Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBBNAA:2011:BT1730

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Datum uitspraak
09-09-2011
Datum publicatie
16-09-2011
Zaaknummer
2011/47426, 2011/47427 en 2011/47428
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft recht op kinderaftrek voor zijn drie, niet tot zijn huishouden behorende, dochters (art. 23a, lid 1, LIB). Ook in het - veronderstelde - geval dat ouders van natuurlijke kinderen die niet tot hun huishouden behoren, ongerechtvaardigd ten achter worden gesteld bij ouders van wettige kinderen die niet tot hun huishouden behoren, hebben ouders van wettige kinderen niet, evenals ouders van natuurlijke kinderen, recht op aftrek van buitengewone lasten voor gedane uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud van die kinderen (art. 16a LIB). Immers, de ouders van natuurlijke kinderen worden in de fiscale wetgeving ten achter gesteld doordat zij geen recht hebben op kinderaftrek, terwijl ouders van wettige kinderen dat recht onder omstandigheden wel hebben. Belanghebbende, als ouder van wettige kinderen, wordt dus niet ten achter gesteld bij ouders van natuurlijke kinderen; ook al komt hem dat financieel beter uit, belanghebbende heeft niet, in plaats van kinderaftrek, recht op aftrek van buitengewone lasten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 9 september 2011, nrs. 2011/47426, 47427 en 47428.

DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN

zitting houdende in Aruba,

inzake:

X te Y, belanghebbende,

tegen

de Inspecteur der Belastingen.

1. Het procesverloop

1.1 Aan belanghebbende zijn op 31 augustus 2010 een aanslag in de inkomstenbelasting en aanslagen in de premieheffing AOV/AWW en AZV opgelegd voor het jaar 2006 naar respectievelijk een belastbaar inkomen van Afl 353.903 en het maximum premie inkomen.

1.2 Belanghebbende is op 3 augustus 2010, dus tijdig, in bezwaar gekomen tegen de aanslagen. Bij uitspraak van 1 december 2010 heeft de Inspecteur de aanslagen gehandhaafd.

1.3 Belanghebbende is op 17 januari 2011, tijdig, tegen deze uitspraak in beroep gekomen.

1.4 Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingezonden.

1.5 Ter zitting van 18 mei 2011 te Oranjestad heeft mr. A namens de Inspecteur vertoogschriften ingediend en heeft belanghebbende een pleitnota overgelegd. Daarop is de behandeling van de zaak aangehouden tot 19 mei 2011.

1.6 Ter zitting van 19 mei 2011 zijn wederom de hiervoor genoemde partijen verschenen.

2. De tussen partijen vaststaande feiten

Het volgende is op grond van de schriftelijke stukken en hetgeen ter zitting is gezegd, komen vast te staan. Het is tussen partijen niet in geschil of door één van de partijen gesteld en door de andere partij niet of onvoldoende tegengesproken

2.1 Belanghebbende is gehuwd geweest met Z. Uit het huwelijk zijn drie dochters geboren: (…). De oudste volgt een beroepsopleiding; de twee jongsten zitten op een middelbare school. In 1997 is het huwelijk ontbonden. Het ouderlijke gezag over de kinderen is door de rechter toegekend aan de moeder (Z) die in Nederland woont. De kinderen behoren dan ook tot het huishouden van hun moeder. Belanghebbende is gehouden alimentatie voor de verzorging en opvoeding van zijn kinderen te betalen. Hij betaalde in 2006 Afl 37.477.

2.2 Belanghebbende heeft in zijn aangifte een bedrag van Afl 37.477 minus Afl 17.732 (de drempel) afgetrokken als buitengewone lasten in verband met de betaling voor het levensonderhoud van zijn kinderen. De Inspecteur is afgeweken van de aangifte. Hij heeft het bedrag van de buitengewone lasten op nihil gesteld en aan belanghebbende kinderaftrek verleend ten bedrage van tweemaal Afl 750 en eenmaal Afl 1.200. In de jaren voorafgaande aan 2006 heeft de Inspecteur wel een aftrek wegens buitengewone lasten op het inkomen van belanghebbende toegelaten.

3. Geschil

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of belanghebbende op grond van artikel 16a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Landsverordening inkomstenbelasting (hierna de LV) recht heeft op aftrek van buitengewone lasten. Voorts is in geschil of belanghebbende aan de aanslagregeling over de jaren voorafgaande aan 2006 het rechtens te honoreren vertrouwen kan ontlenen dat hij ook in 2006 aftrek kan genieten van buitengewone lasten. Beide vragen beantwoordt belanghebbende bevestigend en de Inspecteur ontkennend.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 Artikel 16a van de LV voorziet in een regeling van aftrek wegens buitengewone lasten. Ingevolge het eerste lid van het artikel zijn uitgaven tot voorziening in het noodzakelijke levensonderhoud van eigen en aangehuwde kinderen en pleegkinderen aftrekbaar als buitengewone lasten mits voor hen geen kinderaftrek wordt genoten. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende naar de tekst van artikel 23a, eerste lid, van de LV recht heeft op kinderaftrek voor zijn drie dochters.

