Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:1970:AC5012

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
17-04-1970
Datum publicatie
08-09-2020
Zaaknummer
10.381
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1970:AC5012
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Misbruik van bevoegdheid. Garage gebouwd over de erfgrens. Vordering tot afbraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 1971, 89 met annotatie van Ph.A.N. Houwing
Verrijkte uitspraak

Conclusie

L.

Nr. 10381

Zitting 6 maart 1970.

Mr. Berger,

Conclusie inzake:

[eiser] / [verweerster] .

Edelhoogachtbare Heren,

In 1964 heeft eiser tot cassatie ( [eiser] ) op zijn perceel een garage gebouwd, welk bouwwerk zonder toestemming van verweerster in cassatie ( [verweerster] ) over de gehele diepte van 5½ à 6 m. ter breedte van ongeveer volgens [verweerster] 76 cm. en volgens [eiser] 65 à 70 cm. op het aangrenzend perceel van [verweerster] is gebouwd. In dit geding heeft [verweerster] de verwijdering gevorderd van dat gedeelte van de garage, hetwelk op haar perceel was gebouwd.

De Rechtbank heeft de vordering van [verweerster] afgewezen. Het Hof heeft bij het bestreden arrest het vonnis van de Rechtbank vernietigd en [eiser] op verbeurte van een dwangsom veroordeeld om dat gedeelte van zijn garage dat op het perceel van [verweerster] is gebouwd te verwijderen.

Het eerste middel van cassatie verwijt onder a het Hof, dat het in r.o. 7a van het bestreden arrest als vaststaand heeft aangenomen, dat [eiser] de bewuste garage heeft gebouwd op een ruim 70 centimeter brede strook, welke niet zijn maar [verweerster] 's eigendom was. Ik houd dit verwijt voor gegrond, omdat de vaststelling van het Hof, dat de betreffende strook ruim 70 cm. breed zou zijn onbegrijpelijk is in het licht van hetgeen [eiser] in dit geding met betrekking tot de breedte van die strook heeft aangevoerd en gesteld (H.R. 13 december 1968 N.J. 1969 no. 105 en H.R. 29 juni 1962 N.J. 1962 no. 357). Blijkens de stukken van het geding heeft [eiser] steeds volgehouden, dat de door zijn garage van het perceel van [verweerster] in beslaggenomen strook een breedte had van 65 à 70 cm. In het door het Hof vernietigde vonnis van de Rechtbank heeft de Rechtbank overwogen, dat tussen partijen ten processe vaststaat ‘’dat gedaagde in de loop van 1964 op zijn perceel een garage heeft gebouwd, welk bouwwerk over de gehele diepte van 5½ à 6 m. ter breedte van ongeveer volgens eiseres 76 cm. en volgens gedaagde 65 à 70 cm. is gebouwd op voormeld perceel van eiseres.’’ Bij memorie van grieven heeft [verweerster] gesteld: ‘’In 1964 heeft geïntimeerde op zijn perceel een garage gebouwd, waarbij hij in belangrijke mate (76 cm) de grens tussen de percelen van partijen heeft overschreden.’’ Daartegenover heeft [eiser] bij memorie van antwoord aangevoerd: ‘’Tenslotte betwist geïntimeerde nog, dat zijn garage voor 76 cm. over de grens is gebouwd. Omdat de grens tussen deze percelen scheef loopt, zal het 65 à 70 cm. zijn’’. Partijen hebben aldus met betrekking tot de breedte van de betreffende strook ieder steeds het van de ander afwijkend standpunt gehandhaafd, zodat de vaststelling van het Hof, dat de breedte van die meerbedoelde strook ruim 70 cm. was, haar grondslag niet kan vinden in de stukken van het geding. Niettemin vraag ik mij af of de betreffende misslag van het Hof tot vernietiging van het bestreden arrest moet leiden.

Ik meen van niet en wel hierom, omdat de beslissing van het Hof geen andere zou zijn geweest, indien het bij zijn overwegingen was uitgegaan van een geringere breedte van de bedoelde strook, een breedte als door [eiser] genoemd van 65 à 70 cm.. Immers de beslissing van het Hof berust niet op een vastgestelde grensoverschrijding van ruim 70 cm., maar op de omstandigheid, dat de grensoverschrijding niet onbelangrijk was, d.w.z. belangrijk groter dan hooguit 10 cm., waarvan partijen aanvankelijk waren uitgegaan, hetgeen, naar het mij voorkomt, evenzeer kan gelden, indien het Hof was uitgegaan van een grensoverschrijding, zoals die in het vonnis van de Rechtbank is aangegeven.

