Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBBNAA:2012:BY4273

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Datum uitspraak
24-08-2012
Datum publicatie
27-11-2012
Zaaknummer
2010/46778
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aan belanghebbende is bij landsbesluit uit 1996 een <i>tax holiday</i> voor onder meer de winstbelasting verleend. De Raad is van oordeel dat het vrijstellingstijdvak van tien jaren aanvangt met het jaar ná dat van ingebruikstelling van de bedrijfsinrichting waarbij het jaar van ingebruikstelling eveneens in de vrijstelling deelt. Hij baseert dit op de wetsgeschiedenis van de Landsverordening ter bevordering van bedrijfs-vestiging en hotelbouw 1953 en de doelstelling van die verordening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Beschikking van 24 augustus 2012, nr. 2010/46778

DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN

zitting houdende in Aruba

inzake:

X gevestigd te Y, belanghebbende,

gemachtigde Z,

tegen

de Inspecteur der Belastingen.

1. Het procesverloop

1.1 Aan belanghebbende is op 30 november 2009 een voorlopige aanslag in de winstbelasting opgelegd voor het jaar 2008 naar een bedrag van Afl. aaa.

1.2 Belanghebbende is op 3 december 2009 tijdig in bezwaar gekomen tegen de aanslag. Bij uitspraak van 25 oktober 2010 heeft de Inspecteur de aanslag gehandhaafd.

1.3 Belanghebbende is op 2 december 2010 tijdig tegen deze uitspraak in beroep gekomen.

1.4 De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

1.5 Ter zitting van 27 maart 2012 te Oranjestad zijn verschenen de gemachtigde en, namens de Inspecteur, W.

2. De tussen partijen vaststaande feiten

Het volgende is op grond van de schriftelijke stukken en hetgeen ter zitting is gezegd, komen vast te staan. Het is tussen partijen niet in geschil of door één van de partijen gesteld en door de andere partij niet of onvoldoende tegengesproken.

2.1 Belanghebbende exploiteert een [hotel] op Aruba met de naam XYZ. Het [hotel] is in 1998 in gebruik genomen.

2.2 De Gouverneur van Aruba heeft bij landsbesluit van 22 augustus 1996, no. 10, op verzoek van belanghebbende, besloten:

“te verklaren dat [belanghebbende] wordt aangemerkt als een bedrijf in de zin van de Landsverordening bevordering industrievestiging en hotelbouw en derhalve voor de duur van tien (10) jaar vrijstelling wordt verleend van grond-, gebruiks-, en winstbelasting als vermeld in artikel 2 eerste lid onder b, c en d van die Landsverordening, alsmede vrijstelling van invoerrechten op materialen en goederen te behoeve van de bouw en eerste inrichting ingevolge artikel 2 eerste lid sub a van die Landsverordening, zulk voor de duur van elf (11) jaar, te rekenen vanaf de dag waarvan verzoeker onder overlegging van dit Landsbesluit ten genoegen van de inspecteur der Invoerrechten en Accijnzen kan aantonen bedoelde materialen en goederen ten invoer te hebben aangegeven, doch uiterlijk vanaf de dagtekening van het verzoekschrift, zijnde 23 oktober 1995.”

3. Geschil

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of belanghebbende voor het jaar 2008 nog aanspraak kan maken op de haar verleende &lt;i&gt;tax holiday&lt;/i&gt; voor de winstbelasting.

4. De standpunten van partijen

4.1 Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de haar verleende vrijstelling voor de winstbelasting werking heeft tot en met 31 december 2008. Hiertoe voert belanghebbende het volgende aan:

1. Uit de parlementaire geschiedenis van de Landsverordening ter bevordering industrievestiging en hotelbouw (1953-1954-52) volgt dat de 10-jaarsperiode pas begint te lopen na afloop van het jaar van ingebruikname. Ondanks de wijziging van de tekst van de Landsverordening in 1975, is deze wetsgeschiedenis nog steeds van belang voor de uitleg van de in 1996 aan belanghebbende bij landsbesluit toegekende vrijstelling.

2. Belanghebbende beroept zich op het gelijkheidsbeginsel. Volgens haar is er ongepubliceerd beleid dat inhoudt dat de vrijstelling het eerste jaar van ingebruikname en de daaropvolgende 10 jaar kan worden toegepast. Subsidiair stelt belanghebbende dat de meerderheidsregel van toepassing is.

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de aan belanghebbende verleende vrijstelling werking heeft tot en met 31 december 2007. Zij voert daartoe het volgende aan:

1. Aan de parlementaire geschiedenis waarnaar belanghebbende verwijst kan, nadat de Landsverordening in 1975 is gewijzigd, geen waarde meer worden gehecht.