4.2 Belanghebbende meent echter geen recht te hebben op kinderaftrek met het oog op het tweede lid van artikel 23a van de LV, dat luidt:

“2. Kinderaftrek voor – al of niet erkende – natuurlijke kinderen wordt enkel verleend indien zij tot het huishouden van de belastingplichtige behoren (…)”.

Belanghebbende erkent weliswaar dat zijn kinderen, die in het huwelijk zijn geboren, geen natuurlijke kinderen zijn, maar stelt dat hij als ouder van wettige kinderen wordt gediscrimineerd ten opzichte van ouders van natuurlijke kinderen. Hij verwijst naar het arrest van het Europese Hof van de Rechten van de Mens van 13 juni 1979, NJ 1980, 462, het Marckx arrest, waarin het Hof het wettelijke onderscheid (in Belgisch recht) tussen wettige en natuurlijke kinderen aanmerkte als strijdig met de artikelen 8 en 14 van het EVRM. De Inspecteur ontkent dat sprake is van discriminatie.

4.3 Over de vraag of de fiscale wetgeving van Aruba voldoet aan het discriminatieverbod zoals (mede) geformuleerd in voornoemd arrest van het Europese Hof, zal de Raad zich thans niet uitspreken, maar veronderstellenderwijs aannemen dat daarvan geen sprake is. Echter, ook in het geval dat ouders van buiten het huwelijk geboren kinderen die niet tot hun huishouden behoren, ongerechtvaardigd ten achter worden gesteld, kan de stelling van belanghebbende er niet toe leiden dat ouders van wettige kinderen, evenals ouders van natuurlijke kinderen die niet tot hun huishouden behoren, recht hebben op aftrek van buitengewone lasten voor gedane uitgaven tot voorziening in het noodzakelijke levensonderhoud van die kinderen. Immers, de ouders van natuurlijke kinderen die niet tot hun huishouding behoren, worden in de fiscale wetgeving ten achter gesteld doordat zij geen recht hebben op kinderaftrek, terwijl ouders van wettige kinderen die niet tot hun huishouden behoren, zoals belanghebbende, dat recht onder omstandigheden wel hebben. Aan dit oordeel, dat mede inhoudt dat belanghebbende als ouder van wettige kinderen niet ten achter wordt gesteld bij ouders van natuurlijke kinderen, doet niet af dat het in zijn (belanghebbendes) situatie feitelijk (financieel) beter uitkomt om geen recht op kinderaftrek te hebben en in de plaats daarvan aftrek van buitengewone lasten te genieten.

4.4 Het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel (door hem aangeduid als een beroep op een bestendige gedragslijn) kan hem naar het oordeel van de Raad niet baten. De wetgeving op het vlak van de kinderaftrek is per 1 januari 2005 gewijzigd, zodat belanghebbende eerst met ingang van 1 januari 2005 kinderaftrek genoot. Vóór die datum genoot hij terecht aftrek als buitengewone lasten. Bij de aanslagregeling voor het jaar 2005 heeft de Inspecteur de aangifte ten onrechte gevolgd door buitengewone lasten in aanmerking te nemen, maar daarmee wekt hij nog niet het te honoreren vertrouwen dat belanghebbende ook in 2006 in afwijking van de wettelijke regelgeving aftrek wegens buitengewone lasten kan genieten. .

4.5 Uit het hiervoor overwogene volgt dat het beroep inzake de aanslag in de inkomstenbelasting ongegrond is en de uitspraak in zoverre in stand kan blijven. De Inspecteur had echter de bezwaren tegen de aanslagen in de premieheffing niet ontvankelijk moeten verklaren, omdat zelfs al zou het bezwaar van belanghebbende gegrond zijn geweest, zijn premie-inkomen niet lager zou zijn vastgesteld dan het wettelijke maximum inkomen. Belanghebbende had dus geen belang bij zijn bezwaar tegen de premieaanslagen. In zoverre is het beroep gegrond.

5. Beslissing

De Raad verklaart het beroep ongegrond voor wat betreft de aanslag in de inkomstenbelasting, maar verklaart het beroep voor wat betreft de aanslagen in de premieheffingen gegrond en vernietigt de uitspraken op de bezwaren tegen de premieaanslagen en verklaart belanghebbende in zoverre alsnog niet ontvankelijk in zijn bezwaar.

Aldus gedaan in raadkamer door mrs. M.T. Boerlage, C.W.M. van Ballegooijen en E.F. Faase in tegenwoordigheid van de secretaris P. Isenia en uitgesproken in het openbaar op 9 september 2011.