Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBBNAA:2009:20

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Datum uitspraak
25-03-2009
Datum publicatie
15-10-2019
Zaaknummer
2007/0249
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Onbelaste vergoeding scholing kinderen van ex-patriates die niet werkzaam zijn in een bedrijf dat gerekend wordt tot een van dieviezengenererende sectoren, kosten die hun grond vinden in de dienstbetrekking, gelijkheidsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 25 maart 2009, nr. 2007/0249

DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN
zitting houdende op Curaçao,

inzake: [belanghebbende],
gemachtigden: [A] en [B],

tegen

[de Inspecteur].

1 Het procesverloop

Aan belanghebbende is op 22 juni 2001 een naheffingsaanslag loonbelasting over het tijdvak 1 januari 1999 tot en met 30 juni 2000 opgelegd naar een belastingbedrag van Naf. 73.707 met een boete van 25 percent van de verschuldigde belasting, te weten Naf. 18.426, opgelegd.

1.2.

Belanghebbende is bij bezwaarschrift van 27 juni 2001, dus tijdig , in bezwaar gekomen tegen deze aanslag. Bij uitspraak op bezwaar van 9 juli 2007 is de Inspecteur gedeeltelijk aan belanghebbendes bezwaar tegemoetgekomen en bij aanslag van 3 augustus 2007 is het belastingbedrag tot Naf. 54.000 verminderd en is de boete verminderd tot een boete van 15 percent over het nog verschuldigde bedrag, te weten, tot Naf 8100.

1.3.

Belanghebbende is op 13 augustus 2007, dus tijdig, tegen deze uitspraak in beroep gekomen.

1.4.

De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

1.5

Ter zitting van 7 april 2008 te Willemstad zijn verschenen namens belanghebbende [A] en [B], en namens de Inspecteur [C].

2 Tussen partijen vaststaande feiten

2.1.

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende komen vast te staan.

2.2.

Het Belastingaccountantsbureau heeft bij belanghebbende, een accountants- en belastingadvieskantoor, een boekenonderzoek uitgevoerd naar de aanvaardbaarheid van haar aangiften loonbelasting over het tijdvak 1 januari 1996 tot en met 30 juni 2000. Daarbij is onder meer geconstateerd dat belanghebbende het schoolgeld en de overige kosten wegens het volgen van onderwijs aan de Schroderschool voor de kinderen van de bij haar in dienstbetrekking zijnde ex-patriates ten bedrage van in totaal Naf 54.246 belastingvrij heeft vergoed. Deze vergoeding is door de Inspecteur aangemerkt als loon en ter zake daarvan is een bedrag van Naf. 54.000 begrepen in de onderhavige naheffingsaanslag.

2.3.

De ex-patriates in dienst van belanghebbende voldoen aan de omschrijving van ex-patriate in artikel 1, onder a, van de Ministeriele Beschikking met algemene werking van 1 december 1998 handelend over de versoepeling van de regels van de loon- en inkomstenbelasting voor werknemers uit het buitenland, P.B. 1998/228 (hierna: de Beschikking). Zij hebben namelijk direct voorafgaand aan hun tewerkstelling in de Nederlandse Antillen gedurende een aaneengesloten periode van ten minste vijf jaar in het buitenland gewoond.

2.4.

De ex-patriates in dienst van belanghebbende voldoen tevens aan de eisen in artikel 2, lid 1, van de Beschikking, met uitzondering van de voorwaarde van artikel 2, lid 1, onder d, dat de werknemers in een bedrijf werkzaam zijn dat wordt gerekend tot de deviezengenererende sectoren. Tot de deviezengenererende sectoren worden gerekend de internationale financiële dienstverlenende industrie, de aardolie-industrie, de luchtvaartindustrie, de communicatie-industrie en bepaalde onderwijsinstellingen (artikel 2, lid 2, van de Beschikking). Belanghebbende heeft niet een verzoek om toepassing van de Beschikking als bedoeld in artikel 6 gedaan.