2. Met betrekking tot het gelijkheidsbeginsel is de Inspecteur van mening dat geen sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen.

3. De Inspecteur ziet haar standpunt bevestigd in de uitspraak van de Raad van 15 augustus 1994, no. 1993/112, 113.

4.2 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, alsmede op hetgeen zij ter zitting hebben bijgebracht.

5. Beoordeling van het geschil

5.1 De Landsverordening ter bevordering industrievestiging en hotelbouw 1953 (LBIH) is in PB 1953/194 afgekondigd. Tot 1975 luidde artikel 3, lid 1, LBIH:

“De vrijstelling van belasting wordt verleend voor een tijdvak van tenminste tien en ten hoogste elf jaren (…).”

In de Memorie van Toelichting (MvT) bij PB 1953/194 is in het artikelsgewijs commentaar op de artikelen 12 en 13, betreffende de vrijstelling van de inkomsten- en winstbelasting, onder meer vermeld:

“Om practische redenen is het jaar van in gebruikstelling van de bedrijfsinrichting niet in het tijdvak waarover vrijstelling wordt genoten, begrepen. In dit jaar wordt practisch nooit winst gemaakt. Het mede rekenen van dit jaar zou dus veelal de termijnen van tien jaar bekorten tot negen.”

5.2 Bij PB 1975/250 is artikel 3, lid 1, LBIH als volgt gewijzigd:

“De vrijstelling van belasting wordt verleend voor een tijdvak van tenminste vijf en ten hoogste elf jaren.”

In de MvT bij PB 1975/250 is deze wijziging als volgt toegelicht:

“(…) [H]et (komt) wenselijk voor om naar gelang aard en omvang van de behoefte aan overheidssteun van daarvoor in aanmerking komende bedrijven bij vestiging hiertelande, belastingfaciliteiten in verschillende omvang te verlenen. De huidige bepalingen kennen slechts tijdvakken van tenminste tien en ten hoogste elf jaren als periode waarvoor vrijstelling van de verschillende belastingen kan worden verleend. Ook indien een bedrijf met vijf jaar belasting-vrijdom reeds voldoende gesteund zou zijn, moet bij toepassing van de huidige bepalingen belastingvrijdom voor ten minste tien jaren worden verleend. (…) [H]et ontwerp strekt er dan ook toe om naast de in artikel 3 van de onderhavige landsverordening genoemde termijn van ten minste tien en ten hoogste elf jaren de mogelijkheid te scheppen dat in daarvoor in aanmerking komende gevallen een kortere termijn (minimaal 5 jaar) kan worden bepaald (…).”

5.3 In het Voorlopig Verslag, no. 4 bij PB 1975/250, blz 2, eerste (nieuwe) alinea is vermeld:

“Enkele leden brachten naar voren dat het zou kunnen gebeuren dat een bedrijf, dat gedurende jaren belastingvrijdom heeft genoten en in het laatste jaar net het ‘break-even point’ bereikt heeft, een zodanig druk zou kunnen ondervinden van de zware belasting die het dan plotseling zou moeten betalen, dat dit wellicht een terugslag zou betekenen voor het bedrijf en dat een verder exploitatie noodgedwongen gestaakt zou moeten worden, met alle gevolgen hiervan voor degenen die in dat bedrijf gedurende een tiental jaren emplooi hebben gevonden. Met het oog hierop zouden de leden aan het woord de Regering in overweging willen geven het maximum van de vrijstellingsperiode te verhogen en te stellen op 15 jaren. In een geval, zoals hierboven gekenschetst, zou de Regering een onderzoek (…) kunnen laten verrichten. Wanneer het resultaat van dat onderzoek zulks billijkt, zouden de belastingfaciliteiten (…) voor een periode van ten hoogste vier jaren verlengd kunnen worden (…).”

5.4 Bij PB 1985/148 is onder meer de citeertitel van de LBIH gewijzigd in de Landsverordening ter bevordering van bedrijfsvestiging en hotelbouw 1953 (LBBH). Artikel 12 LBBH luidt:

“De vrijstelling van winstbelasting (…) wordt toegepast op de winst, door een naamloze vennootschap met een bedrijf behaald in het boekjaar waarin de bedrijfsinrichting in gebruik gesteld is en ten hoogste de tien daarop volgende boekjaren.”

Artikel 3 LBBH luidt niet anders dan artikel 3 LBIH.

