Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBBNAA:2011:BT1732

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Datum uitspraak
09-09-2011
Datum publicatie
16-09-2011
Zaaknummer
2010/46538
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Naheffingsaanslag winstbelasting 2007 onrechtmatig opgelegd omdat tijdig aangifte was gedaan en tijdig de verschuldigde belasting was afgedragen. Handelwijze Inspecteur ernstig onzorgvuldig nu sprake was van een weloverwogen beslissing welke uitging van de onjuiste rechtsopvatting dat de naheffingsaanslag hoe dan ook kon worden opgelegd en gehandhaafd.

Voor de vaststelling of de Beschikking proceskostenvergoeding bezwaarfase belastingzaken van toepassing is, dient te worden aangesloten bij de datum van indiening van het bezwaarschrift (i.c. 1 juli 2009, dus vóór de inwerkingtreding van de Beschikking op 11 september 2010) en niet bij die van de uitspraak op bezwaar (i.c. 27 oktober 2010). Kostenvergoeding naar redelijkheid bepaald op Naf 600.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 9 september 2011, nr. 2010/46538

DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN

zitting houdende op Curaçao,

inzake:

X N.V. te Y, belanghebbende,

gemachtigde mr. Z,

tegen

de Inspecteur der Belastingen op Curaçao.

1. Het procesverloop

1.1 Aan belanghebbende is op 26 juni 2009 een naheffingsaanslag in de winstbelasting opgelegd voor het jaar 2007 naar een te betalen bedrag van Naf. 48.856. Aan belanghebbende is tevens een boete opgelegd van Naf. 2.442.

1.2 Belanghebbende is op 1 juli 2009 tijdig in bezwaar gekomen tegen de aanslag. Bij uitspraak van 27 oktober 2010 heeft de Inspecteur de aanslag gehandhaafd.

1.3 Belanghebbende is op 17 december 2010 tijdig tegen deze uitspraak in beroep gekomen.

1.4 De Inspecteur heeft geen vertoogschrift ingediend. Hij heeft ambtshalve de boete verminderd tot nihil bij beschikking van 4 mei 2011.

1.5 Ter zitting van 12 mei 2011 te Willemstad zijn verschenen mr. A namens de Inspecteur en mr. Z namens belanghebbende.

2. De tussen partijen vaststaande feiten

Het volgende is op grond van de schriftelijke stukken en hetgeen ter zitting is gezegd, komen vast te staan. Het is tussen partijen niet in geschil of door één van de partijen gesteld en door de andere partij niet of onvoldoende tegengesproken.

2.1. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de winstbelasting opgelegd voor het jaar 2007 wegens het niet of ontijdig voldoen van de aangegeven winstbelasting; tevens is een boete opgelegd. De aanslag en de boete zijn ten onrechte opgelegd, omdat belanghebbende de aangegeven winstbelasting wel op tijd heeft afgedragen. De Ontvanger had de afgedragen winstbelasting bij vergissing geboekt als winstbelasting 2008, waarna de Inspecteur de bestreden naheffingsaanslag oplegde. De Inspecteur heeft ambtshalve de boete verminderd tot nihil, maar de naheffingsaanslag nog gehandhaafd.

2.2. Belanghebbende heeft voor het indienen van een bezwaarschrift gebruik gemaakt van de diensten van haar gemachtigde die haar hele boekhouding verzorgt. De nota voor de werkzaamheden van de gemachtigde in verband met het bezwaar bedroeg Naf. 600. Belanghebbende heeft in haar bezwaarschrift verzocht om een vergoeding van deze Naf. 600. De Inspecteur heeft dat verzoek afgewezen.

3. Geschil

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag ten eerste of de naheffingsaanslag moet worden vernietigd en ten tweede of belanghebbende recht heeft op toekenning van een kostenvergoeding en, zo ja, hoeveel.

4. De standpunten van partijen

4.1. Belanghebbende is van oordeel dat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd en dat haar een kostenvergoeding toekomt ter zake van het maken van bezwaar. Haar gemachtigde heeft daarvoor nogal wat werkzaamheden moeten verrichten.

4.2. De Inspecteur is van mening dat de fout aan de zijde van de Ontvanger berust, dat de Ontvanger de boeking van de afdracht van winstbelasting moet corrigeren en dat aan belanghebbende geen recht op een kostenvergoeding toekomt.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de winstbelasting voor het jaar 2007 opgelegd omdat zij de verschuldigde winstbelasting niet zou hebben betaald. De Inspecteur had deze naheffingsaanslag moeten vernietigen toen hem bleek dat wel was voldaan en dat de naheffingsaanslag dus onrechtmatig was opgelegd. De Raad zal dat alsnog doen.

