Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBBNAA:2011:BR5495

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Datum uitspraak
28-07-2011
Datum publicatie
22-08-2011
Zaaknummer
2011/47465
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het doen van uitnodigingen tot betaling ter zake van de invoer van vruchtensappen die voor de tariefindeling aanvankelijk onder een verkeerde (al jarenlang door belanghebbende gebruikte) goederencode waren gerangschikt, levert geen strijd op met enig beginsel van behoorlijk bestuur (vertrouwensbeginsel, rechtszekerheidsbeginsel).

De wetgever heeft naheffing binnen een jaar mogelijk gemaakt en dus geaccepteerd dat de aangever dan nog wordt aangesproken op een onjuistheid/tekort. Daarmee dient de aangever rekening te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 28 juli 2011, nr. 2011/47465.

DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN

zitting houdende in Aruba,

inzake:

X N.V., gevestigd te Y, belanghebbende,

gemachtigde Z,

tegen

de Inspecteur der Belastingen.

1. Het procesverloop

1.1 Aan belanghebbende zijn op 21 en 29 september 2010 drie uitnodigingen tot betaling van invoerrechten gezonden door de Inspecteur:

uitnodigingen tot betaling van invoerrechten

1.2 Belanghebbende is op 11 oktober 2010, dus tijdig, in bezwaar gekomen tegen deze uitnodigingen tot betaling.

1.3 Belanghebbende is op 2 februari 2011 in beroep gekomen tegen het uitblijven van een uitspraak op bezwaar.

1.4 Op 8 april 2011 heeft de Inspecteur uitspraak op het bezwaarschrift gedaan. De Raad merkt het beroepschrift aan als een beroep tegen deze uitspraak.

1.5 De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

1.6 Ter zitting van 18 mei 2011 te Oranjestad zijn verschenen de gemachtigde voornoemd en A namens de Inspecteur. De gemachtigde heeft een pleitnota voorgelezen en ingebracht.

2. De tussen partijen vaststaande feiten

Het volgende is op grond van de schriftelijke stukken en hetgeen ter zitting is gezegd, komen vast te staan. Het is tussen partijen niet in geschil of door één van de partijen gesteld en door de andere partij niet of onvoldoende tegengesproken.

2.1 Belanghebbende voert verschillende soorten vruchtensappen in. Vruchtensappen die voor 100% uit vruchtensap bestaan behoren bij invoer te worden gerangschikt onder tariefpost 20.09. Geconcentreerde vruchtensappen worden ingedeeld in post 21.06 en vruchtensappen uit concentraat in post 22.02. De goederencode dient als grondslag voor de juiste tariefindeling.

2.2 Belanghebbende heeft in september 2009 aangiften gedaan van de invoer van vruchtensappen uit concentraat. Zij deed dat op drie Enige Documenten met de kenmerken C400 # 301161338, C400 # 301161336 en C400 # 301163490. De documenten vermelden telkens als goederencode: 20.09 en voorts dat de invoerrechten op 26 september 2009 zijn betaald. De op de Enige Documenten ingevulde code (20.09) wordt al jarenlang gebruikt door belanghebbende bij de invoer van dergelijke vruchtensappen zonder aanmerking van de kant van de douane.

2.3 Bij een fysieke controle na invoer van de drie aangiften in het geautomatiseerde systeem van de douane is de Inspecteur gebleken dat een verkeerde goederencode is toegepast. De juiste code is: 22.02. Hierdoor heeft belanghebbende minder invoerrechten betaald dan zij wettelijk verschuldigd was. In de bestreden uitnodigingen tot betaling wordt belanghebbende verzocht om de bedragen aan te weinig betaalde invoerrechten ad Afl. 1.327,63, Afl. 1.278,25 en Afl. 779,15 te voldoen.

3. Geschil

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of aan belanghebbende de bedragen van de te weinig betaalde invoerrechten in strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur in rekening zijn gebracht. Niet in geschil is dat de oorspronkelijk gehanteerde code en het daarop gebaseerde tarief fout waren.

4. De standpunten van partijen

4.1 Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de desbetreffende goederencode, die achteraf onjuist werd bevonden, door de douane is ingevoerd in het computersysteem en dus had moeten worden gezien. Belanghebbende meent dat ruim een jaar na aangifte niet ineens van code kan worden veranderd, als gevolg waarvan wordt geconstateerd dat belanghebbende te weinig invoerrechten heeft betaald. De betreffende code wordt bovendien sinds jaar en dag gebruikt en tevens door de douane geaccepteerd en zij meent dat zij in redelijkheid mocht vertrouwen dat de zaak na controle, betaling en het vrijgeven van de goederen, was afgedaan. Belanghebbende betoogt voorts dat deze handelwijze van de douane verliesgevend is voor belanghebbende omdat de goederen destijds zijn verkocht voor een prijs waarin de door belanghebbende voldane invoerrechten waren verwerkt en er daarom sprake is van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

4.2 De Inspecteur betoogt dat niet de douane maar de belanghebbende zelf de goederencode invult en daarvoor verantwoordelijk is. De douane ambtenaar belast met de factuurcontrole controleert alleen de goederenbenaming en de goederenomschrijving. Na de invoer vindt controle van het Enig Document plaats door het sinds 2003 opgerichte Douane Controle Team. Bij een foutieve vermelding van de goederencode dient de douane dit alsnog te corrigeren.