De maataanduiding, zoals door het Hof gegeven, is derhalve van geen invloed op de bestreden beslissing, zodat het onderdeel a van het eerste middel belang mist (Cour de Cassation 7 maart 1968, Bulletin 1968 no. 6, blz. 849).

Hoewel ik moet toegeven, dat r.o. 7b van het bestreden arrest niet geheel duidelijk is, meen ik toch, dat onderdeel b van het eerste middel de desbetreffende overweging van het Hof tevergeefs bestrijdt. Wanneer ik r.o. 7b lees in verband met de daaropvolgende r.o. 7c dan komt het mij voor, dat zij aldus moet worden begrepen, dat het Hof zich als uitgangspunt stelt, dat de omstandigheden, die ten processe gesteld zijn als samenhangend met en geleid hebbend tot de realisering van de in feite grensoverschrijdende bouw van [eiser] ' garage in beginsel niet ten nadele van [verweerster] in aanmerking moeten worden genomen, omdat het tenslotte [eiser] is geweest, die hier de rechtsinbreuk heeft gepleegd. Aldus acht ik de bestreden overweging voldoende begrijpelijk.

Ook onderdeel A van het tweede middel zal, naar het mij voorkomt, niet kunnen slagen.

Naar aanleiding van de in r.o. 8 onder a, b en d weergegeven weren van [eiser] , aangevoerd tegen de vordering tot amotie van de zijde van [verweerster] heeft het Hof in het bestreden arrest overwogen:

‘’Overwegende, dat het zijn van eigenaar voor de betrokkene meebrengt het bewuste object van iedere onrechtmatige houder op te vorderen en voor de toewijsbaarheid van die vordering van geen belang is, of die houder te goeder trouw was, toen hij handelingen ging plegen, die een aantasting van het eigendom van de gerechtigde pleegde;

dat laatstgenoemde bij bedoelde vordering, die immers strekt hem het volle genot van zijn zaak te doen erlangen, kan vorderen, dat de bewuste onrechtmatige houder van het betrokken object verwijdert al hetgeen hij op of aan die zaak heeft aangebracht en waarvan de aanwezigheid de eigenaar verhindert het volle genot van zijn zaak te trekken;

dat voor de toewijsbaarheid van genoemde bijkomende vordering geen van de sub a, b en d aangevoerde punten van belang is en mitsdien de genoemde weren moeten worden verworpen’’.

Mijns inziens zijn er wel bedenkingen aan te voeren tegen deze algemene formuleringen van het Hof, maar het zijn niet die, welke het tweede cassatiemiddel aan de orde stelt, weshalve ik daarop niet zal ingaan.

Vooropgesteld zij, dat het in deze zaak niet gaat om een gebruik van het eigendomsrecht, waardoor aan derden schade of hinder wordt veroorzaakt. De norm van artikel 1401 B.W. is hier niet in het geding. Dat in casu de regeling van de artt. 658 en 659 B.W. niet toepasselijk is, behoeft m.i. geen nader betoog. Het gaat hier uitsluitend om handhaving van het eigendomsrecht tegenover onrechtmatige inbreuk. Terecht stelt het Hof, naar mijn mening, dat aan de vordering tot handhaving van het eigendomsrecht niet kan worden tegengeworpen, dat de niet-gerechtigde inbreukmaker te goeder trouw is geweest. Dit vorderingsrecht van de eigenaar is niet afhankelijk van de al dan niet goede trouw van de bezetter. Zie: Recueil Dalloz Sirey — 1969 — jurisprudence blz. 654: ‘’Les juges ne sauraient donc refuser d'ordonner la démolition d'une construction empiêtant sur le terrain d'autrui sous le prétexte de la bonne foi du constructeur, alors que cet empiétement constitue une atteinte au droit de propriété (Civ. 1re, 10 juill. 1962, D. 1963. Somm. 38; Rev. trim. dr. civ. 1963, 121, obs. Bredin)’’;

Evenmin kan tegen een vordering tot wegneming van datgene wat zonder recht op het perceel van een ander is gericht, worden aangevoerd, dat de oprichter bereid is een schadeloosstelling te betalen. Aldus zou als het ware een tarief worden gesteld op het onrechtmatig in beslag nemen van andermans grond (Asser-Beekhuis II blz. 39).