5.2. Ingevolge artikel 32a van de Algemene landsverordening landsbelastingen (ALL) bestaat in geval van ernstige onzorgvuldigheid bij het tot stand komen van de voor bezwaar vatbare beschikking voor de belastingplichtige recht op een vergoeding van kosten, die hij in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken.

5.3. Het derde lid van voormeld artikel biedt de mogelijkheid dat bij ministeriële beschikking nadere regels worden gesteld met betrekking tot de kosten waarop de in het eerste lid bedoelde vergoeding uitsluitend betrekking kan hebben en de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld. Van deze mogelijkheid is gebruik gemaakt bij de Beschikking proceskostenvergoeding bezwaarfase belastingzaken (P.B. 2010, nr. 65). Volgens artikel 5 van deze beschikking (hierna: de Beschikking) treedt zij in werking met ingang van de dag na die van uitgifte van het publicatieblad, waarin zij is geplaatst. Als datum van inwerkingtreding geldt 11 september 2010. De Beschikking voorziet in een forfaitaire vaststelling van het bedrag van de kostenvergoeding.

5.4. De Raad is van oordeel dat de handelwijze van de Inspecteur ernstig onzorgvuldig is geweest. Belanghebbende heeft tijdig aangifte voor de winstbelasting 2007 gedaan en tijdig de verschuldigde belasting afgedragen. De boeking van de afdracht op een volgend jaar berustte weliswaar op een vergissing, maar het opleggen van een naheffingsaanslag over 2007 met boete blijkt geen kleine vergissing te zijn geweest, maar een weloverwogen beslissing welke uitging van de onjuiste rechtsopvatting dat de naheffingsaanslag hoe dan ook kon worden opgelegd en gehandhaafd. Daarom is sprake van een ernstige tekortkoming. De Raad is voorts van oordeel dat door belanghebbende in redelijkheid kosten zijn gemaakt in verband met de behandeling van haar bezwaar. Zij heeft recht op een vergoeding van kosten als bedoeld in artikel 32a van de ALL.

5.5. Vaststaat dat het bezwaarschrift door belanghebbende is ingediend op 1 juli 2009 en dat de uitspraak op bezwaar van 27 oktober 2010 dateert. Onder die omstandigheden dient naar het oordeel van de Raad bij de vaststelling van de hoogte van de kostenvergoeding niet, zoals de Inspecteur verdedigt, te worden aangesloten bij de bij de Beschikking gegeven forfaitaire bedragen. De Beschikking is in werking getreden op 11 september 2010. Naar het oordeel van de Raad dient voor de vaststelling of de Beschikking in een gegeven geval van toepassing is, te worden aangesloten bij de datum van indiening van het bezwaarschrift en niet bij die van de uitspraak op bezwaar. De betreffende kosten worden immers gemaakt ter zake van de indiening van het bezwaar en van handelingen gedurende de looptijd daarvan. In de tekst van de Beschikking noch in de geschiedenis van de totstandkoming ervan zijn aanwijzingen te vinden dat dit anders zou moeten zijn. Aldus dient bij toekenning van een vergoeding van de kosten van bezwaar ingediend vóór de inwerkingtreding van de Beschikking, dus ook in het onderhavige geval, de vergoeding naar redelijkheid te worden bepaald en niet naar forfaitaire bedragen. De Raad acht het door belanghebbende verzochte bedrag van de vergoeding ad Naf 600 redelijk vanwege de vele werkzaamheden die haar gemachtigde heeft moeten verrichten in de fase van bezwaar en zal deze vergoeding toewijzen.

6. Beslissing

De Raad verklaart het beroep gegrond, vernietigt de uitspraak waarvan beroep alsmede de naheffingsaanslag voor het 2007 en veroordeelt het Land tot vergoeding aan belanghebbende van de door haar gemaakte bezwaarkosten ten bedrage van Naf. 600.

Aldus gedaan in raadkamer op door mrs. M.T. Boerlage, C.W.M. van Ballegooijen en E.F. Faase in tegenwoordigheid van de secretaris P. Isenia en uitgesproken in het openbaar op 9 september 2011.