3 Geschil

3.1.

Tussen partijen is in geschil of de in 2.2 genoemde vergoedingen van de kosten voor kinderen van belanghebbendes ex-patriates terecht zijn aangemerkt als loon en of de boete in stand kan blijven.

4 De standpunten van partijen

4.1.

Belanghebbende beantwoordt de in geschil zijnde vragen ontkennend en de Inspecteur bevestigend.

4.2.

Belanghebbende betoogt primair dat de bij haar in dienst zijnde ex-patriates recht hebben op een gelijke behandeling als de ex-patriates in de door de Minister aangewezen sectoren voor wie de werkgever de schoolkosten voor de Schroderschool onbelast mag vergoeden. De bij haar in dienst zijnde ex-patriates verkeren volgens belanghebbende in vergelijkbare omstandigheden als de ex-patriates in de andere sectoren, omdat het ook hoogopgeleide personen betreft die op tijdelijke basis zijn aangetrokken en die voor tijdelijk hogere kosten van de opleiding van hun kinderen zijn komen te staan ten gevolge van de werkzaamheden in de Antillen. Belanghebbende beroept zich op de vergelijkbaarheid van haar geval met het geval als aan de orde was in de beschikking van de Raad van 2 maart 1998, nr. 1997/ 63 intake de Arubaanse 35%-regeling, welke regeling door de Raad onverbindend werd verklaard. Het subsidiaire standpunt van belanghebbende luidt dat de kosten op grond van artikel 6, lid 3, onderdeel f, van de Landsverordening op de Loonbelasting 1976 (hierna: LLB) onbelast vergoed kunnen worden, omdat de vergoeding strekt tot bestrijding van kosten tot verwerving van het loon.

4.3.

De Inspecteur betoogt dat belanghebbende de kosten niet onbelast mag vergoeden. Belanghebbende heeft met het vereiste verzoek om toepassing van de regeling gedaan en daarbij komt dat belanghebbende ook niet behoort tot de door de Minister aangewezen sectoren, dus dat haar werknemers niet gebruik kunnen maken van de onbelaste vergoeding. De Inspecteur beroept zich daarbij op de vergelijkbaarheid van belanghebbendes geval met het geval dat aan de orde was in de beschikking van de Raad van 5 september 2006, nr. 2004/ 0766. Subsidiair betoogt de Inspecteur dat er een economische rechtvaardiging is voor het beperken van de reikwijdte van de regeling tot bepaalde sectoren; het was in die- voor de Antilliaanse economie zeer belangrijke — sectoren moeilijk om aan deskundig personeel te komen, zodat daarvoor een tegemoetkoming in het leven is geroepen. Tegenover belanghebbendes subsidiaire standpunt brengt de Inspecteur in dat de kosten van de school van kinderen van werknemers niet kosten zijn die rechtstreeks verbonden zijn met de dienstbetrekking van de ouders, dus dat deze niet voor onbelaste vergoeding in aanmerking komen.

4.4.

Voor de standpunten van partijen wordt voorts verwezen naar de gedingstukken en de pleitnota van belanghebbende.

5 Beoordeling van het geschil

5.1.

