Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBBNAA:2009:2

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Datum uitspraak
03-11-2009
Datum publicatie
12-09-2019
Zaaknummer
2006/0182, 0183 en 0184
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Vervroegde afschrijving en investeringsaftrek m.b.t. winst bepaalt op forfaitaire basis, ontvankelijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 3 november 2009, nr. 2006/0182, 0183 en 0184

DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN
zitting houdende op Aruba,

inzake: [belanghebbende],

tegen

[de Inspecteur].

1 Het procesverloop.

Aan belanghebbende zijn op 19 juli 2005 aanslagen in de winstbelasting voor de jaren 2002 en 2003 opgelegd naar een belastbaar bedrag van onderscheidenlijk Afl. 1.929.700 en Afl. 1.758.100, welke aanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur van 3 januari 2006 zijn gehandhaafd. Tevens is aan belanghebbende op 13 mei 2005 een voorlopige aanslag in de winstbelasting voor het jaar 2005 opgelegd. Het tegen deze aanslag gemaakte bezwaar is bij uitspraak van de Inspecteur van 3 januari 2006 niet-ontvankelijk verklaard.

1.2.

Op 4 juli 2006 heeft belanghebbende tegen voornoemde uitspraken van de Inspecteur beroep

ingesteld bij de Raad van beroep voor Belastingzaken. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

1.3.

Ter zitting van 17 april 2007 te Oranjestad zijn verschenen [A] namens

belanghebbende en [B] namens de Inspecteur.

2 Tussen partijen vaststaande feiten

2.1.

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting zijn, als tussen partijen

niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de ander niet of niet voldoende weersproken, de volgende feiten vast komen te staan.

2.2.

Belanghebbende, die in de Nederlandse Antillen is gevestigd, oefent sinds 1 januari 2002 in

Aruba het levensverzekeringsbedrijf uit door middel van een vaste inrichting. De door haar met behulp van de vaste inrichting behaalde winst wordt op basis van artikel 8, lid 2, van de Landsverordening winstbelasting (hierna: de LWB) forfaitair berekend.

3 Geschil en standpunten van partijen

3.1.

Met betrekking tot de jaren 2002 en 2003 is tussen partijen in geschil of belanghebbende ondanks het feit dat zij haar winst bepaalt op forfaitaire basis, aanspraak kan maken op vervroegde afschrijving (artikel 5, lid 4, van de LWB) en investeringsaftrek (artikel 5a van de LWB).

3.2.

Met betrekking tot het jaar 2005 is in geschil of de Inspecteur belanghebbende terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar bezwaar.

3.3.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, alsmede op hetgeen zij ter zitting hebben bijgebracht.

4 Beoordeling van het geschil
Aangaande de jaren 2002 en 2003

4.1.

Op grond van artikel 8, lid 2, van de LWB wordt de aan een vaste inrichting als die van

belanghebbende toe te rekenen winst bepaald op tien ten honderd en overigens twintig ten honderd van a. het bedrag dat aan premies en kapitaal is ontvangen van de in Aruba wonende of gevestigde verzekerden of voor in Aruba lopend gevaar, vermeerderd met b. het niet onder a begrepen bedrag dat door de in Aruba gevestigde vaste inrichting is ontvangen ter zake van door haar afgesloten verzekeringen. Aldus maakt deze bepaling een uitzondering op de hoofdregel van artikel 4, lid 1, van de LWB, inhoudende dat de door een belastingplichtige behaalde winst wordt gesteld op de som van de voordelen die onder welke naam en in welke vorm ook, zuiver worden verkregen uit bedrijf en uit buiten bedrijf gebezigd kapitaal. Hieruit volgt dat de nader door de LWB gegeven voorschriften ter bepaling van de winst in de zin van laatstgenoemd artikel, daaronder begrepen de regeling van de vervroegde afschrijving van artikel 5, lid 4, van de LWB, voor belastingplichtigen zoals belanghebbende die de winst bepalen op de voet van artikel 8, lid 2, van de LWB, toepassing missen. Het andersluidende standpunt van belanghebbende moet dan ook worden verworpen.

4.2.

Met betrekking tot de regeling van de investeringsaftrek heeft het volgende te gelden. Artikel 5a, lid 1, van de LWB bepaalt dat onder bepaalde voorwaarden ter zake van investeringen in bedrijfsmiddelen in beginsel acht percent van het investeringsbedrag ten laste wordt gebracht van zowel de winst van het jaar van investeren als van het daaropvolgend boekjaar. De investeringsaftrek raakt derhalve de winstbepaling als zodanig van een belastingplichtige niet; het betreft hier slechts een fiscale faciliteit die tot doel heeft het stimuleren van investeringen in bedrijfsmiddelen en daartoe aan belastingplichtigen toestaat de winst met een bepaald bedrag te verminderen. Met belanghebbende is de Raad van oordeel dat gelet op die doelstelling niet valt in te zien waarom die faciliteit dient te worden onthouden aan belastingplichigen die hun winst bepalen op de voet van artikel 8, lid 2, van de LWB. Daaraan kan, anders dan de Inspecteur stelt, niet afdoen het bepaalde in artikel 8, lid 4, van de LWB aangezien dit artikel slechts bepaalt dat bij de berekening van de winst bepaalde kosten niet in aftrek worden toegelaten. Echter, naar volgt uit het voorgaande is het bedrag van de investeringsaftrek geen kostenpost die invloed heeft op de winstberekening zodat artikel 8, lid 4, in dezen niet van toepassing is. Het gelijk op dit punt is derhalve aan belanghebbende.

Aangaande het jaar 2005

4.3.

De voorlopige aanslag is gedagtekend 13 mei 2005. Het tegen die aanslag gerichte bezwaarschrift is gedagtekend 9 september 2005 en is blijkens een daarop vanwege de belastingdienst aangebracht stempel ter inspectie binnengekomen op 12 september 2005. Nu het bezwaarschrift niet binnen de bezwaartermijn van twee maanden bij de Inspecteur is ingediend (artikel 17 van de Algemene landsverordening belastingen) en voorts geen omstandigheden zijn gesteld of gebleken op grond waarvan moet worden geoordeeld dat belanghebbende niet in verzuim is geweest, heeft de Inspecteur het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.

5 Slotsom

Gelet op het hiervoor overwogene is het beroep met betrekking tot de jaren 2002 en 2003 gedeeltelijk gegrond. Het belastbaar bedrag voor die jaren moet, nu kennelijk niet in geschil is dat aan de overige voorwaarden voor investeringsaftrek is voldaan, worden verminderd tot op onderscheidenlijk Afl. 1.019.620 (Afl. 1.929.700 minus Afl. 910.080). en Afl. 848.020 (Afl. 1.758.100 minus 910.080).

6 Beslissing

De Raad:

verklaart het beroep met betrekking tot de jaren 2002 en 2003 gegrond en met betrekking tot het jaar 2005 ongegrond, vernietigt de uitspraken van de Inspecteur met betrekking tot de jaren 2002 en 2003, en vermindert het belastbaar bedrag van die jaren tot respectievelijk Afl. 1.019.620 en Afl. 848.020.

Aldus gedaan door mrs. M.T. Boerlage, Th. Groeneveld en G.J. van Muijen in tegenwoordigheid van de secretaris S.J. Rasmijn en uitgesproken in het openbaar op 3 november 2009.