Tenslotte is niet van belang, zoals het Hof in casu eveneens terecht heeft overwogen, dat bij amotie de schade aan de inbreukmaker berokkend onevenredig veel groter zou zijn dan de schade bij handhaving door de eigenaar te lijden. Hier kan geen sprake zijn van een misbruik van recht als [eiser] aan [verweerster] heeft verweten. Bij een vordering tot handhaving van het eigendomsrecht tegenover degene, die daarop onrechtmatig inbreuk gemaakt heeft, komt een afweging van de wederzijdse belangen niet in aanmerking. Het eigendomsrecht is in zoverre (nog steeds) absoluut, dat de eigenaar in beginsel daarop geen enkele inbreuk behoeft te dulden en de wegneming kan vorderen van hetgeen in strijd met zijn recht op zijn eigendom is aangebracht. Dit vorderingsrecht vindt zijn grond en zijn legalisatie in het recht van de eigendom zelve (zie: De Page V, 1952, blz. 822/823). Voorts moge ik hier verwijzen naar Gerbrandy in W.P.N.R. 4853, blz. 162 e.v. bij wiens t.a.p. weergegeven standpunt (verdedigd in afwijking van dat van Beekhuis in Asser-Beekhuis, Zakenrecht II) ik mij aansluit. Hieruit volgt anderzijds dat naar mijn mening niet gezegd kan worden, dat aan het vorderingsrecht van de eigenaar tot handhaving van zijn eigendom geen enkele grens zou gesteld zijn. Ook dit zal, evenals alle vorderingsrechten, zijn einde vinden, indien met de vervolging ervan geen enkel redelijk doel wordt beoogd.

Dat is de grens waarbuiten in casu van misbruik van recht kan worden gesproken (H.R. 15 juni 1928, N.J. 1928 blz. 1604 m.n. E.M.M.). Op het desbetreffend verweer van [eiser] heeft onderdeel B van het tweede middel betrekking. Tegenover de vordering van [verweerster] heeft [eiser] aangevoerd — door het Hof in r.o. 8 sub c vermeld —, dat [verweerster] met haar vordering geen enkel redelijk doel nastreefde. Hiertegen kan, gelet op hetgeen ik hoger gezegd heb, worden opgeworpen, dat dit redelijk doel van [verweerster] reeds is gelegen in het ongerept handhaven van het haar in eigendom toebehorend perceel, waarbij ik opmerk, dat door het bestreden arrest wordt bewezen, dat de gestelde inbreuk op de eigendom van [verweerster] bepaald niet als een futiliteit is te beschouwen. Reeds daarom zal dit onderdeel van het tweede middel niet kunnen slagen.

Het Hof heeft met betrekking tot bedoeld verweer van [eiser] overwogen: ‘’dat de onjuistheid van punt c reeds blijkt uit het door [verweerster] bij conclusie van repliek aangevoerde omtrent de vermindering van licht, hetwelk door [eiser] in geen der beide instanties op voldoende wijze is bestreden’’. Dit nu komt mij voor te zijn een feitelijke vaststelling van het Hof, waartoe het op grond van de inhoud van de stukken van het geding is kunnen komen, weshalve onderdeel B van het tweede middel zich daartegen vruchteloos met een motiveringsklacht richt. Ik merk hierbij aan, dat weliswaar [verweerster] met name van de onderschepping van zon door het bouwsel van [eiser] heeft gesproken, doch dat onder zon ook licht is begrepen.

In ieder geval heeft het Hof aldus feitelijk vastgesteld, dat [verweerster] althans enig redelijk doel met haar vordering nastreefde, met de vaststelling waarvan het Hof tegenover het tot [verweerster] gerichte verwijt van misbruik van recht kon volstaan.

Het derde middel tenslotte mist, naar mijn oordeel, feitelijke grondslag. In r.o.7c van het bestreden arrest ligt besloten het oordeel van het Hof, dat de vraag of [verweerster] in de grensoverschrijding door [eiser] tegen betaling van een schadeloosstelling zou hebben bewilligd alleen betrekking kan hebben gehad op een bouw van de litigieuze garage, die gepaard zou gaan met een onbelangrijke grensoverschrijding doch niet bij de veel grotere grensoverschrijding, zoals die in feite is gebleken, omdat deze laatste veel grotere grensoverschrijding geheel buiten de toenmalige voorstelling van partijen viel, hetgeen het Hof, blijkens de betreffende overweging, uit de dingtalen afleidt.

Met betrekking tot hetgeen in dit middel nog naar voren wordt gebracht over de wanverhouding tussen de eis tot verwijdering en het belang dat [verweerster] daarbij heeft meen ik te kunnen volstaan met verwijzing naar hetgeen hoger is gezegd.

Ik moge concluderen tot verwerping van het beroep met de veroordeling van de eiser tot cassatie in de kosten op de voorziening gevallen.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,