Met de Beschikking beoogt de Minister het aantrekken van bepaalde deskundige werknemers voor bedrijven van verschillende deviezengenererende sectoren, die een belangrijke bijdrage leveren aan de uitbouw van de economie van de Antillen, te vergemakkelijken. De Minister heeft het van belang geacht dat de bedrijven in deze sectoren ex-patriates onder fiscaal gunstige voorwaarden kunnen aantrekken door deze tegemoet te komen in de tijdelijk hogere kosten van de opleiding van hun kinderen. Belanghebbende maakt geen deel uit van een van de aangewezen sectoren en zij klaagt over het in de Beschikking gemaakte onderscheid tussen de twee sectoren. De Raad erkent dat er verschil bestaat tussen bedrijven die werkzaam zijn in de deviezengenererende sectoren en andere bedrijven, en dat dit verschil een fiscaal gunstige regeling voor alleen de eerstbedoelde bedrijven kan rechtvaardigen, zoals de Inspecteur stelt. De Raad ziet echter niet in wat dit verschil met de hoge kosten van de opleiding van de kinderen van de ex-patriates te maken heeft en hoe een vrijstelling in een heffing van werknemers, de loonbelasting, hun werkgever rechtstreeks ten goede komt. De Beschikking schept in haar uitwerking een ongelijkheid tussen ex-patriates werkzaam in de deviezengenerende bedrijven en ex-patriates werkzaam in andere bedrijven, terwij1 zij beiden in verband met hun tewerkstelling in de Nederlandse Antillen geconfronteerd worden met dezelfde hoge kosten van de opleiding van hun kinderen. Voor deze ongelijkheid heeft de Inspecteur geen rechtvaardigingsgrond aangevoerd. Het gelijkheidsbeginsel vordert dat ook de ex-patriates werkzaam in andere dan de deviezengenerende bedrijven in aanmerking komen voor de vrijstelling van de Beschikking. De Raad verklaart de Beschikking onverbindend voor zover deze ertoe leidt dat expatriates die niet werkzaam zijn in een bedrijf dat gerekend wordt tot een van de deviezengenerende sectoren, maar die overigens voldoen aan de vereisten van artikel 2, lid 1, niet op een gelijke wijze worden behandeld als de expartiates werkzaam in de deviezengenererende bedrijven.

5.2.

Vast staat dat belanghebbende niet het verzoek heeft gedaan, als bedoeld in artikel 6 van de Beschikking. Toepassing van de vrijstelling van loonbelasting als bedoeld in artikel 4 van de Beschikking, voor onder meer schoolgeld en de overige kosten wegens het volgen van onderwijs van kinderen, komt de ex-patriate slechts toe onder voorwaarde dat onder meer voldaan is aan de eis in artikel 6 van het indienen van een schriftelijk verzoek door de werkgever. Het staat een inhoudingsplichtige, ook belanghebbende, niet vrij om de Beschikking toe te passen zonder te voldoen aan deze voorwaarde. Daarom heeft de Inspecteur terecht loonbelasting nageheven. De primaire stelling van belanghebbende faalt.

5.3.

Belanghebbendes subsidiaire stelling faalt eveneens. Het schoolgeld van de kinderen kan voor de werknemers niet worden beschouwd als kosten die hun grond vinden in de dienstbetrekking. Het ontbreekt ter zake van deze kosten aan het vereiste directe verband tussen kosten en dienstbetrekking, zodat zij niet door de werkgever onbelast uitbetaald kunnen worden als vergoeding tot bestrijding van kosten tot verwerving van het loon in de zin van artikel 6, lid 3, onderdeel f, LLB.

5.4.

Naar het oordeel van de Raad is door het vergoeden van de in 2.2. vermelde kosten zonder deze betalingen aan te merken als loonbestanddelen, terwijl belanghebbende geen verzoek heeft ingediend als bedoeld in artikel 6 van de Beschikking, het aan belanghebbendes grove schuld te wijten dat er te weinig loonbelasting is ingehouden en afgedragen. Belanghebbende, een accountants- en belastingadvieskantoor, heeft het kennelijk door haar ingenomen standpunt vermeld noch toegelicht in de betreffende aangiften loonbelasting. De Raad acht een boete van 15 % van het belastingbedrag dan ook passend en geboden.

6 Beslissing

De Raad:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan in raadkamer op 25 maart 2009 door mrs. J.Th. Drop, C.W.M. van Ballegooijen en G.J. van Muijen in tegenwoordigheid van de secretaris S.J. Rasmijn en uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2009.