4.3 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, alsmede op hetgeen zij ter zitting hebben bijgebracht.

5. Beoordeling van het geschil

5.1 Artikel 122, tweede lid, van de Landsverordening in-, uit- en doorvoer (hierna: de LIUD) bepaalt:

“Het invoerrecht, in minder betaald op het verschuldigde overeenkomstig het bij artikel 127 vastgestelde tarief, wordt binnen een jaar na de datum van betaling bij beschikking van de Inspecteur door de Ontvanger nagevorderd. ”

5.2 Blijkens de tot de gedingstukken behorende ‘Enig Document’-en als vermeld in 1.1, zijn betalingen gedaan op 25 september 2009, 26 september 2009 en 8 oktober 2009. De uitnodigingen tot betaling zijn gedateerd op 21 september 2010, respectievelijk 21 september 2010 en 29 september 2010 en zijn derhalve, gelet op de onder 5.1 genoemde termijn van een jaar, tijdig verzonden. Gelet op het bepaalde in artikel 122, tweede lid, van de LIUD, is de Raad van oordeel dat de te weinig betaalde invoerrechten in beginsel terecht bij belanghebbende zijn nageheven omdat vaststaat dat belanghebbende op 25 september 2009, 26 september 2009 en 8 oktober 2009 te weinig invoerrechten betaalde. De Inspecteur behoefde blijkens het bepaalde in artikel 122, tweede lid, van de LIUD, daarvoor niet over een nieuw feit te beschikken.

5.3 De stelling van belanghebbende dat de douane door de invoering van haar aangiften in het geautomatiseerde systeem een actieve rol heeft vervuld waaraan zij het vertrouwen mag ontlenen dat haar aangiften correct zijn geweest, gaat er naar het oordeel van de Raad aan voorbij dat hier slechts sprake is van een factuurcontrole. Deze factuurcontrole laat onverlet de mogelijkheid voor de douane om later bij een fysieke verificatie van de goederen onjuist gebleken aangiften te corrigeren door middel van het uitreiken van uitnodigingen tot betaling. Weliswaar had de douane reeds een fysieke controle kunnen uitvoeren bij het vrijmaken van de containers, maar belanghebbende kan niet erop vertrouwen dat, als op dat moment geen controle wordt uitgevoerd op de goederen, haar aangiften niet meer kunnen worden onderworpen aan een verificatie na invoer. Ook de omstandigheid dat belanghebbende de goederen, achteraf bezien, met verlies heeft verkocht omdat zij haar klanten niet kan herfactureren, maakt de uitnodigingen tot betaling niet onrechtmatig en brengt naar ’s Raads oordeel geen schending van het rechtszekerheidsbeginsel met zich.

5.4 Het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel moet naar het oordeel van de Raad ook overigens falen. De door belanghebbende aangevoerde omstandigheden dat de door haar gehanteerde goederencode al jaren bij haar aangiften wordt gebruikt, dat de douane de goederen op dat moment zou kunnen controleren, dat aldus conform de aangifte wordt betaald en dat daarna de goederen door de douane worden vrijgegeven, in onderlinge samenhang bezien, doen niet af aan de door de wetgever geboden mogelijkheid om binnen de daarvoor gegeven termijn na te heffen. Met het mogelijk maken van een controle achteraf door de douane en met de mogelijkheid van naheffing heeft de wetgever geaccepteerd dat in sommige gevallen de aangever een jaar na de eerste betaling nog wordt aangesproken door de douane op een onjuistheid en/of tekort. In de tussentijd dient een aangever zoals belanghebbende er rekening mee te houden dat nog kan worden nageheven. Ook het reeds jarenlang invullen door belanghebbende van dezelfde goederencode en het volgen daarvan zonder een uitdrukkelijke stellingname door de douane, vormen geen omstandigheden die bij belanghebbende een in rechte te beschermen vertrouwen hebben kunnen wekken.

5.5. Het beroep van belanghebbende op artikel 58 van de LIUD kan haar naar het oordeel van de Raad evenmin baten. Ingevolge dat artikel is het de aangever van accijnsvrije goederen geoorloofd zijn aangifte te veranderen, zolang op het verkregen document de visitatie door de ambtenaren nog niet is aangevangen en nog geen aanhouding of bekeuring is geschied. Het artikel houdt naar ’s Raads oordeel geen verplichting in voor de Inspecteur de aangever op enig moment op deze mogelijkheid te wijzen, zodat het belanghebbende in het onderhavige geval zelf is aan te rekenen dat zij niet (tijdig) van deze mogelijkheid tot herstel gebruik heeft gemaakt.

5.6 Voor wat betreft het beroep van belanghebbende op schending van het motiveringsbeginsel moet belanghebbende worden toegegeven, conform het standpunt van de Inspecteur, dat geen van de uitnodigingen tot betaling een nadere motivering of uitleg omtrent het gebruik van de verkeerde goederencodes inhoudt. Maar naar ’s Raads oordeel kan het verzaken van de motiveringsplicht door de Inspecteur er niet toe leiden dat deze uitnodigingen tot betaling dienen te worden vernietigd.

5.7 Uit het hiervoor overwogene volgt dat het beroep ongegrond is.

6. Beslissing

De Raad verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan in raadkamer op [datum] door mrs. M.T. Boerlage, C.W.M. van Ballegooijen en E.F. Faase in tegenwoordigheid van de secretaris mr. P. Isenia en uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2011.