdracht. Dit is niet reeds uitgesloten op de enkele grond dat op het tijdstip van de overdracht de auto in het bezit van een derde was. De ‘’overgave’’ die krachtens artikel 667 van het Burgerlijk Wetboek voor overdracht van een roerende zaak is vereist, kan in dit geval immers tot stand komen door een overeenkomst tussen de vervreemder en de verkrijger, die tot overdracht strekt en de verkrijger in staat stelt zich jegens derden als eigenaar te legitimeren.’’

Ik acht mij niet gehouden in te gaan op de juridische problematiek, die in het onderhavig geding aan de orde is, nu zij uitvoerig is besproken door de A.G. Franx in zijn conclusie voorafgaande aan het arrest van 27 april 1979. Ik moge volstaan met naar deze conclusie te verwijzen alsmede naar de daarin aangehaalde litteratuur en rechtspraak.

Brahn schrijft (t.a.p.): ‘’Zeer duidelijk wijst de Hoge Raad hier in de richting, dat, wat er zij van het feit, dat de dief en wellicht na hem heler en/of verkrijger te goeder trouw burgerlijk bezitter van het gestolen goed zijn, de eigenaar niettemin in staat moet worden geacht aan een derde tenminste dat bezit te verschaffen, dat hem in staat stelt aanspraak te mogen maken op de voordelige positie, die de zg. processuele functie van art. 2014 verschaft.’’ Ik geloof evenwel dat de door Uw Raad bedoelde ‘’overgave’’ met enigerlei al dan niet symbolische bezitsverschaffing niet van doen heeft. Mogelijk is — aldus lees ik de betreffende overweging — de "overgave" in een geval als het onderhavige te bewerkstelligen door een overeenkomst tussen de vervreemder en de verkrijger, welke overeenkomst aan twee vereisten moet voldoen a) dat die overeenkomst tot overdracht strekt, b) dat zij de verkrijger in staat stelt zich jegens derden als eigenaar te legitimeren.

‘’Het ontwerp BW eist voor de levering van roerende lichamelijke zaken zonder bezitsovergang een daartoe bestemde akte. De Hoge Raad spreekt van een overeenkomst en stelt niet met zoveel woorden een vormvereiste voor de overeenkomst doch wel overweegt de Hoge Raad, dat de overeenkomst de verkrijger in staat moet stellen zich jegens derden als eigenaar te legitimeren. Ik zou dit aldus willen verstaan, dat een schriftelijk stuk moet worden opgemaakt dat de verkrijger tot legitimatie in staat stelt. Naar mijn mening behoeft niet noodzakelijk de overeenkomst zelf schriftelijk te zijn aangegaan; voldoende is een verklaring ondertekend door de overdragende partij, dat zij de zaak overdraagt aan de verkrijger. Bij deze interpretatie wordt aansluiting verkregen bij het ontwerp BW. (art. 3.4.2.7a, n.B). Er moet een akte zijn’’ (aldus: Van der Grinten t.a.p.).

Ook al zou worden aangenomen, dat de Hoge Raad bij zijn beslissing te dezen heeft geanticipeerd op het ontwerp BW (de naar aanleiding van het ingetrokken eerste onderdeel geciteerde overweging sluit in haar bewoordingen zelfs letterlijk aan bij art. 3.11.9 ontwerp BW), maar dit behoeft, naar mijn mening, niet te nopen tot de gevolgtrekking, dat de Hoge Raad heeft bedoeld, dat er in ieder geval en in alle omstandigheden een akte moet zijn, waaruit van de overeenkomst tot overdracht blijkt en welke akte als legitimatie moet kunnen dienen. M.i. zal voldoende zijn, dat de verkrijger de beschikking krijgt over een tastbaar bewijs van de eigendomsoverdracht. Als zodanig zouden mogelijk onder omstandigheden kùnnen gelden het kentekenbewijs en de sleutels van een gestolen auto. Nu daaromtrent in het onderhavig geding niets is vastgesteld, zal na vernietiging van het bestreden arrest verwijzing moeten volgen, opdat alsnog worde onderzocht of een aan de door de Hoge Raad gestelde vereisten beantwoordende overeenkomst tussen [betrokkene 1] en Tiel-Utrecht is tot stand gekomen.

Het derde en vierde onderdeel van het middel behoeven volgens mij geen behandeling meer. Ik zal er ten overvloede een korte opmerking aan wijden. Het derde onderdeel is m.i. ongegrond. Door de diefstal had [betrokkene 1] het bezit van de auto verloren. Door aankoop en levering had [eiser] dat bezit van die auto verkregen.

Weliswaar ‘’drukte’’ op dit bezit het vorderingsrecht van het tweede lid van art. 2014, maar dat in handen van [betrokkene 1] zijnde vorderingsrecht is niet een in zijn handen verbleven onderdeel van het bezit, maar een aan het door [eiser] verkregen bezit klevend gebrek. Het Hof behoefde derhalve naar dat in onderdeel 3 bedoelde ‘’bezit’’ geen onderzoek te doen, zodat ook het vierde onderdeel faalt.

Daar het tweede onderdeel van het middel gegrond is te bevinden, moge ik concluderen tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van het geding naar een ander Gerechtshof met de veroordeling van de verweerder in cassatie in de kosten op de voorziening gevallen.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,