5.5 Bij PB 1993/25 is de geldende tekst van de LBBH ongewijzigd opgenomen in het Afkondigingenblad van Aruba.

5.6 In de &lt;i&gt;reader&lt;/i&gt; ‘Tax Holiday’ van de Inspectie der Belastingen uit februari 1994 (bijlage XXV bij het vertoogschrift van de Inspecteur) is op blz. 11 vermeld:

“De vrijstelling is altijd geldig voor een bepaalde periode (bv. 10 jaar) plus het restant van het boekjaar waarin de bedrijfsinrichting in gebruik is gesteld.”

5.7 Uit al hetgeen hiervoor is vermeld leidt de Raad af dat &lt;i&gt;tax holidays&lt;/i&gt; als de onderhavige sinds de jaren vijftig van de vorige eeuw werden verleend aan hotel- en andere bedrijven die zich in Aruba vestigden. De aard en het karakter van de vrijstelling zijn sindsdien niet wezenlijk veranderd. Weliswaar is in 1975 de mogelijkheid geopend om, naar gelang de omstandigheden van het individuele geval en de branche waarin het betreffende bedrijf werkzaam is, de termijn van de vrijstelling van tien of elf jaar te bekorten, maar de doelstelling van de verleende &lt;i&gt;tax holidays&lt;/i&gt; is onverminderd erin gelegen om de economische activiteit van het eiland te bevorderen door het aantrekken van (ver)nieuw(d)e bedrijven. De Raad is daarom met belanghebbende van oordeel dat de in de Memorie van Toelichting uit 1953 bedoelde praktische redenen om het jaar van ingebruikstelling van de bedrijfsinrichting niet mee te tellen in het tijdvak waarover de vrijstelling wordt genoten, onverkort van kracht zijn gebleven, althans niet valt in te zien dat die redenen zich thans of in de jaren negentig niet (meer) zouden voordoen.

Bij dit oordeel heeft de Raad mede in aanmerking genomen dat, indien het jaar van ingebruik-stelling, zoals de Inspecteur bepleit, steeds als een vol jaar zou moeten worden meegeteld, het tijdstip van ingebruikstelling de feitelijke duur van de vrijstelling op onredelijke wijze zou (kunnen) beïnvloeden.

5.8 Op grond van het voorgaande is de Raad van oordeel dat de aan belanghebbende bij landsbesluit verleende vrijstelling aldus moet worden gelezen dat het vrijstellingstijdvak van tien jaren aanvangt met het jaar ná dat van ingebruikname van het [hotel] waarbij het jaar van ingebruikname eveneens in de vrijstelling deelt.

5.9 Dat in het geval van belanghebbende in het jaar van ingebruikname (1998) niet een negatief bedrijfsresultaat is behaald, maakt het voorgaande niet anders. Zoals mede blijkt uit het Voorlopig Verslag betreffende de wijziging van de regelgeving in 1975, worden immers jaren met negatieve resultaten voor het vrijstellingstijdvak evenzeer meegeteld als jaren met positieve resultaten. Het zou dan ook niet evenwichtig zijn om het jaar van ingebruikstelling in het ene geval niet, en in het andere geval wel mee te tellen, al naar gelang in dat jaar een negatief of een positief resultaat is behaald.

5.10 Voorts noopt, anders dan de Inspecteur meent, ook de tekst van de in 1975 gewijzigde regeling niet tot een andere uitleg. Daarbij merkt de Raad nog op dat overigens aannemelijk is te achten dat de Belastingdienst - in elk geval in de hier aan de orde zijnde jaren (1996/1998) - ook niet een andere uitleg van de &lt;i&gt;tax holiday&lt;/i&gt; regeling voorstond dan hiervoor door de Raad gegeven, nu deze uitleg uitdrukkelijk in de - kennelijk ongepubliceerd gebleven - &lt;i&gt;reader&lt;/i&gt; van de Belastingdienst uit 1994 is opgenomen.

5.11 Uit het hiervoor overwogene volgt dat het beroep gegrond is en de uitspraak niet in stand kan blijven. De aan belanghebbende opgelegde voorlopige aanslag dient te worden vernietigd.

6. Beslissing

De Raad verklaart het beroep gegrond, vernietigt de bestreden uitspraak en vernietigt de aan belanghebbende opgelegde voorlopige aanslag in de winstbelasting voor het jaar 2008.

Aldus vastgesteld in raadkamer op door mrs. M.T. Boerlage, H. Mol en E.F. Faase in tegenwoordigheid van de secretaris P.M. Isenia en uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2012.